George McClellan

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
George Brinton McClellan
GeorgeMcClellan.jpeg
Geboren 3 december 1826
Philadelphia, Pennsylvania
Overleden 29 oktober 1885
Orange, New Jersey
Politieke partij Democraat
Partner Ellen Mary Marcy McClellan
Religie Presybyteriaan
24e gouverneur van New Jersey
Aangetreden 15 januari 1878
Einde termijn 18 januari 1881
Voorganger Joseph D. Bedle
Opvolger George C. Ludlow
Portaal  Portaalicoon   Politiek
George McClellan
Bijnaam Little Mac
The Young Napoleon
Land/partij Vlag van Verenigde Staten Verenigde Staten
Onderdeel Flag of the United States Army.gif United States Army
Dienstjaren 1846-1857
1861-1864
Rang Union army maj gen rank insignia.jpg Generaal-majoor
Leiding over Department of the Ohio
Army of the Potomac
Slagen/oorlogen Mexicaans-Amerikaanse Oorlog

Amerikaanse Burgeroorlog

Een deel van het portret van McClellan door Julian Scott

George Brinton McClellan (3 december 182629 oktober 1885 was een Noordelijke generaal-majoor tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. In 1864 was hij de presidentskandidaat voor de Democratische partij. Tussen 1878 en 1881 was hij gouverneur voor de staat New Jersey. Hij stond aan de wieg van het Army of the Potomac en diende tussen november 1861 en maart 1862 als opperbevelhebber van de Noordelijke legers. Zijn organisatietalent en zijn oog voor detail was van grote waarde om legers op te bouwen. Echter om een agressieve en vindingrijke vijand te verslaan werkte dit soms tegen hem. Hij overschatte voortdurend de vijandelijk sterkte en liet tijdens veldslagen zijn numerieke sterkte vaak onderbenut.

McClellans Schiereilandveldtocht in 1862 draaide uit op een mislukking toen het Noordelijke leger zich terugtrok voor het veel kleinere Zuidelijke Army of Northern Virginia onder leiding van Robert E. Lee en ze er dus niet in slaagden om de vijandelijke hoofdstad Richmond Virginia in te nemen. McClellan kon na de bloedige Slag bij Antietam Lees invasie in Maryland afslaan, maar slaagde er niet om Lees leger volledig te vernietigen. McClellans commando werd hierdoor in vraag gesteld door president Abraham Lincoln die hem uiteindelijk zijn commando ontnam eerst als opperbevelhebber en daarna ook als bevelhebber van het Army of the Potomac. Lincolns evaluatie van McClellan luidde als volgt:”Als hij zelf niet kan vechten, dan overtreft hij zichzelf in het klaarmaken van anderen om te vechten.”[1] McClellan was een populaire bevelhebber die het moraal en de noden van de soldaten voorop stelde.

Ook daarna slaagden McClellan en Lincoln er niet in om overeen te komen. In 1864 was McClellan zijn tegenstander in de presidentiële verkiezingen van 1864. Tussen 1878 en 1881 diende hij als gouverneur van New Jersey.

Vroege jaren en het begin van zijn loopbaan[bewerken]

McClellan zag het levenslicht op 3 december 1823 in Philadelphia, Pennsylvania. Zijn vader, dokter George McClellan (17961847 was een gerespecteerde oogheelkundige en medestichter van de Thomas Jefferson University. Dr. McClellan was van noord-Ierse oorsprong.[2] Zijn moeder was Elizabeth Sophia Steinmetz Brinton McClellan (18001889), dochter van een vooraanstaande familie uit Pennsylvania.[3] Ze hadden samen vijf kinderen. Eerst een dochter Frederica; dan drie zonen, John George en Arthur en een tweede dochter Mary. Op de leeftijd van 13 jaar volgde McClellan vanaf 1840 rechtenstudies aan de Universiteit van Pennsylvania. Na twee jaar veranderde hij van idee en wou een militaire loopbaan uitbouwen. Met de hulp van zijn vader stuurde hij een brief naar president John Tyler om toegelaten te worden tot de United States Military Academy in 1842 die voor één keer de nominale leeftijd van 16 liet varen.[4]

In West Point was hij een energieke en ambitieuze kadet. Hij voelde zich sterk aangetrokken tot de theorieën van Dennis Hart Mahan en de theoretisch-strategische principes van Antoine Henri Jomini. Zijn beste vrienden waren aristocratische kadetten uit het zuiden zoals James Stuart, Dabney Maury, Cadmus Wilcox en A. P. Hill. McClellan zou later stellen dat deze contacten hem een diepgaand inzicht verschaften in de Zuidelijke ideeën en de politieke en militaire implicaties van de bruiklijnen tussen de Noordelijke en Zuidelijke staten die tot het conflict zouden leiden.[5] In 1846 studeerde hij af als tweede van een klas van 59. Hij verloor de eerste plaats aan Charles Seaforth Stewart door zijn mindere tekenkwaliteiten.[6] Hij trad in militaire dienst als een gebrevetteerd tweede luitenant bij het geniekorps.[7]

De Mexicaans-Amerikaanse Oorlog[bewerken]

Na zijn aanstelling bij de genie ontving hij al snel orders om zich naar het front in Mexico te begeven. Hij ontscheepte in oktober 1846 aan de monding van de Rio Grande. Zijn uitrusting bestond uit een dubbelloopsgeweer, twee pistolen, een sabel, een zwaard en een Bowiemes. Hij was net te laat voor de Amerikaanse overwinning bij Monterrey. Tijdens een tijdelijk bestand waarin de troepen van generaal Zachary Taylor niets om handen hadden, viel McCellan ziek door dysenterie en malaria die hem een maand werkonbekwaam maakte. De volgende jaren had hij regelmatig last van malaria-aanvallen die hij zijn “Mexicaanse ziekte” noemde.[8] Tijdens de oorlog werd hij bevorderd tot gebrevetteerd eerste luitenant na de Slag bij Contreras en de Slag bij Churubusco en tot gebrevetteerd kapitein na de Slag bij Chapultepec.[7] Hij voerde eveneens verkenningsmissies uit voor luitenant-generaal Winfield Scott die een goede vriend was van zijn vader.[9]

Tijdens de oorlog zou hij verschillende ideeën ontwikkelen die invloed zouden hebben op zijn latere militaire en politieke loopbaan. Hij leerde de waarde inschatten van flankeerbewegingen en belegeringen. Hij leerde ook veel van Winfield Scott over het evenwicht tussen politieke en militaire aspecten, het belang van een goede relatie met de lokale bevolking door een strikte discipline bij de soldaten om onnodige schade te voorkomen. Hij was geen voorstander van vrijwilligers, zowel soldaten als officieren en voornamelijk politici die geen discipline tentoon spreiden.[10]

Militaire loopbaan in vredestijd[bewerken]

Na de oorlog keerde McClellan terug naar zijn genie-compagnie in West Point waar hij zich voornamelijk bezig hield met het trainen van kadetten. In juni 1851 werd hij naar Fort Delewaere gestuurd die toen in aanbouw was. In maart 1852 diende hij zich aan te melden bij kapitein Randolph B. Marcy in Fort Smith, Arkansas. Hij werd de tweede bevelhebber voor een expeditie om de bronnen van de Red River in kaart te brengen. Tegen juni had de expeditie de bron van de noordelijke zijarm gevonden. Marcy vernoemde een kleine zijrivier McClellan’s Creek. Toen ze op 28 juli terug in de bewoonde wereld arriveerden, kwamen ze tot de vaststelling dat ze als dood opgegeven waren.[11]

In de herfst van 1852 publiceerde McClellan een handboek over bajonettactieken die hij uit het frans had vertaald. Hij kreeg datzelfde jaar een opdracht om in Texas de rivieren en havens in kaart te brengen. In 1853 nam hij deel aan de Pacifix Railroad surveys in opdracht van de Amerikaanse minister van Oorlog Jefferson Davis om een goede route uit te tekenen voor de op stapel staande transcontinentale spoorweg. McClellan concentreerde zich op het stuk tussen St. Paul, Minnesota en Puget Sound. Tijdens deze opdracht vertoonde hij “insubordinatie” tegenover leidende politieke figuren. Zo was Isaac Stevens, gouverneur van het Washingtonterritorium ontevreden over de werkzaamheden van McClellan. De gouverneur eiste de logboeken ter inzage op, maar McClellan weigerde, waarschijnlijk door de persoonlijke commentaren van McClellan.[12]

Toen hij terug was in het oosten,begon McClellan zijn toekomstige vrouw Mary Ellen Marcy (1836-1915), de dochter van zijn voormalige bevelhebber, het hof te maken. Ellen, of Nelly, weigerde het eerste huwelijksaanzoek. Ze had er negen ontvangen waaronder één van A. P. Hill. Ellen accepteerde het huwelijksaanzoek van Hill in 1856, maar haar familie verzette zich hiertegen waarop Hill zich terugtrok.[13]

In juni 1854 werd McClellan op een geheime verkenningsmissie gestuurd naar Santo Domingo in opdracht van Jefferson Davis. McClellan maakte een rapport op van de lokale defensieve structuren. (Deze informatie zou pas worden gebruikt in 1870 door president Ulysses S. Grant toen hij plannen had om Dominicaanse Republiek te annexeren). Davis begon McClellan meer en meer als een protogé te behandelen. Hij werd door Davis erop uit gestuurd om de algemene toestand van de verschillende spoorwegen te evalueren opnieuw met het oog op de transcontinentale uitbreiding.[14] In maart 1855 werd McClellan gepromoveerd tot kapitein en toegewezen aan de 1st U.S. Cavalry regiment.[7]

Dankzij zijn politieke connecties en zijn kennis van het frans werd McClellan in 1855 naar de Krimoorlog gestuurd als observator bij de Europese legers. Hij was onder andere getuige van de belegering van Sebastopol. Terug in Amerika werkte hij aan een lijvig rapport over het beleg en de staat van de Europese legers. Hij schreef ondertussen ook een handleiding over het gebruik van cavalerie geïnspireerd door de inzet van de Russische cavalerie op de Krim. Hij vermelde weliswaar niets over de inzet van de “rifled muskets” die in de burgeroorlog een grote rol zouden vervullen.[15] Het leger gebruikte zijn handleiding over de cavalerie als een standaardwerk. Ook zijn ontwerp van een nieuw type zadel, het zogenaamde “McClellan zadel” werd ingezet. Het werd standaarduitrusting en wordt tot op heden nog gebruikt voor ceremoniële functies.


Het burgerleven[bewerken]

George B. McClellan en Mary Ellen Marcy (Nelly) McClellan

Op 16 januari 1857 nam McClellan ontslag uit het leger en vond werk als hoofdingenieur en vice-voorzitter van de Illinois Centrale spoorweg. In 1860 werd hij eveneens voorzitter van de Ohio en Mississippi spoorweg. Hij breidde de Illinois central uit naar New Orleans en hielp de Ohio en Mississippi over de Paniek van 1857. Ondanks zijn professioneel succes en lucratief salaris (10.000 $ per jaar) was het burgerleven niet aan hem besteed. In zijn vrije tijd bleef hij de klassieke militaire oorlogsvoering bestuderen. Tijdens de Utah Oorlog tegen de Mormonen wou hij opnieuw naar het leger. Hij overdacht ook om dienst te nemen als vrijbuiter voor Benito Juárez in Mexico.[16]

Reeds voor het uitbreken van de Amerikaane Burgeroorlog werd McClellan betrokken in het politieke leven. Hij nam actief deel aan het steunen van de Democratische kandidaat Stephen A. Douglas tijdens de presidentsverkiezingen van 1860. In oktober kon McClellan opnieuw Mary Ellen het hof maken. Op 22 mei 1860 stapten ze in het huwelijk in Calvary Church, New York City]].[17]

de Amerikaanse Burgeroorlog[bewerken]

Ohio en strategische plannen[bewerken]

Bij het begin van het conflict waren McClellans kennis over strategie en tactiek enerzijds en zijn kennis van het spoorwegennet anderzijds een sterke troef. Hij werd door de gouverneurs van Ohio, Pennsylvania en New York aangeschreven om hun militietroepen aan te voeren. De gouverneur van Ohio, William Dennison jr., was de uiteindelijke winnaar. McClellan aanvaarde het bevel over de militie-eenheden van Ohio op 23 april 1861 als generaal-majoor van de vrijwilligers. In tegenstelling tot andere Noordelijke officieren was hij geen voorstander van de Noordelijke inmenging in het slavenvraagstuk. Daarom werd hij informeel aangesproken door enkele collega’s uit de Zuidelijke staten om zich bij hun aan te sluiten. Hij was echter tegen de afscheuring van de Zuidelijke staten en weigerde in te gaan op hun voorstellen.[18]

Op 3 mei 1861 nam McClellan opnieuw dienst als bevelhebber van het Departement of the Ohio. De staten Ohio, Indiana, Illinois en op een later tijdstip westelijk Pennsylvania, westelijk Virginia en Missouri vielen onder zijn verantwoordelijkheid. Op 14 mei werd hij aangesteld als generaal in het reguliere leger. Op 34-jarige leeftijd was hij de hoogste in rang na luitenant-generaal Winfield Scott. McClellans snelle promotie was deels te danken aan de minister van financiën Salmon P. Chase, een voormalig senator en gouverneur van Ohio.[19]

Terwijl McClellan trainingskampen opzette om de duizenden vrijwilligers te trainen, hield hij zich ook bezig met de algemene strategie. Op 27 april schreef hij een brief naar Winfield Scott met een voorstel tot een algemene strategische aanpak. Het bestond uit twee plannen, waarin hij in beiden een prominente rol voor zichzelf zag. Het eerste plan bestond uit een invasie met 80.000 manschappen van Virginia via de vallei van de Kanawha om de vijandelijke hoofdstad Richmond in te nemen. Het tweede plan voorzag een opmars via de Ohio naar Kentucky en Tennessee. Scott verwierp beide plannen om logistieke redenen. Hij feliciteerde McClellan weliswaar, maar zag meer graten in een Noordelijke blokkade van de Zuidelijke havens en een opmars via de Mississippi om zo de Zuidelijke staten in twee te splitsen. Dit zou later het Anaconda Plan worden. In de loop van de zomer en herfst zou de relatie tussen beide generaals verzuren.[20]

Westelijk Virginia[bewerken]

McClellans eerste militaire operaties bestond eruit om de delen van Virginia te bezetten die Noordelijke sympathieën koesterden. Dit zou later West Virginia worden. Uit inlichtingenrapporten van 26 mei bleek dat de strategisch belangrijke bruggen van de Baltimore en Ohio spoorweg vernietigd zouden worden. Toen hij de nodige voorbereidingen trof om de regio binnen te vallen liet hij een proclamatie uitvaardigen die een zware politieke controverse zou veroorzaken. Hij schreef dat: ”niettegenstaande alles wat beweerd wordt door de verraders dat we zullen tussenkomen in jullie huishouden met betrekking tot jullie eigendom en slaven, jullie goed moeten beseffen dat we niet alleen jullie huishouden ongemoeid zullen laten, maar met een ijzeren hand mogelijke opstanden van de slaven in de kiem zullen smoren.” McClellan besefte als snel dat hij zijn boekje te buiten was gegaan. Hij stuurde een brief met verontschuldigingen naar president Lincoln. Het probleem betrof niet zozeer dat de proclamatie inging tegen de algemene politiek van Lincoln, maar wel dat McClellan als militair geen politieke stellingen mocht innemen.[21]

Zijn eenheden rukten snel op doorheen Grafton en boekten een overwinning in de Slag van de Philippi Races. Zijn eerste persoonlijk rol was in de Slag bij Rich Mountain. Ook daar boekte hij een overwinning, maar hier vertoonde hij al zijn te voorzichtige aard die zijn militaire loopbaan zou kenmerken. Zijn onderbevelhebber, William S. Rosecrans, was niet te spreken over het niet inzetten van reserves om de aanval te ondersteunen.[22] Toch waren deze twee kleine overwinningen genoeg om McClellan te bombarderen tot nationale held.[23] De New York Herald schreef een artikel over hem als "Gen. McClellan, the Napoleon of the Present War."[24]

Het opbouwen van een leger[bewerken]

Patriotische publicatie ter ere van de aankomst van generaal-majoor George B. McClellan in Washington op 26 juli 1861.

Na de Noordelijke nederlaag bij Bull Run op 21 juli 1861 liet Lincoln McClellan terughalen uit westelijk Virginia. McClellan reisde met een speciaal ingelegde trein via Wheeling, Pittsburgh, Philadelphia (Pennsylvania)Piladelphia, Baltimore naar Washington, D.C. waar hij telkens opgewacht werd door enthousiaste menigtes.[25][26]

Toen McClellan op 26 juli in de hoofdstad aankwam, werd hij benoemd tot bevelhebber van de Military Division of the Potomac, de belangrijkste Noordelijke strijdmacht die de hoofdstad diende te beschermen. Op 20 augustus formeerde hij uit deze eenheden het Army of the Potmac, met zichzelf als eerste bevelhebber.[27]

Generaal George B. McClellan met zijn staf en hoogwaardigheidsbekleders (van links naar rechts): Gen. George W. Morell, Lt. Col. A.V. Colburn, Gen. McClellan, Lt. Col. N.B. Sweitzer, Frans van Orléans (zoon van koning Louis Phillippe van Frankrijk) en volledig rechts de graaf van Parijs, de neef van Frans van Orléans.

Tijdens de zomer en de herfst besteedde McClellan veel tijd aan de organisatie van zijn leger. Door de veelvuldige inspecties en parades verhoogde hij het moreel van zijn troepen. De soldaten hadden geen slecht woord over voor hun nieuwe bevelhebber.[28] Hij liet een verdedigingsgordel rond Washington aanleggen die bestond uit 48 forten en versterkte punten die bemand werden door 480 kanonnen en 7.200 artilleristen.[29] Het leger groeide aan van 50.000 manschappen in juli tot 168.000 in november.[26] De spanningen met zijn hiërarchie bleven bestaan. McClellan was het oneens met de opperbevelhebber, luitenant-generaal Scott over het Anaconda plan. McClellan was een voorstander van een groots opgezette veldtocht zoals tijdens de Napoleontische oorlogen. Hij stelde voor om het leger tot 273.000 soldaten en 600 kanonnen uit te breiden om de Zuidelijken in één enkele veldtocht van de kaart te vegen. Dit zou weinig invloed hebben op de burgerbevolking en de emancipatie van de slaven.

Het probleem met McClellans strategie was dat hij ervan overtuigd was dat de Zuidelijken met numeriek sterke legers zouden aanvallen. Op 8 augustus werd de staat van beleg afgekondigd omdat hij dacht dat er 100.000 Zuidelijke soldaten klaarstonden om de Noordelijke hoofdstad aan te vallen. (Tijdens Bull Run brachten de Zuidelijken slechts 35.000 soldaten in het veld.) Tegen 19 augustus dacht McClellan dat er al 150.000 vijandelijke soldaten klaar stonden. Zijn veldtochten zouden altijd overschaduwd worden door te hoge inschattingen van de vijandelijke sterkte. Dit nam de wind uit de zeilen voor het Army of the Potomac en dit leidde tot grote frustraties bij de politici. McClellan had tijdens 1861 en 1862 vrijwel altijd een numeriek overwicht van 2 tegen 1. De Zuidelijke troepensterkte groeide aan van 35.000 tot 60.000 soldaten, terwijl het Army of the Potomac in september 122.000 soldaten telde, in december 170.000 en tegen het begin van het nieuwe jaar 192.000 manschappen.[30]

De spanningen met Scott bereikten een hoogtepunt. Scott was furieus op McClellan omdat deze laatste geen enkel detail van zijn krijgsplan, zijn sterkte of zijn stellingen vrijgaf. (Dit was deels te wijten aan het feit dat McClellan niemand vertrouwde binnen het War Departement omdat hij dacht dat zijn plannen zouden kunnen uitlekken naar de pers en dus naar de vijand.) Scott was zo ontdaan over de gang van zaken dat hij zijn ontslag aanbood aan Lincoln. De president weigerde. Er begonnen geruchten te circuleren dat McClellan zijn ontslag zou indienen of zelfs een militaire coup zou plegen indien Scott niet van zijn commando werd ontgeven. Op 18 oktober kwam het kabinet van Lincoln samen en beslisten dat ze het ontslag van Scott zouden aanvaarden wegens medische redenen.[31]

Opperbevelhebber[bewerken]

"Quaker guns" (boomstammen die kanonnen moesten nabootsen) in verlaten Zuidelijke stellingen bij Manassas Junction

Op 1 november 1861 vertrok Winfield Scott met pensioen. McClellan werd benoemd tot opperbevelhebber van alle Noordelijke legers. Lincoln drukte zijn bezorgdheid uit over het vele werk die de rol van opperbevelhebber en legerbevelhebber met zich meebracht, maar McClellan antwoorde dat hij het aankon.[31]

Lincoln en vele burgers uit de Noordelijke Staten met hem, werden ongeduldig. McClellan reageerde veel te traag op de aanwezigheid van de Zuidelijke troepen zo dicht bij hun hoofdstad. De Noordelijke nederlaag bij Ball’s Bluff nabij Leesburg, Virginia in oktober vergrootte alleen maar het ongenoegen. In december richtte het Amerikaans Congres een Joint Committee on the Conduct of the War op die tijdens de oorlog een doorn in het oog van veel generaals zou worden. Dit comité kon generaals van incompetentie en zelfs verraad beschuldigen. McClellan werd als eerste opgeroepen om voor het comité te verschijnen. Door een aanval van buiktyfus kon hij echter niet aanwezig zijn. Zijn ondergeschikten gingen in zijn plaats en stelden dat ze geen kennis hadden van enige strategische of tactische plannen om de Zuidelijken aan te vallen. Dit leidde tot de eis om McClellan te ontslaan.[32]

McClellan beschadigde zijn reputatie nog verder door zijn houding tegenover zijn eigen chef, president Lincoln. In de privé-sfeer verwees hij naar Lincoln als “niets meer dan een goed menende baviaan” of een “gorilla” of “zijn hoge positie niet waardig zijn”.[33] Op 13 november liet hij Lincoln een half uur wachten voor iemand de president kwam zeggen dat McClellan ondertussen naar bed was en niemand meer wou zien.[34]

Op 10 januari 1862 belegde Lincoln een vergadering met de hoogste generaals (uitgezonderd McClellan) om een algemeen aanvalsplan uit werken. Hij zei:”Indien generaal McClellan het leger niet wil inzetten, dan zal ik het een tijdje van hem lenen.”[35] Twee dagen later werd McClellan ontboden op het Witte Huis waar het kabinet om zijn oorlogsplannen vroeg. Voor de eerste keer onthulde hij zijn plan om het Army of the Potomac per schip naar Urbanna, Virginia langs de Rappanhannock te transporteren. Zo werden de Zuidelijke eenheden geflankeerd en kon het Noordelijke leger oprukken naar de Zuidelijke hoofdstad Richmond. Verdere details wou hij niet kwijt, zelfs niet aan zijn vrien en pas benoemde minister van oorlog Edwin M. Stanton. Op 27 januari bracht Lincoln een order uit waarin stond dat alle legers offensieve acties moesten ondernemen tegen 22 februari (President's Day : de verjaardag van George Washington). Op 22 februari schreef hij een bijkomend bevel uit waarbij het Army of the Potomac de Zuidelijken bij Manassas en Centreville dienden aan te vallen. McClellan stuurde een 22 pagina’s lange brief waarin hij protesteerde tegen het bevel en de voorkeur uitte voor zijn eigen Urbanna-plan. Hoewel Lincoln zijn plan hoger inschatte, was hij opgelucht dat McClellan eindelijk iets zou uitrichten en gaf met enige tegenzin toe om McClellans plan te steunen. Op 8 maart riep hij een vergadering bijeen in het Witte Huis om McClellans ondergeschikten te bevragen over hun vertrouwen in het Urbannaplan. Tot op zekere hoogte steunden ze allemaal het plan. Na de vergadering vaardige Lincoln een bevel uit waarin hij verschillende van die officieren benoemde tot korpscommandanten. McClellan zou pas korpsen oprichtten na ze getest te hebben op het slagveld zelfs als hij twaalf divisies moest coördineren.[36]

Voor McClellan zijn plannen ten uitvoer kon brengen ondervond hij nog twee grote problemen. De Zuidelijke eenheden onder leiding van generaal Joseph E. Johnston trok zijn troepen terug van de stellingen voor Washington naar stellingen ten zuiden van de Rappahannock. Hierdoor viel het volledige Urbannaplan in het water. McClellan herwerkte zijn plan zodat de troepen nu bij Fort Monroe, Virginia aan land zouden gaan om via het schiereiland van Virginia op te rukken naar Richmond. (Later zou dit plan uitgevoerd worden en de naam Schiereilandveldtocht krijgen.) McClellan kwam zwaar onder vuur te liggen van de media en het congres toen bleek dat niet alleen het Zuidelijke leger zonder een schram zich hadden terug getrokken, maar ook toen bleek dat veel van de Zuidelijke “kanonnen” houten stammen waren die zwart waren geschilderd, de zogenaamde Quaker Guns. Het joint committee bezocht de verlaten Zuidelijke stellingen. Radicale republikeinen vroegen hierna het onmiddellijk ontslag van McClellan. Dit werd echter voorkomen door een manoeuvre in het congres.[37] Het tweede probleem was het verschijnen van het Zuidelijke Ironclad CSS Virginia in de James waardoor troepentransportschepen misschien niet konden worden ingezet.

Op 11 maart 1862 werd McClellan ontgeven van zijn functie als opperbevelhebber. Hij bleef wel bevelhebber van het Army of the Potomac. Lincoln liet de deur op een kier om McClellan opnieuw opperbevelhebber te maken indien zijn veldtocht succesvol mocht blijken. Lincoln stelde voorlopig geen opvolger aan. Lincoln, Stanton en een groep van hogere officieren namen de functie waar in een soort “War Board”.[38]

De Schiereilandveldtocht[bewerken]

Schiereilandveldtocht met een overzicht van de gebeurtenissen tot aan de Slag bij Seven Pines.
De Zevendagenslag tussen 25 juni en 1 juli 1862.

Op 17 maart 1862 vertrok McClellans leger vanuit Alexandria, Virginia met een vloot die 121.500 soldaten, 44 artilleriebatterijen, 1.150 karren, 15.000 paarden en tonnen aan voorraden en uitrustingsstukken.[39] De opmars van Fort Monroe via het schiereiland vorderde traag. McClellans plan om snel Yorktown in te nemen mislukte toen de Noordelijken op een Zuidelijke defensieve linie dwars over het schiereiland stuitten. Hierdoor diende hij de stad de belegeren wat manschappen en vooral tijd kostte.

McClellan bleef geloof hechten in de inlichtingenverslagen die stelden dat het vijandelijke leger twee tot drie maal sterker was dan zijn eigen leger. Tijdens de aanvang van de veldtocht verdedigde de Zuidelijke generaal John B. Magruder zijn stellingen met een veel kleinere strijdmacht. Hij kon wel de indruk wekken dat er veel meer soldaten aanwezig waren en dat er nog extra troepen op komst waren.[40] Ondertussen kon Johnston echte versterkingen sturen, maar toch bleef het Zuidelijke leger numeriek steeds zwakker dan McClellans leger.

Na een maand van voorbereidingen en net voor de Noordelijken de defensieve linie bij Yorktown zouden aanvallen, ontving McClellan het nieuws dat Johnston zich had terug getrokken naar Williamsburg. McClellan diende de achtervolging in te zetten en kon niets meer doen met de zware artillerie die hij voor Yorktown had verzameld. De Slag bij Williamsburg op 5 mei was een Noordelijke overwinning. Toch kon het Zuidelijke leger zich terugtrekken naar de buitenste verdedigingsring rond Richmond.[41]

McClellan hoopte een gecoördineerde aanval uit te voeren op Richmond in samenwerking met de Noordelijke marine. Maar na de nederlaag van de marine bij Drewry's Bluff op ongeveer 11 km ten zuiden van Richmond diende hij dit plan op te bergen. De Zuidelijken hadden de rivier geblokkeerd met obstakels en goed gepositioneerde batterijen op de omliggende heuvels.[42]

De volgende drie weken trok het Noordelijke leger traag maar gestaag op tot ze op 6 km van de vijandelijke hoofdstad genaderd was. McClellan liet een bevoorradingsbasis langs de Pamunkey uitbouwen bij White House Landing. Daar kwamen de Richmond en York spoorweg samen met de Pamunkey die een bevaarbare zijrivier was van de James. Alle voorraden werden aangebracht per boot en verder [43]

Terwijl McClellan een aanval op de vijandelijke stellingen voorbereidde, werden de Noordelijken op 31 mei zelf aangevallen. Het Noordelijke leger was door de Chikahominy in tweeën gedeeld. Johnston hoopte de delen afzonderlijk te verslaan bij Seven Pines. McClellan had een aanval van malaria, maar zijn commandanten slaagden erin om de vijandelijke aanval af te slaan. Vanuit Washington kreeg McClellan kritiek omdat hij geen tegenaanval uitvoerde die misschien de weg naar Richmond kon openbreken. Johnstond raakte tijdens de slag gewond en werd vervangen door Robert E. Lee. McClellan spendeerde de drie volgende weken om zijn troepen en stellingen te versterken. Lee maakte dankbaar gebruik van deze tijd om de versterkingen rond Richmond te verbeteren.[44]

Tegen het einde van juni 1862 begon Lee met een reeks aanvallen die bekend zou worden als de Zevendagenslag. De eerste grote slag bij Mechanicsville werd door Lee en zijn generaals slecht gecoördineerd en leidde tot veel slachtoffers en weinig tactisch voordeel. Deze slag had echter een grote invloed op McClellan. Toen generaal-majoor Stonewall Jackson uit het niets verscheen tijdens de slag terwijl hij ver in de Shenandoahvallei diende te zijn, overtuigde McClellan nog meer dat hij tegenover een grote vijandelijke overmacht stond. In een verslag naar Washington vertelde hij dat er 200.000 Zuidelijken tegenover hem stonden, terwijl het in werkelijkheid maar 85.000 waren.[45]

Noordelijke eenheden liggen onder vuur tijdens de Slag bij Gaines's Mill, een schets van Alfred R. Waud en gepubliceerd in Harper's Weekly op 26 juli 1862.

Terwijl Lee zijn offensief verder zette met bij Gaines's Mill, probeerde McClellan het initiatief niet terug te winnen. Hij wachtte gewoon wat zou volgen. Hij hield twee derde van zijn leger in reserve.[46] Die nacht besliste hij om zijn leger terug te trekken naar een punt langs de James waar hij dekking kon krijgen van de Noordelijke marine. Onbewust redde hij zo zijn leger. Lee dacht dat de Noordelijken in oostelijke richting zouden terugtrekken naar hun bestaande bevoorradingsbasis. Door zuidelijke terugtocht van McClellan verloor Lee 24 kostbare uren.[47] Anderzijds gaf McClellan de belegering van Richmond op en diende alle zware artillerie terug mee te nemen.

Gewonde soldaten na de Slag bij Savage's Station, een van de veldslagen van de Zevendagenslags.

De veldtocht was mislukt, maar het Noordelijke leger was vrijwel intact.[48] Tijdens de Slag bij Glendale en de Slag bij Malven Hill was hij te ver weg om zijn leger aan te voeren. Dankzij zijn goede vriend, brigadegeneraal Fitz John Porter kon het leger zich zonder al te veel kleerscheuren verder terug trekken. Toen McClellans afwezigheid tijdens deze slagen bekend werd, was dit een even groot schandaal als de houten kanonnen bij Manassas.[49])

McClellan werd herenigd met zijn leger bij Harrison’s Landing langs de James. Er werd overlegd of het leger zich diende in te schepen of opnieuw het initiatief veroveren door zelf in de aanval te gaan. McClellan stuurde voortdurend brieven naar Lincoln met de vraag tot het sturen van versterkingen en met de vraag om hersteld te worden in zijn functie van opperbevelhebber. Als antwoord op zijn brieven benoemde Lincoln generaal-majoor Henry W. Halleck tot opperbevelhebber zonder te overleggen met McClellan of hem zelfs maar op te hoogte te brengen van zijn beslissing.[50] Lincoln en Stanton vroegen aan generaal-majoor Ambrose Burnside om het bevel van het Army of the Potomac op zich te nemen, maar Burnside weigerde.[51]

In Washington werd na een reorganisatie van eenheden het Army of Virginia opgericht onder het bevel van generaal-majoor John Pope. McClellan weigerde Popes leger te versterken. Hij vertraagde de evacuatie van zijn leger lang genoeg om te voorkomen dat zijn eenheden ingezet werden tijdens de Veldtocht in noordelijk Virginia. Lee had het defensieve karakter van McClellan goed ingeschat en genoeg eenheden kunnen verplaatsen om Pope bij Bull Run een grote nederlaag toe te brengen.

Marylandveldtocht[bewerken]

McClellan rijdt door Frederick, Maryland op 12 september 1862
Marylandveldtocht, bewegingen tussen 3 en 15 september 1862

Na de nederlaag van Pope bij Bull Run keerde Lincoln schoorvoetend terug naar de man die al eens een gebroken leger hersteld had. Hij was er zich terdege van bewust dat McClellan een meester was in het organiseren van een leger en het trainen van eenheden. Hij was de enige die de restanten van Popes leger snel kon doen samensmelten met zijn eigen Army of the Potomac. Op 2 september 1862 benoemde Lincoln McClellan tot bevelhebber van de fortengordel rond Washington en alle aanwezige eenheden daarin ter verdediging van de hoofdstad. Dit leidde tot veel ontevredenheid binnen zijn kabinet.[52]

Op 4 september 1862 bouwde Lee verder op zijn elan en viel Maryland binnen om de Zuidelijke sympathieën binnen de slavenstaat aan te wakkeren. Op 5 september zette McClellan de achtervolging in met zes van zijn gereorganiseerde korpsen of ongeveer 84.000 soldaten. Hij liet twee korpsen achter om de hoofdstad te verdedigen.[52]

Lee verdeelde zijn leger in verschillende colonnes om een groter gebied te bestrijken tijdens zijn opmars naar het Noordelijke depot bij Harpers Ferry. Dit was een riskante strategie voor een kleiner leger, maar Lee rekende erop dat McClellan niet echt veranderd was in zijn aanpak. Hij zei hierover tegen zijn generaals:”Hij (McClellan) is een goede generaal, maar zeer voorzichtig. Het moreel in zijn leger is laag en zijn leger is slecht voorbereid om offensieve operaties uit te voeren of zal pas klaar zijn over drie tot vier weken. Tegen die tijd hoop ik de Susquehanna bereikt te hebben.”[53] Lees vaststelling was niet volledig juist, maar McClellans leger legde per dag slechts een kleine 10 km af.[54]

McClellan kreeg tijdens zijn “achtervolging” een belangrijk document in handen. Zijn soldaten hadden in een verlaten Zuidelijk kamp een document gevonden die rond een pakketje sigaren gewikkeld was. Het was Special Order 191 waarin de opsplitsing van Lees leger beschreven stond. McClellans vreugde kon niet groter zijn.[55]

De Slag bij South Mountain[bewerken]

Slag bij South Mountain

Ondanks de verkregen informatie reageerde McClellan te traag. Nadat hij rond de middag van de 13de september een telegram had gestuurd naar Washington met zijn intenties om de passen bij South Mountain te blokkeren (één van de wegen waarlangs een deel van Lees leger zou komen), vertrokken zijn eenheden pas de dag erna. Hiermee won Lee kostbare tijd. Ondertussen was Lee op de hoogte gesteld dat McClellan zijn plannen in handen had gekregen. (Deze Noordelijke vertraging was ook nefast voor het garnizoen in Harpers Ferry. De Noordelijke versterkingen vertrokken te laat om te voorkomen dat Stonewall Jackson het stadje in handen kreeg.)[56] Tijdens de Slag bij South Mountain kon McClellan zich een weg door de passen vechten. Maar het gaf Lee genoeg tijd om zijn leger bij Sharpsburg, Maryland te concentreren. Het Noordelijke leger bereikte Antietam Creek, ten oosten van Sharpsburg, tegen de avond van 15 september. De geplande aanval op 16 september werd uitgesteld door de zware ochtendmist. Hierdoor kreeg Lee meer tijd om zijn defensieve stellingen te versterken met een leger die de helft kleiner was dan die van McClellan.[57]

De Slag bij Antietam[bewerken]

Overzicht van de slag bij Antietam.
Lincoln met McClellan en leden van zijn staf na de slag bij Battle of Antietam. Enkele figuren zijn (van links te beginnen) 5. Alexander S. Webb, chef-staf, V Corps; 6. McClellan;. 8. Dr. Jonathan Letterman; 10. Lincoln; 11. Henry J. Hunt; 12. Fitz John Porter; 15. Andrew A. Humphreys; 16. kapitein George Armstrong Custer.

De Slag bij Antietam op 17 september 1862 was de bloedigste dag in Amerikaans militaire geschiedenis. De numeriek zwakkere Zuidelijke soldaten vochten vastberaden. Ondanks zijn numerieke superioriteit kon McClellan zijn eenheden niet voldoende concentreren waardoor Lee zijn eenheden van de ene bedreigde sector naar de andere kon brengen om de drie opeenvolgende Noordelijke aanvallen af te slaan, respectievelijk tegen zijn linkerflank, centrum en uiteindelijk rechterflank. McClellan weigerde bovendien zijn reserves in te zetten om lokale successen uit te buiten. De twee korpsen die McClellan in reserve hield waren groter dan Lees volledige leger. Maar zoals in zijn andere veldtochten en veldslagen geloofde McClellan opnieuw dat hij tegenover een numeriek sterkere vijand stond.[58]

De slag was tactisch onbeslist, hoewel techisch gezien Lee verslagen was omdat hij als eerste het slagveld verliet en zich terugtrok naar Virginia. McClellan stuurde een telegram naar Washington waarin stond:”De overwinning is totaal. De vijand trek zich volledig terug naar Virginia.” Toch was Lees leger niet vernietigd. Hoewel de korpscommandanten hun deel van de verantwoordelijk voor hun rekening namen voor de vertragingen, zou het leger als geheel daar geen gevolgen van mogen dragen. Opnieuw was het hoofdkwartier van McClellan te ver van het front om een totaal beeld op de slag te hebben. Hij maakte eveneens geen gebruik van cavalerie om broodnodige informatie in te winnen. McClellan had de details van zijn aanvalsplan niet gedeeld met zijn korpscommandanten waardoor hun initiatief beperkt bleef tot hun sector. Ook het niet inzetten van zijn reserves werd als negatief beschouwd door Lincoln en zijn kabinet.[59]

Ondanks de tactische gelijke stand werd Antietam beschouwd als een keerpunt in de oorlog. De eerste invasie van Lee was afgeslagen waardoor Lincoln zich politiek sterk genoeg voelde om de Emancipatieproclamatie uit te vaardigen op 22 september. Deze zou ingaan op 1 januari 1863. Deze proclamatie hadden een grote invloed op het niet erkennen van de Zuidelijke Staten als een onafhankelijk natie door Frankrijk en Groot Britannië.[60] Toen McClellan de achtervolging van Lee niet genoeg opvolgde werd hij op 5 november 1862 vervangen door generaal-majoor Amborse Burnside.[61]

De presidentsverkiezingen van 1864[bewerken]

Minister van oorlog Stanton gaf het order aan McClellan dat hij zich in Trenton (New Jersey), New Jersey moest melden en daar wachtten op verdere orders, die nooit kwamen. Terwijl de oorlog voortduurde gingen er stemmen op om McClellan terug in te zetten na de Noordelijke nederlagen bij Fredericksburg en Chancellorsville, de opmars van Lee in noordelijke richting en het begin van de Gettysburg-veldtocht en de dreiging van Jubal A. Early in 1864. Toen Ulysses S. Grant tot opperbevelhebber werd benoemd, werd er gekeken of McClellan een nieuwe aanstelling kon krijgen. Er was echter te veel weerstand binnen de politieke wereld. McClellan werkte maanden aan een verslag over zijn twee veldtochten de oprichting en (re)organisatie van het Army of the Potomac. Met enige tegenzin publiceerde het ministerie van oorlog dit verslag in oktober 1863 omdat hij publiekelijk had aangekondigd dat hij de politieke arena zou betreden voor de democraten.[62]

Spotprent van McClellan gepubliceerd door zijn politieke tegenstanders tijdens de presidentiële campagne van 1864.

In 1864 werd McClellan genomineerd door de democraten om het op te nemen tegen Abraham Lincoln in de presidentsverkiezingen van 1864. Net zoals Winfield Scott stelde hij zich kandidaat terwijl hij nog in actieve dienst was. Hij nam pas ontslag uit het leger op de verkiezingsdag zelf op 8 november 1864. Hij was voor de voortzetting van de oorlog en het herstellen van de Unie (zonder het afschaffen van de slavernij). Zijn campagne liep niet van een leien dakje door interne tegenstand tegenover zijn standpunten en het feit dat George H. Pendelton, een voorstander van de vrede uit Ohio, verkozen werd als de kandidaat voor het vice-presidentschap.[63]

De interne verdeeldheid van de partij, de sterkte van de Republikeinen en de Noordelijke overwinningen in het najaar van 1864 waren nefast voor McClellans kandidatuur. Lincoln won met gemak met 212 kiesmannen tegen 21 voor McClellan.[64] Ondanks zijn populariteit onder de soldaten kon hij dit niet verzilveren. In zijn eigen Army of the Potomac stemden 75 % voor Lincoln en slechts 25 % voor McClellan.[65]

Levensjaren na de oorlog[bewerken]

Na het einde van de oorlog maakte McClellan en zijn familie een rondreis in Europa die tot 1868 duurde.[66] Na zijn terugkeer was er enige animo bij de Democratische partij om McClellan opnieuw aan te duiden als kandidaat voor het presidentschap. Maar toen bleek dat de Republikeinen Grant als kandidaat naar voor schoven, smolt de steun voor McClellan als sneeuw voor de zon. McClellan nam deel aan bouwkundige projecten in New York City en werd het voorzitterschap aangeboden van de net opgerichte Universiteit van Californië.[67]

McClellan gefotografeerd door William S. Warren, circa 1880.

McClellan werd aangesteld aan hoofdingenieur van de New York City Departement of Docks in 1870. In 1872 werd hij ook benoemd tot voorzitter van de Atlantic en Great Western spoorweg. Tussen 1873 en 1875 maakten hij en zijn familie een tweede rondreis in Europa.[68]

In maart 1877 werd McClellan genomineerd door gouverneur Lucius Robinson om de eerste Superintendent of Public Works van de staat New York te worden. De New York State Senate verwierp deze nominatie. Ze vonden hem niet gekwalificeerd genoeg om de job aan te kunnen.[69]

In 1877 werd McClellan door de Democraten genomineerd voor het gouverneurschap van New Jersey. Dit verraste hem volledige omdat hij nooit enige interesse had getoond voor deze aanstelling. Hij aanvaarde de nominatie, werd verkozen en diende als gouverneur tussen 1878 en 1881. Zijn laatste wapenfeit in de politiek was zijn sterkte steun voor Grover Cleveland. Hij wou een aanstelling als minister van oorlog, maar zijn aanvraag werd door politieke tegenstanders uit New Jersey naar de prullenmand verwezen.[70]

Zijn laatste jaren spendeerde McClellan door te reizen en te schrijven, waaronder zijn eigen memoires “McClellan’s Own Story” die in 1887 werd gepubliceerd. Hij overleed onverwacht op 58 jarige leeftijd na een hartaanval in Orange, New Jersey. Hij werd begraven in Riverview Cemetery in Trenton, New Jersey.[71]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Bailey, Ronald H., and the Editors of Time-Life Books. The Bloodiest Day: The Battle of Antietam. Alexandria, VA: Time-Life Books, 1984. ISBN 0-8094-4740-1.
  • Bailey, Ronald H., and the Editors of Time-Life Books. Forward to Richmond: McClellan's Peninsular Campaign. Alexandria, VA: Time-Life Books, 1983. ISBN 0-8094-4720-7.
  • Beagle, Jonathan M. "George Brinton McClellan." In Encyclopedia of the American Civil War: A Political, Social, and Military History, edited by David S. Heidler and Jeanne T. Heidler. New York: W. W. Norton & Company, 2000. ISBN 0-393-04758-X.
  • Beatie, Russel H. Army of the Potomac: McClellan Takes Command, September 1861 – February 1862. New York: Da Capo Press, 2004. ISBN 0-306-81252-5.
  • Eicher, John H., and David J. Eicher. Civil War High Commands. Stanford, CA: Stanford University Press, 2001. ISBN 0-8047-3641-3.
  • Goodwin, Doris Kearns. Team of Rivals, New York: Simon & Schuster, 2005. ISBN 978-0-684-82490-1.
  • Lee, Robert E. Jr. Recollections and Letters of General Robert E. Lee. St. Petersburg, FL: Red and Black Publishers, 2008. ISBN 978-1-934941-13-3. First published 1904 by Doubleday, Page & Co.
  • McPherson, James M. Battle Cry of Freedom: The Civil War Era. Oxford History of the United States. New York: Oxford University Press, 1988. ISBN 0-19-503863-0.
  • McPherson, James M. Crossroads of Freedom: Antietam, The Battle That Changed the Course of the Civil War. New York: Oxford University Press, 2002. ISBN 0-19-513521-0.
  • McPherson, James M. Tried by War: Abraham Lincoln as Commander in Chief. New York: Penguin Press, 2008. ISBN 978-1-59420-191-2.
  • Nevins, Allan. The War for the Union. vol. 1, The Improvised War 1861 – 1862. New York: Charles Scribner's Sons, 1959. ISBN 0-684-10426-1.
  • Rafuse, Ethan S. McClellan's War: The Failure of Moderation in the Struggle for the Union. Bloomington: Indiana University Press, 2005. ISBN 0-253-34532-4.
  • Rowland, Thomas J. "George Brinton McClellan." In Leaders of the American Civil War: A Biographical and Historiographical Dictionary. Edited by Charles F. Ritter and Jon L. Wakelyn. Westport, CT: Greenwood Press, 1998. ISBN 0-313-29560-3.
  • Rowland, Thomas J. George B. McClellan and Civil War History: In the Shadow of Grant and Sherman. Kent, OH: Kent State University Press, 1998. ISBN 0-87338-603-5.
  • Sandburg, Carl. Storm Over the Land: A Profile of the Civil War. New York: Harcourt Brace and Company, 1942. ISBN 978-0-8317-1433-8.
  • Sears, Stephen W. Controversies & Commanders: Dispatches from the Army of the Potomac. Boston: Houghton Mifflin Co., 1999. ISBN 0-395-86760-6.
  • Sears, Stephen W. George B. McClellan: The Young Napoleon. New York: Da Capo Press, 1988. ISBN 0-306-80913-3.
  • Sears, Stephen W. Landscape Turned Red: The Battle of Antietam. Boston: Houghton Mifflin, 1983. ISBN 0-89919-172-X.
  • Sears, Stephen W. To the Gates of Richmond: The Peninsula Campaign. Ticknor and Fields, 1992. ISBN 0-89919-790-6.
  • Dit artikel of een eerdere versie ervan is (gedeeltelijk) vertaald vanaf de Engelstalige Wikipedia, die onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.

Sjabloon:Commons category Sjabloon:Wikisource author

Aanbevolen lectuur

  • Beatie, Russel H. Army of the Potomac: McClellan Takes Command, September 1861 – February 1862. New York: Da Capo Press, 2004. ISBN 0-306-81252-5.
  • Beatie, Russel H. Army of the Potomac: McClellan's First Campaign, March – May 1862. New York: Savas Beatie, 2007. ISBN 978-1-932714-25-8.
  • Burton, Brian K. Extraordinary Circumstances: The Seven Days Battles. Bloomington: Indiana University Press, 2001. ISBN 0-253-33963-4.
  • Cutrer, Thomas W. The Mexican War Diary and Correspondence of George B. McClellan. Baton Rouge: Louisiana State University Press, 2009. ISBN 978-0-8071-3451-1.
  • Davis, Jefferson, and McClellan, George B. [books.google.com/books?id=FjVFAAAAYAAJ Report of the Secretary of War Communicating the Report of Captain George B McClellan, One of the Officers Sent to the Seat of War in Europe in 1855 and 1856]. Washington: A.O.P. Nicholson, 1857.
  • Eckenrode, H. J., and Col. Bryan Conrad. George B. McClellan: The Man Who Saved the Union. Chapel Hill: University of North Carolina Press, 1941. ISBN 978-0-548-14788-7.
  • Hearn, Chester G. Lincoln and McClellan at War. Baton Rouge: Louisiana State University Press, 2012. ISBN 978-0-8071-4552-4.
  • Hillard, George S. Life and Campaigns of George B. McClellan, Major-General U.S. Army. Philadelphia: J.B. Lippincott & Co., 1864.
  • Melville, Herman. Battle-Pieces and Aspects of the War: The Victor of Antietam. New York: Harper & Brothers, 1866.
  • Ridgway, James M., Jr. Little Mac: Demise of an American Hero. Xlibris, 2000. ISBN 0-7388-0579-3.

Voetnoten

  1. McPherson, Tried by War, p. 122.
  2. http://politicalfamilytree.com/samples%20content/members/pres_losing_cand/McClellan-NJ-1.pdf
  3. Rowland, Leaders, p. 259.
  4. Sears, Young Napoleon, p. 3; Rafuse, pp. 10, 27–28.
  5. Rowland, Leaders, p. 260; Rafuse, pp. 36.
  6. Rowland, Leaders, p. 260.
  7. a b c Eicher, p. 371.
  8. Sears, Young Napoleon, pp. 14–15.
  9. Rafuse, p. 43.
  10. Rafuse, pp. 47–49; Rowland, Leaders, pp. 260–61; Sears, Young Napoleon, pp. 16–17.
  11. Sears, Young Napoleon, pp. 32–34.
  12. Sears, Young Napoleon, pp. 40–41.
  13. Sears, Young Napoleon, p. 61.
  14. Sears, Young Napoleon, pp. 43–44.
  15. Sears, Young Napoleon, pp. 46–49.
  16. Sears, Young Napoleon, p. 56.
  17. Sears, Young Napoleon, p. 63.
  18. Sears, Young Napoleon, pp. 66–69.
  19. Sears, Young Napoleon, p. 72.
  20. Sears, Young Napoleon, pp. 75–76.
  21. Sears, Young Napoleon, pp. 79–80.
  22. Sears, Young Napoleon, pp. 89–91.
  23. Beagle, p. 1274.
  24. Sears, Young Napoleon, p. 93.
  25. Sears, Young Napoleon, p. 95.
  26. a b Sandburg, p. 62.
  27. Beatie, p. 480. Eicher, pp. 372, 856.
  28. Sears, Young Napoleon, p. 111.
  29. Sears, Young Napoleon, p. 116.
  30. Sears, Young Napoleon, pp. 101–104, 110.
  31. a b McPherson, Battle Cry, p. 360.
  32. Sears, Young Napoleon, pp. 136–37.
  33. McPherson, Battle Cry, p. 364.
  34. Sears, Young Napoleon, pp. 132–33.
  35. McPherson, Tried by War, p. 66.
  36. Sears, Young Napoleon, pp. 140–41, 149, 160.
  37. Sears, Young Napoleon, pp. 168–69.
  38. Sears, Young Napoleon, pp. 164–65.
  39. Sears, Young Napoleon, pp. 167–69.
  40. Bailey, Forward to Richmond, p. 99.
  41. Bailey, Forward to Richmond, pp. 107–13.
  42. Bailey, Forward to Richmond, pp. 128–29.
  43. Sears, Gates, pp. 103–104.
  44. Sears, Young Napoleon, pp. 192–95.
  45. Sears, Young Napoleon, p. 205.
  46. Sears, Young Napoleon, pp. 211–12.
  47. Sears, Young Napoleon, p. 216.
  48. Sears, Young Napoleon, p. 217.
  49. Sears, Young Napoleon, p. 221.
  50. Sears, Young Napoleon, p. 227.
  51. Sears, Young Napoleon, p. 235.
  52. a b Bailey, Bloodiest Day, p. 15.
  53. Bailey, Bloodiest Day, p. 21.
  54. Bailey, Bloodiest Day, p. 23.
  55. Sears, Landscape, p. 113.
  56. Sears, Landscape, pp. 120–21.
  57. Bailey, Bloodiest Day, pp. 61–64.
  58. McPherson, Crossroads, pp. 129–30.
  59. Bailey, Bloodiest Day, p. 141.
  60. McPherson, Crossroads, p. 155.
  61. Sears, Young Napoleon, pp. 238–41.
  62. Sears, Young Napoleon, pp. 353–56.
  63. Sears, Young Napoleon, pp. 372–74; John Buescher, "Civil War Peace Offers", Teachinghistory.org.
  64. McPherson, Battle Cry, p. 805.
  65. Sears, Young Napoleon, pp. 385–86.
  66. Sears, Controversies, p. 5.
  67. Sears, Young Napoleon, pp. 388–92.
  68. Sears, Young Napoleon, p. 393.
  69. New York Times, March 16, 1877 (nomination), New York Times, January 5, 1878 (rejected).
  70. Sears, Young Napoleon, pp. 397–99.
  71. Sears, Young Napoleon, pp. 400–401.