Georges Clemenceau

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Georges Clemenceau
Georges Clemenceau 1.jpg
Geboren 28 september 1841
Mouilleron-en-Pareds
Overleden 24 november 1929
Parijs
Politieke partij Parti Radical
Partner Mary Clémenceau
Premier van Frankrijk
Aangetreden 25 oktober 1906
Einde termijn 25 juli 1909
President Armand Fallières
Voorganger Ferdinand Sarrien
Opvolger Aristide Briand
Premier van Frankrijk
Aangetreden 16 november 1917
Einde termijn 20 januari 1920
President Raymond Poincaré
Voorganger Paul Painlevé
Opvolger Alexandre Millerand
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Georges Eugène Benjamin Clemenceau [ʒɔʀʒ bɛ̃ʒaˈmɛ̃ klemɑ̃ˈso]? (Mouilleron-en-Pareds (Vendée), 28 september 1841 - Parijs, 24 november 1929) was een Frans arts en politicus.

Achtergrond en opleiding[bewerken]

Georges Clemenceau werd op 28 september 1841 geboren in een klein dorpje in een van de uithoeken van Vendée. Vendée is een van de meest rooms-katholieke streken van Frankrijk, desondanks waren de Clemenceaus fel antiklerikaal. Georges Clemenceau groeide op in een kasteel dat eigendom van de familie was. Zijn vader was arts, net als de generaties Clemenceaus voor hem. Zijn vader was echter bijzonder rijk en oefende daarom geen artsenpraktijk uit.

Georges Clemenceau studeerde net als zijn vader medicijnen in Nantes en later in Parijs. Als student publiceerde hij radicale pamfletten. In 1865 promoveerde hij.

Georges Clemenceau door Édouard Manet

Reizen[bewerken]

Na zijn promotie maakte Clemenceau lange reizen, meestal door Engeland en de Verenigde Staten van Amerika. In de VS kwam hij in contact met denkers als Herbert Spencer en John Stuart Mill. Hij maakte kennis met de vrijheid van meningsuiting en drukpers, iets wat in het Frankrijk onder keizer Napoleon III (1849-1870), haast niet bestond. In Amerika gaf Clemenceau les aan een meisjesschool in Stanford, Connecticut en trouwde op 23 juni 1869 met één van zijn studenten, Mary Plummer. Vervuld met liberale en radicale ideeën over de staat, keerde hij in 1869 naar Frankrijk terug.

Kamerlid voor de Radicalen[bewerken]

Terug in Frankrijk vestigde hij zich in Montmartre. Weldra brak de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) uit, die het einde van het keizerrijk betekende. Na een revolutie werd de keizer afgezet en de republiek uitgeroepen (juli-september 1870). Clemenceau, lid van de Parti Radical (Radicale Partij), werd tot burgemeester van het 18e arrondissement van Parijs (Montmartre) gekozen.

Op 8 februari 1871 - de oorlog met Duitsland was nog steeds gaande - werd Clemenceau voor de radicalen in de Nationale Vergadering gekozen voor het departement de Seine. Als kamerlid stemde hij tegen de Duitse vredesvoorwaarden.

Tijdens de Commune van Parijs werden generaal Lecomte en Clement Thomas door communards vermoord (15 maart 1871). Clemenceau trachtte dit te voorkomen, maar zijn pogingen daartoe mislukten. Toen het Centraal Comité van de Commune hiervan hoorde, probeerden zij Clemenceau te laten arresteren. Dit mislukte omdat Clemenceau ontsnapte. Op 20 maart diende hij als kamerlid, gesteund door de radicalen, een wetsvoorstel in om een centrale gemeenteraad voor Parijs in te stellen, bestaande uit 80 leden. Het wetsvoorstel verdween in de ijskast, omdat Clemenceau op 26 maart niet werd herkozen in de Nationale Vergadering.

Nadien probeerde Clemenceau, samen met de andere burgemeesters van Parijs, te bemiddelen tussen de regering in Versailles en de Communards van Parijs. Toen dit mislukte, diende Clemenceau zijn ontslag in als burgemeester van Montmartre.

Op 23 juli 1871 werd Clemenceau voor de radicalen in de gemeenteraad van Parijs gekozen voor het Clignancourt-kwartier.

Tijdens de berechting na de onderdrukking van de Commune van de daders (29 november 1871) van de moorden op generaal Lecomte en Thomas werd Clemenceau beschuldigd van nalatigheid. De rechtbank achtte Clemenceau echter onschuldig.

Leider van de Radicalen[bewerken]

In 1875 werd Clemenceau tot president van de Parijse gemeenteraad gekozen. In 1876 verliet hij de gemeenteraad en werd hij voor het 18e arrondissement in de Nationale Vergadering gekozen. Hij werd tot extreem links gerekend en werd in hetzelfde jaar als zijn verkiezing tot voorzitter van de Radicale Partij gekozen. Door zijn kritiek op de koloniale politiek van Jules Ferry, zijn antiklerikalisme en zijn scherpe redevoeringen maakte hij vele vijanden binnen het parlement.

In 1877 verzette hij zich sterk tegen de maatregelen van de zestiende mei, toen president Patrice de Mac-Mahon het republikeinse ministerie van Jules Simon verving door die van de monarchistische van Albert de Broglie, die echter reeds in november 1877 terugtrad. Aan het monarchistische beleid van Mac-Mahon kwam in 1879 met diens aftreden een eind.

In 1880 startte Clemenceau de krant La Justice, het leidende orgaan van de Parijse radicalen. In de jaren 80 van de negentiende eeuw probeerde Clemenceau een brede, links-radicale volkspartij op te richten. Dit mislukte echter, mede vanwege zijn houding tijdens de Commune. Ook zijn nationalisme werkte niet mee. In dezelfde periode kreeg hij naam als kabinettendoder, omdat hij meestal betrokken was bij de val van de Franse kabinetten. Hij hield als parlementariër de revanche-gedachte tegen Duitsland, de toenmalige aartsvijand van Frankrijk, levend.

Zijn felle stijl bezorgde Clemenceau de bijnaam Le Tigre (de tijger), waarvan hij niet hield. ("Een tijger heeft veel kaak en weinig hersens. Daar lijk ik niet op.")

In 1886 steunde hij het rechtse kabinet van Charles de Freycinet, waartoe ook generaal Georges Boulanger behoorde. Toen Boulanger dreigde een coup te plegen, keerde Clemenceau zich tegen hem en werd hij leider van de anti-boulangisten.

Tijdens het Panama schandaal bleek Clemenceau één der hoofdverdachten, Cornelius Herz, goed te kennen. Ondanks dat hij hierdoor beschadigd raakte, bleef hij leider van de radicalen. Op een beschuldiging van corruptie reageerde hij door twee duels aan te gaan, in 1892 en 1894 (twee van de twaalf in zijn leven). In de tweede raakte hij lichtgewond.

Dreyfusaffaire[bewerken]

In 1893 daalde Clemenceaus populariteit tot een dieptepunt, toen hij niet werd herkozen in de Nationale Vergadering. Dit was een klap voor Clemenceau, maar fel als altijd ging hij door met zijn aanhoudende kritiek op de regeringen. Hij schreef veel in het radicale blad L'Aurore, waarvan hij de hoofdredacteur was.

Tijdens de Dreyfus-affaire (1898-1906) aarzelde hij aanvankelijk partij te kiezen, maar later raakte hij overtuigd van Dreyfus' onschuld en koos hij partij voor de Dreyfusards. Op 13 januari 1898 liet hij zelfs de gewaagde open brief J'accuse van Emile Zola op de voorpagina van L'Aurore zetten.

In 1900 gaf Clemenceau La Justice op en richtte het weekblad Le Bloc op, dat bleef bestaan tot maart 1902. In dat jaar werd Clemenceau gekozen voor het departement Var in de Senaat.

Breuk met de socialisten[bewerken]

In 1906 werd hij minister van Binnenlandse Zaken. Als minister liet hij een staking meedogenloos onderdrukken. Hierdoor vervreemdde hij zich van de Socialistische Partij van Jean Jaurès. Op 12 maart 1906 werd Georges Clemenceau premier van een uiterst links kabinet. Als minister-president onderdrukte hij meerdere stakingen en ontzegde hij ambtenaren in overheidsdienst het stakingsrecht. Hij sloot een nieuw militair bijstandspact met Engeland. Zijn antikolonialisme weerhield hem er niet van niet om Marokko als protectoraat op te eisen. Al dan niet toevallig had Duitsland ook haar oog laten vallen op Marokko. Op 20 juli 1909 lokte hij een motie van wantrouwen uit, die door de kamer werd aangenomen. Hij nam hierop onmiddellijk ontslag.

Premier in oorlogstijd[bewerken]

Na zijn aftreden greep hij opnieuw naar de pen, zijn favoriete wapen naast redevoeringen, en schreef scherpe artikelen in L'Homme libre ("De Vrije Mens"). Naast kritiek op de binnenlandse politiek viel hij in artikelen met name Duitsland aan. In 1908 zei hij in een interview dat Duitsland via België Frankrijk zou binnenvallen. In 1914 bleek dit inderdaad het geval.

Tijdens het beginstadium van de Eerste Wereldoorlog viel hij via L'Homme libre de Franse politieke en militaire leiders aan die hij beschuldigde van een totaal verkeerde oorlogstactiek. De Franse regering verbood daarop L'Homme libre en Clemenceau richtte een nieuw blad op: L'Homme enchaîné ("De Geketende Mens").

Anno 1917 daalde het Franse militaire moreel tot een dieptepunt. Veel militairen waren de oorlog moe en er braken ongeregeldheden uit in de loopgraven. President Raymond Poincaré benoemde hem daarop op 16 november 1917 tot premier van het oorlogskabinet. Hij nam naast het premierschap ook het ministerschap van Oorlog op zich. Hij regeerde autoritair en duldde geen tegenspraak. Hij bleef vol optimisme over de strijd en overtuigd van de Franse overwinning. Clemenceau benoemde generaal Ferdinand Foch - in feite zijn protegé - tot opperbevelhebber. Het duo leidde Frankrijk in 1918 tot de overwinning. In datzelfde jaar werd Clemenceau verkozen tot lid van de Académie française.

Na de Duitse capitulatie in november 1918 begonnen in 1919 de vredesonderhandelingen te Versailles. Bij Clemenceau, de grijze oude stugge révanchist speelde slechts één gedachte: als leider van de Franse delegatie eiste hij de totale vernietiging van de Duitse militaire macht. Daarnaast eiste hij Elzas-Lotharingen en Saarland op voor Frankrijk. Hij wenste ook een Rijnlandse republiek. Op dit laatste hadden de Britten en Amerikanen scherpe kritiek en uiteindelijk bond Clemenceau wat in, wat hem weer weinig geliefd maakte bij rechts.

Nadat de Vrede van Versailles was gesloten streefde de père de la victoire ("De vader van de overwinning") naar het presidentschap. Clemenceau was inmiddels behoorlijk naar rechts opgeschoven en verwachtte geen steun van de socialisten en een deel van zijn eigen radicale partij, maar van rechts, het centrum, en - belangrijker - van het Franse volk. In januari 1920 stelde hij zich kandidaat. Hij meende brede steun te krijgen in het parlement, maar dit bleek tegen te vallen. Het parlement stemde voor de onbekende Paul Deschanel, die kort daarna tot president werd benoemd. Clemenceau kon deze nederlaag niet verkroppen en trad als premier af (20 januari 1920).

Georges Clemenceau overleed negen jaar later op 24 november 1929.

Huwelijksleven[bewerken]

Mary Clémenceau (Ferdinand Roybet)

Georges Clemenceau trouwde op 23 juni 1869 met de Amerikaanse Mary Plummer, een studente van hem toen hij lesgaf aan een meisjesschool in Stanford, Connecticut. In datzelfde jaar keerden Clemenceau en zijn vrouw terug naar Frankrijk waar het echtpaar drie kinderen kreeg. Het huwelijk was ongelukkig en zijn vrouw woonde meestal op het kasteel in de Vendée, terwijl Clemenceau in Parijs verbleef. In 1875 kwamen zijn vrouw en kinderen bij hem in Parijs wonen. Het huwelijk was toen reeds stukgelopen, al scheidden ze pas geruime tijd later.

Eén van Georges Clemenceaus zoons, Michel Clemenceau, was ook een politicus. Hij was lid van de Franse Nationale Vergadering van 1945 tot 1951 voor de conservatief-liberale Parti Républicain de la Liberté (Republikeinse Partij voor de Vrijheid).

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Wikiquote Wikiquote heeft een of meer citaten gerelateerd aan Georges Clemenceau.

Geraadpleegde literatuur[bewerken]

  • 1914-1918: De Eerste Wereldoorlog, band 4 en 5, red. o.l.v. Dr. R.L. Schuursma (1976)
  • Grote Winkler Prins Encyclopedie, 7de druk (1976)
Voorganger:
Jean Marie Ferdinand Sarrien
Premier van Frankrijk
Kabinet-Clemenceau I
1906-1909
Opvolger:
Aristide Briand
Voorganger:
Paul Painlevé
Premier van Frankrijk
Kabinet-Clemenceau II
1917-1920
Opvolger:
Étienne Alexandre Millerand
Voorganger:
Paul Painlevé
Minister van Oorlog
1917-1920
Opvolger:
André Lefèvre