Gerard Reynst

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gerard Reynst
Gerard Reynst omstreeks 1650 (anoniem)
Gerard Reynst omstreeks 1650 (anoniem)
Algemene informatie
Geboren omstreeks 1568, Amsterdam
Overleden 7 december 1615,
Carrière
1614-1615 gouverneur-generaal VOC
Portaal  Portaalicoon   VOC

Gerard Reynst of Gerrit Reynst (Amsterdam, ca 1568 - Jakarta, 7 december 1615) was een Nederlandse koopman, reder en bewindhebber, die in 1614 gouverneur-generaal van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) werd. Hij stamde uit het patriciërgeslacht Reijnst.

Familie[bewerken]

Over zijn vroegere jaren is niet veel bekend, behalve dat hij in de Nieuwebrugsteeg is opgegroeid[1] en vier broers had, Reijnst, Harman, Syvert en Jan en twee zussen.[2] Zijn vader Pieter was askoper en zeepzieder. In 1588 trouwde Gerard Reynst in Haarlem met Margrieta Nicquet, de zuster van Jacques Nicquet. Behalve de jongste zijn hun kinderen gedoopt in de Oude Kerk[3] Hij kocht in dat jaar ook een huis van zijn broer Reynst, gelegen op de zuidhoek van Kloveniersburgwal en de Bethaniënstraat. Reynst zou nog meer bouwpercelen en huizen kopen, onder andere tegenover Vlooienburg, aan de Prinsengracht en in de Jordaan.[4]

Loopbaan[bewerken]

Reis naar Oost-Indië[bewerken]

Gerard Reynst was een aanzienlijk koopman en reder. In 1599 werd hij medeoprichter en bewindhebber van de Brabantsche Compagnie, een voorcompagnie die in 1600 overging in de Vereenighde Compagnie van Amsterdam - waar hij bewindhebber van werd - en in 1602 in de VOC, waar Reynst bewindhebber werd. Reynst legde 12.000 gulden in, maar tekende voor nog drie anderen.[5] In september 1607 eisten Jacques Nicquet en Gerard Reynst dat de VOC over zou gaan tot uitkering van dividend. Op verzoek van de Heren XVII, werd Reynst bij resolutie van 13 november 1613 bevestigd en aanvaardde hij per die datum het ambt van gouverneur-generaal en kreeg hij zitting in de Raad van Indië. Hij was reeds op 5 februari 1613 officieel benoemd. Dat was op voordelige voorwaarden en hij werd vóór zijn vertrek met eerbewijzen overladen.

Reynst vertrok begin juni met negen schepen naar Oost-Indië, onder het bevel van Steven van der Hagen. Hij had na de dood van zijn vrouw zeven kinderen achtergelaten onder de hoede van zijn zwager en hun voogd Jacques Nicquet.[6] Reynst zou zich gewapenderhand meester maken van het eiland Pulu Ai, waarna men hoopte de Banda-eilanden geheel te kunnen beheersen.[7] Onderweg had hij een van zijn schepen met Pieter van den Broecke aan boord naar de Rode Zee gestuurd om handelsbetrekkingen met de Arabieren op te starten.

De zeereis duurde 1,5 jaar, twee keer langer dan normaal, zodat hij pas op 6 november 1614 het bewind van Pieter Both overnam.

Werk als gouverneur-generaal[bewerken]

Eerste handelingen[bewerken]

Japara, omstreeks 1650

Pieter Both had de taak van directeur-generaal van alle kantoren in Oost-Indië en president van die te Bantam en Jacatra al zwaar genoemd; onder diens bewind was er enige verbetering gekomen in het personeel van de ambtenaren van de Compagnie maar de algemene toestand van handel en bezittingen liet nog veel te wensen over. De in 1609 ingestelde Raad van bestuur over geheel Indië had weinig nut gesticht; dat kwam doordat het aantal voor die functie geschikte personen te klein was en omdat de gouverneur-generaal en zijn raden te veel verspreid waren, omdat er nog geen vaste zetel der hoge regering was gevonden. Daar kwam bij dat veel van de medewerkers hun eigen belang grotere achtten dan die van de V.O.C. Tegelijk met of kort na de aankomst van Reynst kwamen elf schepen uit Nederland aan, maar de ratten waren er overvloediger aanwezig dan geld. Reynst had van de bevelhebbers de opdracht gekregen de regering van Bantam er toe te bewegen de nieuw ingevoerde hoge tolrechten af te schaffen en de vroegere verstandhouding tussen de rijksbestuurder en de Nederlanders te herstellen.

Zijn instructie luidde letterlijk: De coninck van Bantam of die voor hem gouverneren maken het te grof met tollen en impositien; voornamelijk moeten op de Molukse en andere inlands varende schepen geen tollen te Bantam worden gedoogd; dit zou niet alleen schadelijk, maar ook schandelijk voor ons zijn en kwade gevolgen opwekken bij andere Indische Vorsten; echter moeten wij met die van Bantam, voor ons uiterlijk althans, de beste vrienden blijven. Ranga Mangala stond toe dat de gehate en gevreesde westerlingen, zowel Nederlanders als Engelsen, zich te Bantam vestigden maar dat was alleen uit eigenbelang en winstbejag. In de loop van 1614 vertrok Reynst met een deel van zijn vloot naar Banda. Hij droeg aan Coen, als president der kantoren te Bantam en Jacatra, op zijn doelstellingen, als eerder geformuleerd, te bereiken. Reynst zelf had de last van de bewindhebbers gekregen zich meester te maken van de eilanden Ai en Roen. Op zijn reis daarheen bezocht hij de kantoren van de Compagnie te Jacatra en Japara. Hij vond daar dat de regent van Jacatra evenals die van Bantam slechts op eigen voordeel uit was en steeds hogere en nieuwe tolrechten hief. Ook de vorst van Bantam had zich niet aan zijn belofte, medewerking tot het bouwen van een stenen loge, gehouden. Reynst vertrok van Japara over Amboina naar Banda, waar hij in maart 1615, vergezeld van elf schepen, aankwam.

Expeditie naar Poeloe Ai[bewerken]

Plattegrond van Batavia uit 1627

Kort vóór zijn komst was aldaar op de rede van Neira het Engelse schip The Concord gearriveerd met het doel om handel op Lontoor te drijven. Toen het schip van Reynst het anker liet vallen vertoonde zich een nieuw Engels schip, een pinas, The Thomasine, met de agent van de Engelse Oost-Indische Compagnie te Makassar, George Cockayne en George Ball aan boord, die van de president en de raad van de Engelse loge in Bantam last hadden gekregen om eerst Makassar en vervolgens al die plaatsen in de Molukken te bezetten, waar zij specerijen konden verkrijgen. Het lag ook in de bedoeling zo snel mogelijk factorijen te stichten en het maakte daarbij niet uit of de bevolking van die plaatsen al in contact stond met de Nederlanders. De mededinging van de Engelsen begon aldus gevaarlijk te worden voor de Nederlandse Compagnie. Dat was ook omdat de Engelsen, waar zij konden, de haat en de afkeer tegen de Nederlanders opwekten of aanwakkerden. Dat laatste kostte weinig moeite omdat de voorwaarden, waaronder de Nederlandse Compagnie de contracten gesloten of opgedrongen had, om alle specerijen voor langere of kortere tijd tegen vastgestelde prijzen door de inlandse bevolking uitsluitend aan haar te doen leveren, drukkend en oneerlijk was. Door de toegenomen mededinging was de prijs der specerijen namelijk aanmerkelijk gestegen. De Nederlandse Compagnie wilde echter geen penning meer betalen dan bij contract bedongen was. De Nederlanders beriepen zich hierbij op de geschreven contracten en stonden formeel in hun recht. Zij handhaafde derhalve het monopoliestelsel met ijzeren hand. Hierdoor haatten de Bandanezen de Nederlanders en zagen zij de Engelsen als hun redders.

De schepen The Concord en de Thomasine wisten hun doel op Neira niet te bereiken en vertrokken naar het eiland Ai; op deze vlucht werden zij door de Nederlandse schepen achtervolgd, die een landing op Neira aldus succesvol wisten te beletten. Het duurde echter nog tot twee maanden na de komst van Reynst te Neira, voordat hij gereed was om Poeloe Ai aan te vallen. De expeditie daarheen bestond uit 550 soldaten onder bevel van Van der Dussen, ingescheept aan boord van de Nassau, drie jachten, twee fregatten, een chaloup en tien andere schepen. Nadat de schepen tot dicht onder een versterking op Poeloe Ai genaderd waren werd er in de morgen van de 10de mei geland. De Bandanezen, die zich tussen de muur en de zee bevonden, werden achter de muur teruggedreven. Twee bolwerken werden bestormd en veroverd, ten koste van een aantal doden en gewonden. Wat er veroverd was was echter slechts een voorwerk, want achter de muur bevond zich een sterke, die onbestormbaar leek en de diverse bolwerken bestreek. In plaats van echter direct aan te vallen en gebruik te maken van het behaalde voordeel rustte men eerst uit van de vermoeiienissen, waarop de vijand aanvallend begon op te treden. Enige met noten, foelie, rijst en manufacturen volgeladen pakhuizen werden in brand gestoken. De wind dreef de rook in het gezicht van de Nederlanders, die daarop de veroverde bolwerken prijsgaven en terugweken naar het strand. Een hevig geweervuur bezorgde hen vervolgens 27 doden en 170 ernstig gewonden. Op 14 mei belegde Reynst een vergadering aan boord van de Neptunes en werd na overweging besloten om met de behaalde overwinning tevreden te zijn en zo spoedig mogelijk naar Neira terug te keren. Aldus scheepte men zich de derde dag van de expeditie weer in.

Overige verrichtingen[bewerken]

Cornelis Matelief verslaat de Spaans-Portugese vloot voor Malakka in 1606

Kort daarop vertrok de in zijn plannen teleurgestelde Reynst naar Ceram, gelegen onder Amboina, vanwaar hij de Engelsen, die van Poeloe Ai daarheen waren getrokken en zich op Combello, een kleine versterkte plaats, gevestigd hadden en aldaar hun vlag hadden gehezen, beval te verhuizen omdat dit gebied tot het Nederlands grondgebied behoorde. Op zijn reis deed hij nog Ternate aan en keerde vervolgens naar Bantam terug. Van hier zond hij enkele schepen naar de Straat van Malakka, die onder de vlag van admiraal Steven van der Hagen gesteld werden; onder diens leiding werd nu de haven van Malakka, onder het vuur van vijandelijke batterijen aangevallen. De vijandelijke vloot werd vernield en een groot aantal Spaanse galjoenen werd tot zinken gebracht. Een deel van de voor Bantam verzamelde schepen zond Reynst naar de Specerij-eilanden terug met de last aan Laurens Reael, gouverneur der Molukken, om nogmaals een expeditie tegen Poeloe Ali te ondernemen. Hij had namelijk bericht ontvangen dat dit eiland vrijwel geheel in handen van de Engelsen was gevallen. De aanval op Poeloe Ali mislukte, hoogstwaarschijnlijk door toedoen van gebrekkige maatregelen die door Reael waren genomen.

Voordat Reynst de Molukken had verlaten, in mei 1615, had hij de Raad van Indië, met name Steven Doensen en met hem anderen, naar Grissee en Japara gezonden met de last om de vriendschapsbanden met de vorst van Mataram aan te halen en zo mogelijk een nieuwe en betere overeenkomst te sluiten. Tevens om het kantoor van Grissee naar Japara te verhuizen en aldaar een versterking te bouwen. Op 7 juli 1615 kwamen de Nederlandse gezanten te Japara aan maar de Panembahan had toen nog niets gedaan om de Nederlanders van zijn goede bedoelingen te overtuigen. Uiteindelijk mislukte deze missie totaal en alle handel werd uiteindelijk naar Japara verplaatst met de goedkeuring van Reynst. Nadat Reynst naar Banda was vertrokken zette de president van het Hollandse kantoor, Jan Pieterszoon Coen, de strijd met Rana Mangala voort door een stelsel van afwisseling te volgen tussen Bantam en Jacatra, bouwend op de naijver die Rana Mangala tegen de pangerang van Jacatra koesterde. In 1615 waren de relaties tussen Bantam en Jacatra zo gespannen geworden dat er een oorlog op uitbarsten stond.

Intussen waren de dagen van Reynst geteld. Hij was al zwaar ziek, toen hij de tijding te Jacatra ontving dat zijn zoon aan boord van De Witte Beer in Straat Soenda was overleden; dit was een zware slag voor Reynst, die uiteindelijk op 7 december 1615 aan dysenterie overleed.[8] Het zou nog tot 19 juli 1616 duren tot de Raad van Indië in voldoende getale verenigd was om een nieuwe gouverneur-generaal te benoemen. Met een meerderheid van stemmen werd de gouverneur van de Molukken Laurens Reael gekozen.

Bronnen, noten en/of referenties
  • [1892]. W.A. Terwogt. Het land van Jan Pieterszoon Coen. Geschiedenis der Nederlanders in Oost-Indië. Hoorn, Geerts
  • [1914]. H.F.M. Huijbers. Jan Pieterszoon Coen. Utrecht, Bolle
  • 1988. Dutch Authors on Asian History. A selection of Dutch historiography on the Verenigde Oostindische Compagnie. Dordrecht, Flors
  • 1991. Femme S. Gaastra. De geschiedenis van de VOC. Zutphen, Walburg Pers [uitgebreide en bewerkte druk 201211]
  • 1991. Els M. Jacobs. Varen om peper en thee. Korte geschiedenis van de Verenigde Oostindische Compagnie. Zutphen, Walburg Pers
  • 2011. Menno Witteveen. Antonio van Diemen. De opkomst van de VOC in Azië. Amsterdam, Pallas Publications / Amsterdam University Press (dissertatie)
  • 2011. Aad van Amstel. Barbaren, rebellen en mandarijnen. De VOC in de slag met China in de Gouden Eeuw. Amsterdam, Thoeris.
  1. Stapel, F.W. (1941) Gouverneurs-Generaal van Nederlandsch-Indië, blz 11.
  2. Nationaal Archief heeft een Stamboom van de familie Reynst
  3. Doopbewijzen Stadsarchief [1]
  4. Transportakten Stadsarchief Amsterdam[2]
  5. In 1603 stierf zijn vrouw; in 1604 woonde hij op het Singel, niet ver van de Jan Roodenpoortstoren.
  6. Gerrit of Gerard (1599-1658) is verdronken voor zijn huis aan de Keizersgracht 209; Jan Reynst (1601-1646) was net als zijn broer verzamelaar van antieke beelden en Italiaanse schilderijen. Hij stierf ongehuwd in Venetië; Catharina trouwde met Samuel Blommaert, Margrieta trouwde met Adam Bessels. [3] De beide weduwen erfden de 2/10 aandelen in Rensselaerswijck. Weijntje werd de moeder van Isaac Coymans; Constans (1603-1615) is onderweg naar de Oost overleden.
  7. Colenbrander H.T. (1934) Jan Pietersz. Coen, Levensbeschrijving, p. 65.
  8. Jacob le Maire zou opdracht hebben gekregen van zijn vader Isaac le Maire om bij aankomst naar de hand van Weijntje Reynst, zijn dochter, te dingen, maar Reynst was in december 1615 overleden.