Gerardus van der Leeuw

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gerard van der Leeuw
Afbeelding gewenst
Algemene informatie
Naam Gerardus van der Leeuw
Geboren 18 maart 1890
Overleden 18 november 1950
Partij PvdA (vanaf 1946)
Politieke functies
1945-1946 Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen
1946 Lid Tweede Kamer
Parlement & Politiek - biografie
Portaal  Portaalicoon   Politiek
Nederland

Gerardus (Gerard) van der Leeuw (Den Haag, 18 maart 1890 - Utrecht, 18 november 1950) was een Nederlands theoloog, predikant, godsdiensthistoricus en minister. Hij was als hoogleraar godsdienstwetenschap verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen en gold internationaal als de bekendste Nederlandse beoefenaar van dit vakgebied.

Levensloop[bewerken]

Van der Leeuw was de eerste naoorlogse minister van Onderwijs. Hij was in 's-Heerenberg hervormd predikant en werd in 1918 in Groningen hoogleraar geschiedenis van de godsdiensten. Hij publiceerde veel en was een vooraanstaand theoloog. Hij was een groot kenner van kerkmuziek.

Afkomstig uit een CHU-milieu, werd hij bij het begin van de oorlog in 1940 aanvankelijk een voorstander van de ideeën van de Nederlandse Unie. Later nam hij daar afstand van. Maar niet van de gedachte dat de "verstard" geachte partijpolitieke verhoudingen in Nederland moesten worden doorbroken. Samen met mensen als de eerste naoorlogse premier Wim Schermerhorn en Philip Abraham Kohnstamm raakte hij in 1945 eerst betrokken bij de Nederlandse Volksbeweging (NVB) en werd een aanhanger van de doorbraakgedachte en een voorstander van het personalistisch socialisme. In 1946 brak hij dan ook zelf daadwerkelijk door en werd lid van de PvdA. Hij stelde als minister in het kabinet-Schermerhorn-Drees diverse partijgenoten aan in de top van zijn departement. Hij streefde een actieve cultuurpolitiek en vorming van een nationale omroep na, maar kon niet veel van zijn vernieuwingsideeën verwezenlijken.

Wetenschappelijke carrière[bewerken]

Van der Leeuw studeerde theologie, godsdienstwetenschap en Egyptologie in Leiden, Göttingen en Berlijn. Hij promoveerde in 1916 op een studie naar oud-Egyptische piramideteksten. Hij is de uitvinder van de godsdienstfenomenologie, neergelegd in zijn hoofdwerk "Phänomenologie der Religion" (1933). Daarbij ontwikkelde hij een geheel eigen methodiek, los van wijsgerig fenomenologische denkers als Edmund Husserl.

Bij Van der Leeuw gaat het primair om het zich inleven in de religieuze fenomenen om zo te komen tot de essentie ervan, tot de universele betekenis. Hij hanteert daarbij de 'verstehende' methode van de Duitse existentiefilosoof Karl Jaspers en baseert zich tevens op het gedachtegoed over de 'primitieve mentaliteit' van de Franse filosoof en socioloog Lucien Lévy-Bruhl. Dit leidt tot een structuur-psychologische fenomenologie, die Van der Leeuw er onder andere toe brengt religie ook te verbinden met kunst.

Van der Leeuw heeft als een van de eersten de godsdienstwetenschap een interdisciplinair karakter gegeven, maar slaagde er nog niet in het vakgebied los te maken van de theologie. Dat gebeurde wel door zijn opvolger in Groningen Theo van Baaren.

Van der Leeuw heeft zijn werk als wetenschapper slechts één jaar onderbroken om minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen te zijn in het eerste naoorlogse kabinet van Schermerhorn en Drees. In die periode heeft hij voor die tijd zeer vooruitstrevende plannen ontwikkeld op het gebied van onderwijshervorming, kunstpolitiek en omroepreorganisatie.

Overzicht loopbaan[bewerken]

Activiteiten als minister[bewerken]

Nevenfuncties[bewerken]

Opleiding[bewerken]

  • Gymnasium Haganum te 's-Gravenhage, tot 1908
  • theologie en godsdienstgeschiedenis (gepromoveerd in 1916 op Egyptologische dissertatie) Rijksuniversiteit Leiden, van 2 oktober 1908 tot 15 maart 1916
  • voortgezette studie Egyptologie, Universiteiten te Berlijn en Göttingen, van 1913 tot 1914

Wetenswaardigheden[bewerken]

  • Hij was de schoonzoon van een CHU-Tweede Kamerlid
  • Was actief in de Padvindersbeweging
  • Was zeer muzikaal
  • Verrichtte in 1943–1944 enige werkzaamheden voor het departement van Onderwijs, Wetenschap en Kultuurbescherming
  • Ter zijner nagedachtenis is de Stichting Van der Leeuw-lezing in het leven geroepen
  • Zijn vader was boekhouder en adjunct-inspecteur bij het Staatstoezicht op de naleving van de Drankwet
  • Twee van zijn zoons A.J. van der Leeuw (in de jaren 70 medeverantwoordelijk voor het zogeheten Weinreb-rapport) en J.R. van der Leeuw klommen respectievelijk op tot adjunct-directeur en directeur van archief- en documentatie-instellingen op het gebied van geschiedschrijving: het RIOD (Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie) onder Loe de Jong – later omgedoopt tot NIOD – respectievelijk het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG).

Matthäuspassion[bewerken]

Van der Leeuw publiceerde in 1937 een boekje over de Matthäuspassion van J.S. Bach, met een tekstverklaring. Tijdens zijn ministerschap gaf hij een vertaalopdracht aan de dichter Jan Engelman, omdat voor een oratorium in de Duitse taal zo kort na de bezetting de animo minder groot was. In 1948, Van der Leeuw was inmiddels voorzitter van de Nederlandse Bachvereniging, kwam er een heruitgave van zijn boekje met daarin de vertaalde tekst van Engelman. In 1949 werd de Nederlandstalige versie uitgevoerd in Haarlem.

Bibliografie[bewerken]

  • geschriften over Bach, liturgie, Griekse godsdienstgeschiedenis, het historisch christendom
  • "Godsdienstvoorstellingen in de Egyptische pyramiedenteksten" (dissertatie, 1916)
  • "Historisch christendom" (1919)
  • "Inleiding tot de Godsdienstgeschiedenis" (1924)
  • "Mystiek" (1925)
  • "Einführung in die Phänomenologie der Religion" (1925)
  • "Goden en Menschen in Hellas" (1927)
  • "La Structure de la Mentalité primitive" (1928)
  • "Inleidend woord" bij de Nederlandse vertaling van Rudolf Otto's Das Heilige (1928, 1e dr; 2001, 3e dr)
  • "Wegen en grenzen. Een studie over de verhouding tussen religie en kunst" (1932, 1e dr; 1948, 2e dr)
  • "Phänomenologie der Religion" (1933)
  • "Onsterfelijkheid of opstanding" (1933, 1e dr; 1947, 4e dr)
  • "Inleiding tot de theologie" (1935)
  • "De primitieve mens en de religie" (1937)
  • "Bachs Matthaeuspassion" (1937)
  • "Balans van het christendom" (1940)
  • "Der Mensch und die Religion" (1940)
  • "Liturgiek" (1940, 1e druk; 1946, 2e dr)
  • "De godsdiensten der Wereld", 2 dln., (1940-1941) (met J.N. Bakhuizen van den Brink)
  • "Balans van Nederland" (1944)
  • "Bachs Johannes Passion" (1946)
  • "Beknopte geschiedenis van het kerklied" (met medewerking van K.Ph. Bernet Kempers; 1948 2e druk)
  • "Inleiding tot de Phaenomenologie van de Godsdienst" (1948)
  • "Sacramentstheologie" (1949)

Literatuur[bewerken]

  • W. Vos, 'Dr. G. van der Leeuw. Bibliographie zijner geschriften', in: W.J. Kooiman en J.M. van Veen (red.),Pro regno pro sanctuario. Een bundel studies... van prof.dr. G. van der Leeuw (Nijkerk, 1950)
  • Fokke Sierksma, Prof.dr. G. van der Leeuw. Dienaar van God en hoogleraar te Groningen (Amsterdam, 1951)
  • Levensbericht door C.J. Bleeker in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde 1950/51, 145-146
  • H. de Liagre Böhl, "Leeuw, Gerardus van der (1890-1950)", in: Biografisch Woordenboek van Nederland, deel V, 302 (Zie ook H. de Liagre Böhl, 'Leeuw, Gerardus van der (1890-1950)', in Biografisch Woordenboek van Nederland. (20-02-2007))
  • Durk Hak, Stagnatie in de Nederlandse godsdienstwetenschap 1920- 1980. De bijdrage van Gerardus van der Leeuw, Fokke Sierksma en Theo P. van Baaren aan de godsdienstwetenschap (Amsterdam, 1994).
  • W. Hofstee, Goden en Mensen. De godsdienstwetenschap van Gerardus van der Leeuw 1890-1950 (Kampen, 1997).
  • H. van Dulken, De cultuurpolitieke opvattingen van Prof.Dr. G. van der Leeuw, in: A. Hoogenboom, H. van Dulken & T. Gubbels, Kunst en beleid in Nederland. (Amsterdam, Boekmanstichting 1985).
  • F.J.F.M. Duynstee en J. Bosmans, Het Kabinet Schermerhorn/Drees 1945-1946 (Assen-Amsterdam, 1977)
Voorganger:
G. (Gerrit) Bolkestein
Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen
1945-1946
Opvolger:
J.J. (Jos) Gielen
Voorganger:
Hugo Bordewijk
Rector magnificus van de Rijksuniversiteit Groningen
1934–1935
Opvolger:
Leonard Polak Daniels