Gereformeerde Gemeenten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gereformeerde Gemeenten
Ter Hoogekerk te Middelburg
Ter Hoogekerk te Middelburg
Indeling
Hoofdstroming Protestantisme
Richting Gereformeerd calvinisme
Voortgekomen uit Samenvoeging van Geref. Kerken o/h Kruis en Ledeboerianen in 1907
Afsplitsingen 1953: Ger. Gem. in Ned.
Aard
Locatie 152 gemeentes in Nederland en 28 gemeentes in Noord-Amerika (01-01-2014)
Aantal leden 106.782 leden, 60 predikanten in Nederland en 10.790 leden, 10 predikanten in N-Amerika (01-01-2014)
Karakter bevindelijk gereformeerd
Portaal  Portaalicoon   Christendom
Protestantisme

Titelpagina Statenvertaling

in Nederland

..Stromingen

Lutheranisme
Lutheranisme
Vrijzinnig-Protestantisme
Vrijzinnig-protestantisme
Midden-orthodoxie
Protestantse Kerk in Nederland
Modern-Gereformeerd
Voortgezette Gereformeerde Kerken in Nederland
Orthodox Protestantisme
Calvinisme
Gereformeerd Protestantisme
Orthodox-protestantisme
Orthodox Gereformeerd
Orthodox-gereformeerden
Bevindelijk Gereformeerden
Bevindelijk gereformeerden
Evangelisch
Evangelisch Christendom

Gereformeerde Gemeente te Barendrecht
Gereformeerde Gemeente te Tholen
Kerkzaal Jachin en Boazkerk te Genemuiden.

De Gereformeerde Gemeenten (GG), vormen een orthodox-protestant kerkgenootschap met 106.782 leden op 1 januari 2014.[1] In Nederland is het in omvang het derde protestantse kerkgenootschap (na PKN en Gereformeerde Kerken vrijgemaakt). Het ledental neemt (als één van de weinige kerken in Nederland) als gevolg van een hoog geboortecijfer gestaag toe met 200 tot 400 personen per jaar. De leden worden in de literatuur ingedeeld bij de bevindelijk gereformeerden.

Het kerkgenootschap wordt ook wel Gereformeerde Gemeente(n) in Nederland en Noord-Amerika genoemd, maar dit is geen formele benaming en kan worden verward met het kerkgenootschap Gereformeerde Gemeenten in Nederland, dat zich in 1953 afsplitste van de Gereformeerde Gemeenten. De benaming 'Gereformeerde Gemeente in Nederland en Noord-Amerika' werd vroeger als opschrift gebruikt in het blad Saambinder dat door het kerkgenootschap in zowel Nederland als Noord-Amerika wordt uitgegeven. In Noord-Amerika wordt het kerkgenootschap Netherlands Reformed Congregations (NRC) genoemd.

Geschiedenis[bewerken]

Onststaan van de verschillende stromingen in Nederland
Ontstaansgeschiedenis van kerken in Nederland
1rightarrow blue.svg Zie ook Protestantisme in Nederland

Ontstaan[bewerken]

Het landelijk verband van de Gereformeerde Gemeenten is ontstaan in 1907 door een vereniging van de Kruisgemeenten ('Gereformeerde Gemeenten onder het kruis'), ontstaan uit de Afscheiding van 1834, met de "Ledeboerianen" of Ledeboeriaanse gemeenten. Enkele "kruisgezinde" gemeenten met een sterk bevindelijk karakter waren in 1869 niet meegegaan met de vereniging van de Kruisgemeenten met de Christelijke Afgescheiden Gemeenten tot de Christelijke Gereformeerde Kerk in 1869. De Ledeboerianen dankten hun naam aan ds. L.G.C. Ledeboer.

De vereniging vond plaats op initiatief van de 25-jarige ds. G.H. Kersten, die later ook oprichter werd van de SGP. Kerstens centrale rol was het gevolg van zijn positie als predikant van Meliskerke, de enige Kruisgemeente in het verder Ledeboeriaanse Zeeland. Op 5 juni 1907 reikten kruisgezinden en ledeboerianen elkaar in Middelburg de hand en ontstond het nieuwe kerkverband.

Ds. Kersten bracht niet alleen de vereniging tot stand, maar zorgde met hulp van anderen ook voor verdere structurering van het kerkverband. Zo schreef hij in 1908 een brochure De Tucht in de Kerke Christi waarin hij misvattingen over de kerkelijke tucht behandelde. Verder besteedde hij veel aandacht aan de dogmatische afbakening van het kerkverband. Zijn boek over de Heidelbergse Catechismus heeft een sterk dogmatisch karakter. Kersten gaf ook een toelichting op de Gereformeerde Dogmatiek uit waarvoor hij de werken van dogmatici als Bavinck, Honig en a Marck gebruikte. Reeds in 1906 knoopte hij contacten aan met de Armeense zendingspredikant David Jacob Benjamin omdat hij ervan overtuigd was dat zending behoorde tot de opdracht van het kerkverband. Belangrijk voor ds. Kersten was ook de oprichting van een eigen theologische school. Scherp wees hij de mening af dat predikanten vooral niet moesten studeren maar het van onmiddellijke ingeving moesten verwachten. Het was zijn bedoeling de theologische school tot een hoog niveau uit te bouwen, "gezien het hoge niveau van onze Gereformeerde vaderen" en zocht daarvoor voortdurend bekwame mensen. Zo was hij verheugd met de overkomst van de Christelijke Gereformeerde predikant ds. J.D. Barth, die een betere opleiding genoten had, maar om gezondheidsredenen niet in staat was lang te doceren. Later kwam hij in contact met de gereformeerde predikant dr. C. Steenblok in wie Kersten zijn ideale opvolger zag.

Uit de kruisgezinde en ledeboeriaanse gemeenten die niet meegingen in de vereniging van 1907 ontstonden later de Oud-Gereformeerde Gemeenten (OGG). De Oud Gereformeerden onder leiding van Laurens Boone waren bevreesd voor een hoge mate van organisatie en vonden ook tal van praktische zaken doorslaggevend om niet met de vereniging mee te gaan zoals de psalmberijming en het ambtsgewaad. Ook binnen de GG zouden nog lange tijd culturele tegenstellingen tussen de voormalige Ledeboerianen en kruisgezinden doorwerken. Niet allen konden zich bijvoorbeeld vinden in de stichting van een theologische school. Ook over het stichten van eigen scholen was discussie, desondanks kende het kerkverband al in 1926 veertien eigen lagere scholen.

In 1909 richtten de Gereformeerde Kerken in Nederland een verzoek aan de Gereformeerde Gemeenten om te komen tot kerkelijke vereniging. Door verschillen in theologische opvattingen wees de GG dit verzoek af. Met de Christelijke Gereformeerde Kerk, die toenadering gezocht hadden ontstond in de jaren dertig een hevige pennenstrijd over het genadeverbond, welke strijd uitliep op een verdere verwijdering. In 1928 begon ds. G. H. Kersten zijn negen jaar lang durende polemiek met de christelijke gereformeerde ds. J. Jongeleen en prof. J. J. van der Schuit. Het was ook in 1928 dat de Christelijke Gereformeerde Kerken vanwege gebrek aan tegemoetkoming een punt zetten achter de gesprekken met de Gereformeerde Gemeenten over kerkelijk samenleven. In 1930 verlieten de gebroeders Overduin vanwege een diepgaand geschil, dat zeer ernstig is de Gereformeerde Gemeenten.

In 1931 worden de zogenaamde leerstellingen van '31 opgesteld. Deze gaven een uitwerkingen van de leer van het kerkverband t.a.v. het zalig worden van de mens. In latere jaren gaven deze leerstellingen reden tot discussie binnen het kerkverband. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog is vooral de stad Rotterdam een zwaartepunt van de Gereformeerde Gemeenten. Hier wordt dan ook de theologische school gevestigd (1926), naast de Boezemsingelkerk, in die dagen de grootste kerk van het kerkverband. Rotterdam-Centrum was in 1930 met circa 3.100 leden en doopleden de grootste gemeente van het kerkverband, vooral door aanwas van arbeiders afkomstig van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden. In de jaren '30 en '40 vertoont het kerkverband een snelle groei. Van Alphens' Nieuw Kerkelijk Handboek uit 1930 meldt dat er in 1929 67 gemeenten waren met 26.380 leden en doopleden. Twintig jaar later - in 1949 - was het aantal gemeenten volgens het Kerkelijk Jaarboek toegenomen tot 140 en het aan­tal leden en doopleden tot 61.883. Dat was meer dan een verdubbeling van het aantal gemeenten en het ledenaantal met een gemiddelde groei van 6,7% per jaar. De groei is te verklaren door de aantrekkingskracht van de Gereformeerde Gemeenten op vooral de Nederlands Hervormde Kerk, door onder meer haar duidelijke theologische visie en de bevindelijke prediking, die in de landelijke kerk aan terrein verloor.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Toen de Duitsers op 10 mei 1940 Nederland binnenvielen, werden de mensen langs de Grebbelinie en in oostelijk Zuid-Beveland geëvacueerd, omdat er in hun regio waarschijnlijk gevochten zou worden. Ds. J. Fraanje uit Barneveld kwam in Nunspeet terecht, ds. R. Kok uit Veenendaal in Ammerstol, ds. J. van den Berg uit Krabbendijke verbleef in Zaamslag, ds. B. van Neerbos uit Rilland-Bath in Axel en ds. A. van Stuijvenberg uit Yerseke was in Nieuwdorp.

Op meerdere plaatsen konden tijdens de Pinksterdagen, 12 en 13 mei, geen diensten gehouden worden. In Wageningen ontstond schade aan het kerkgebouw. De kerk van Rhenen bleef nagenoeg ongedeerd; er waren alleen wat dakpannen af. De kerkgebouwen van Rotterdam-Centrum, Rotterdam-Zuid en Middelburg bleven gespaard toen de Duitsers deze plaatsen bombardeerden. In Alblasserdam brandde de kerk echter geheel af door een brandbom. Op dinsdag 7 mei had ds. W.C. Lamain in Alblasserdam gepreekt. Het zou wel eens kunnen gebeuren dat er hier zondag door oorlogsgeweld geen dienst meer is zei de predikant tijdens zijn preek. In Middelburg ontsnapte het bedehuis ternauwernood aan de verwoesting: de Provinciale Bibliotheek er pal naast ging in vlammen op. De gemeente had dat gebouw onlangs aan de provincie verkocht. Ruim 78.000 Rotterdammers raakten dakloos, onder wie bijna tachtig gezinnen uit de Boezemsingelkerk. De gemeente had echter geen enkele dode te betreuren, en dat terwijl er honder­den Rotterdammers waren omgekomen. Ook in de Middelburgse gemeente werd niemand uit het leven weggenomen. Het centrum van de stad lag in puin. In de kerken van Aagtekerke en Meliskerke werden vluchtelingen opgevangen.

Tijdens de bezetting kwam kritiek op de Gereformeerde Gemeenten vanwege de houding van ds. Kersten, die stelde dat men gehoorzaam moest zijn aan de wettelijke overheid. Er waren ook andere geluiden. Ds. Lamain en ds. Verhagen kregen in 1942 een berisping omdat ze voor het Koninklijk Huis gebeden hadden. Ds. Bel zat een dag en een nacht gevangen­ in Middelharnis, omdat hij had gebeden of de geallieerde strijdkrachten de overwinning mochten behalen. De latere predikanten Bregman en Karens sr. zaten samen in de verzetsploeg van Zoetermeer en ds. Kok verborg in de kerk van Veenendaal enkele Engelse vliegeniers van wie het toestel neergeschoten was.

Ondanks ds. Kerstens in het algemeen gezagsgetrouwe, lijdzame houding ten opzichte van de Duitse bezetter, onttrok hij zich niet aan een gezamenlijk protest van de Nederlandse kerken tegen de Jodenvervolging. Nadat de Duitse commissaris-generaal Fritz Schmidt eind juni 1942 de komende deportaties van de Joden had aangekondigd, stuurden de rooms-katholieke en protestantse kerken op 11 juli een gezamenlijk protesttelegram naar de hoogste Duitse machthebbers: niet alleen de Reichskommissar (rijkscommissaris) Arthur Seyss-Inquart, ook Hanns Rauter, Schmidt en de generaal Christiansen. Gesteld werd: De hieronder vermelde Nederlandse Kerken, reeds diep geschokt door de maatregelen tegen de Joden in Nederland, waardoor zij uitgesloten worden van het deelnemen aan het normale volksleven, hebben met ontzetting kennis genomen van de nieuwe maatregelen, waardoor mannen, vrouwen, kinderen en gehele gezinnen zullen worden weggevoerd naar het Duitse Rijksgebied en onderhorigheden. Het leed dat hiermede over tienduizenden gebracht wordt, de wetenschap dat deze maatregelen tegen het diepste zedelijk besef van het Nederlandse volk strijden, bovenal het indruisen van deze maatregelen tegen hetgeen ons van Godswege als eis van gerechtigheid en barmhartigheid gesteld wordt, nopen de Kerken tot U de dringende bede te richten, aan deze maatregelen geen uitvoering te geven. Voor de Christenen onder de Joden wordt ons deze dringende bede tot U bovendien ingegeven door de overweging, dat hun door deze maatregelen het deelnemen aan het kerkelijk leven wordt afgesneden. Tien kerkgenootschappen hadden het protesttelegram ondertekend, het hoogste aantal dat ooit een tot de bezetter gericht stuk ondertekende, een van de ondertekenaars was ds. G.H. Kersten, namens de Gereformeerde Gemeenten.

Veel kerkgebouwen werden door de Duitsers gevorderd. Men kwam bijeen in schuren, woonhuizen en pakhuizen. Om een mogelijke geallieerde invasie te bemoeilijken, zetten de Duitsers begin 1944 gedeelten van de eilanden Tholen, Schouwen-Duiveland en Goeree-Overflakkee en de landerijen bij Goudswaard onder water. Het merendeel van de inwoners moest elders onderdak zoeken. De kerkgebouwen van Goudswaard en Herkingen kwamen in het water te staan. Het zout in de muren van kerken en huizen zorgde vaak nog tientallen jaren voor problemen.

Tijdens de bevrijding werd zwaar gevochten in de Betuwe. Op 17 september moest te Opheusden de kerkdienst voortijdig worden afgebroken. Later raakte het kerkgebouw zwaar beschadigd. Na de terugkeer waren er in het veilinggebouw gezamenlijke diensten met de hervormde gemeenten van Kesteren en Opheusden, van wie de kerkgebouwen ook averij hadden opgelopen. Ds. Dorresteijn en ds. Doornenbal gingen beurtelings in deze diensten voor. Ook de kerk van de Gereformeerde Gemeente in Ochten was na de oorlog maandenlang onbruikbaar. De kleine gemeente kwam voorlopig samen in een achterhuis.

De bevrijding eiste in 1944 ook in Zeeland een zware tol. Heftig werd er gevochten om de smalle landengte van Brabant naar Zuid-Beveland. In Krabbendijke werden daarom op 10 september geen diensten gehouden. In Yerseke moest ds. A. van Stuijvenberg een week later de middagdienst afbreken vanwege de geallieerde luchtaanvallen. Op 24 september en 8 oktober kon de gemeente niet bijeenkomen. De bevrijding kostte acht gemeenteleden in Krabbendijke het leven en ook twee evacués uit Sint-Annaland kwamen in Krabbendijke of omgeving om. In Rilland liepen de kerk en de school schade op. 's-Gravenpolder werd zwaar getroffen door beschietingen en een bombardement. Het kerkgebouw bleef gespaard.

In een poging de Duitsers van Walcheren te verjagen, wierpen de geallieerden op zondag 17 september 1944 vierhonderd bommen af boven Biggekerke. Achtenveertig inwoners (onder wie dertien leden van de Gereformeerde Gemeente van Meliskerke) en zeven Duitsers kwamen om. Om de Duitsers op Walcheren sneller en met minder verlies van mensenlevens in het nauw te drijven, namen de geallieerden het ingrijpende besluit om een groot deel van het eiland onder water te zetten. Daartoe werd op 3 oktober de dijk bij Westkapelle kapot gebombardeerd. Via pamfletten en radioberichten waren de inwoners gemaand te vertrekken. Het bombardement kostte 157 inwoners het leven, onder wie enkele leden van de Gereformeerde Gemeente. Door het bombardement stortte de kerk van de Gereformeerde Gemeente in.

Ook de eilanden ten noorden van de Bevelanden en Walcheren waren nog niet vrij. In Bruinisse werden enorme verwoestingen aangericht, doordat de geallieerden de plaats vanaf Sint-Philipsland beschoten. Een deel van de Bruinissenaren was geëvacueerd en halverwege een bidstond op 2 december beval een Duitse officier de overgebleven inwoners het dorp te verlaten. Vooral een bombardement op 5 januari richtte grote schade aan. Toen de bevolking van Bruinisse na de bevrijding terugkeerde, waren 158 woningen totaal verwoest, 109 zwaar en 184 licht beschadigd. Het Hervormde kerkgebouw, de kerken van de Gereformeerde Gemeente en van de Oud Gereformeerde Gemeente waren zwaar beschadigd of vernietigd. Op 6 november 1944 kwam ds. Heikoop uit Utrecht met twintig anderen om tijdens een bombardement. De kerk van Dordrecht werd zwaar beschadigd tijdens een luchtaanval op een villa van de Duitsers. Twee leden van de gemeente kwamen tijdens dit bombardement om. Na de hongerwinter werd Oost-Nederland tussen eind maart en eind april bevrijd en op 5 mei legden de Duitsers de wapens neer. Nu werden er dankstonden gehouden. De Amerikaanse gemeenten zamelden geld en hulpgoederen in voor de zusterkerken in Nederland. Na de meidagen van 1940 hadden de Amerikaanse gemeenten al willen helpen, maar toen konden ze geen geld naar Nederland overmaken. Uit Engeland kwam na de bevrijding eveneens hulp voor de getroffen Nederlandse gemeenten, onder anderen van de Strict Baptists.

Scheuring in 1953[bewerken]

De oorlogsjaren gaven een tegenstelling te zien tussen de passieve houding van Kersten tegen de Duitse bezetter en de militante houding van de Veenendaalse ds. R. Kok. Kersten werd na de oorlog zijn zetel in de Tweede Kamer ontnomen en in de SGP manifesteerde zich een oppositiegroep tegen hem, die vond dat het hoofdbestuur dubieuze zaken uit de oorlogsjaren al te zeer met de mantel der liefde wilde bedekken. Daartoe behoorde onder meer de Zeister predikant M. Blok.

Er kwamen in deze periode ook allerlei theologische verschillen naar boven. Kersten, wiens gezondheid minder werd, was zeer ingenomen met de overkomst van Steenblok, die jarenlang predikant was in de Gereformeerde Kerken. De kloof tussen deze kerken en de Gereformeerde Gemeenten was toen nog niet zo groot en de Gereformeerde Kerken kenden hier en daar een bevindelijke onderstroom.

Steenblok kreeg al spoedig belangrijke posten toevertrouwd. Hij werd naast Kersten docent aan de Theologische School, was Kersten behulpzaam bij het redigeren van zijn dogmatiek en catechismusverklaring en werd al spoedig ook hoofdredacteur van De Saambinder. Die snelle opmars viel niet overal in goede aarde, temeer omdat Steenblok zich theologisch ging profileren op een manier die lang niet ieders instemming had. Kok had zich vanaf het begin tegen de overkomst van Steenblok verzet en hij was niet de enige. Alleen al door zijn doctorstitel (hij was in 1941 aan de VU gepromoveerd) viel hij op in het gezelschap kleine luyden dat de Gereformeerde Gemeenten waren. De meeste predikanten hadden qua vooropleiding niet meer dan lagere school en in de Gereformeerde Gemeenten lag vanouds meer nadruk op bevinding dan op theologische bezinning. De theologie als wetenschappelijke discipline stond bij sommigen zelfs onder verdenking.

In de jaren dertig had de generale synode een uitspraak gedaan over het genadeverbond. Daarin werd, in de lijn van de Westminster Confessie, het wezen van het verbond beperkt tot de uitverkorenen. Kersten, Kok en Fraanje konden zich daar allen in vinden. Dat was niet zo met Steenbloks opvattingen over de algemene genade, die hij strikt wilde scheiden van het verlossingswerk van Christus, dat naar zijn mening uitsluitend waarde had voor de uitverkorenen. Dit standpunt riep verzet op, want in het verleden had men daar in de Gereformeerde Gemeenten minder beperkt over gedacht. Niettemin werd door de generale synode van 1945 de opvatting van Steenblok overgenomen. Kok, die vanwege zijn houding in de oorlogsjaren tegenover Kersten was komen te staan, raakte daardoor meer en meer in een isolement en inn zijn gemeente in Veenendaal rezen bezwaren tegen zijn prediking. Een inmiddels gevormde groep van bezwaarden werd door het kerkverband gelegaliseerd. Na de dood van Kersten werd Kok in 1950 geschorst wegens de vereenzelviging van Gods beloften met het aanbod van genade.

Steenblok was onmiskenbaar de motor van de actie tegen Kok, die lange tijd had kunnen rekenen op de steun van Fraanje. De verhouding tussen Kok en Kersten was voor de oorlog redelijk. Beiden stonden aan de wieg van de SGP. Kersten werd voorzitter, Kok was enige tijd secretaris. Nog op de synode van 1947 zaten Kersten, Steenblok, Kok en Verhagen samen in het moderamen.

De schorsing van Kok betekende echter niet de definitieve overwinning van de lijn-Steenblok. Op de Generale Synode van 1953 werd er scherpe kritiek geuit op dr. C. Steenblok als docent van de theologische school. De kritiek betrof het geven van eenzijdig onderwijs in de geloofsleer aan de studenten, met name in betrekking tot de leer van het 'aanbod van genade'. Steenblok had zich kritisch uitgelaten over een boekje dat in twee delen Engeland verschenen was in 1645 en 1649, genaamd The Marrow of Modern Divinity van Edward Fisher. Schotse theologen als Thomas Boston en de broers Ralph en Ebenezer Erskine zouden zich volgens Steenblok hebben laten beïnvloeden door dit boekje terwijl het naar zijn mening een dwaling bevatte. Deze oudvaders werden bekend als "Marrow men" en namen in 1742 in hun belijdenis op dat "alhoewel de verzoening en voldoening van Christus uitsluitend is voor de uitverkorenen, Hij toch wel is gestorven ten aanzien van de bereikbaarheid van zalig worden voor alle mensen". Zij maakten onderscheid tussen de gevende liefde Gods in Christus, die algemeen tot alle mensen uitging, en een verkiezende liefde die alleen de uitverkorenen betrof. Zo kwamen deze oudvaders tot een ruim aanbod van genade tot alle hoorders, zonder onderscheid. Dr. Steenblok had moeite met een 'ruim aanbod van genade aan alle hoorders' omdat hij vreesde dat men te gemakkelijk over de ellendekennis zou heenstappen. Zijn prediking kenmerkte zich niet zozeer door een sterke nadruk op de verkiezing, maar meer een benadrukken dat de wet, en daarmee de kennis van de ellende aan de prediking van het Evangelie voorafgaat. Uit protest verlieten enkele predikanten de synode, waaronder de predikanten Aangeenbrug, Van de Ketterij en Mallan. Dr. Steenblok volgde hen. Vervolgens onthief de synode dr. Steenblok van zijn functie als docent "wegens diens eenzijdigheid in het geven van onderwijs". Zo ontstonden de Gereformeerde Gemeenten in Nederland (GGiN, in de wandeling: 'Ger.Gem. in Ned.'), die het standpunt innemen "dat elke hoorder van het Evangelie wel leeft onder de eis Gods van bekering en van geloof aan al wat God aan hem wil openbaren. Zo brengt de uitwendige roeping de hoorders wel een zware verantwoordelijkheid, maar geen recht op de zaligheid, dan alleen de uitverkorenen". Heden ten dage tellen de Gereformeerde Gemeenten in Nederland bijna 24.000 leden en doopleden (01-01-2012). Binnen de Gereformeerde Gemeenten spreekt men ook wel over de uitgetredenen. Binnen de Gereformeerde Gemeenten in Nederland spreekt men wederkerig over de synodalen. Vóór de scheuring in 1953 telden de Gereformeerde Gemeenten 26 predikanten op 147 gemeenten, daarna nog maar 20 op 133 gemeenten. Later is het predikantentekort minder geworden, maar geheel verdwenen is het nooit.

Op een symposium ter gelegenheid van het 100-jarige bestaan van de Gereformeerde Gemeenten op zaterdag 6 oktober 2007 in Dordrecht hield ds. M. Golverdingen, predikant van de Gereformeerde Gemeenten een kerkhistorische lezing waarin hij de ontslagprocedure van dr. Steenblok onzorgvuldig en zelfs onwettig noemde. Wijlen ds. F. Mallan, toen nog de enige levende ooggetuige van deze geschiedenis, was blij met de uitkomst van het historisch onderzoek in opdracht van de commissie kerkelijke eenheid en verscheidenheid van de Gereformeerde Gemeenten naar de gebeurtenissen van 1953 'het eerherstel van dr. Steenblok'. maar zag dat er "tot op heden geen mogelijkheid is om nog weer tot hereniging te komen'. De voorgangers in de GGIN vrezen vooral voor een 'rechtzinnigheid zonder zielsbeleving' en een hogere mate van wereldgelijkvormigheid.

Watersnoodramp[bewerken]

De Gereformeerde Gemeenten waren relatief sterk vertegenwoordigd in het rampgebied. Van de 1836 dodelijke slachtoffers waren er 131 van de Gereformeerde Gemeenten, circa 7 procent van het totaal. Vooral in de plaatsen Nieuwerkerk, Kruiningen en Oosterland kwamen veel leden van het kerkverband om het leven, in Nieuwerkerk zelfs 73.[2] Te Stavenisse was het de Oud Gereformeerde Gemeente die zwaar getroffen werd. Toenmalige predikant te Bruinisse ds. Mallan (tevens consulent van Oosterland en Nieuwerkerk) omschreef het leed als volgt: Ik heb heel wat mensen moeten begraven. Hele gezinnen. Zeven uit één gezin, vijf uit één gezin, veertien uit één familie. Een geschiedenis op zich. Onvoorstelbaar, wat een leed. Opvallend was dat in datzelfde jaar de gemeente zich losgemaakte van de Gereformeerde Gemeenten en is verdergegaan als Gereformeerde Gemeente in Nederland. Beide gebeurtenissen, watersnoodramp en kerkscheuring trokken diepe sporen in het dorp en ook in veel andere (Zeeuwse) gemeenten. De kerkgebouwen van de gemeenten te Bruinisse, Dirksland, Goudswaard, Herkingen, Kortgene, Kruiningen, Middelharnis, Nieuwerkerk, Oosterland, Ouddorp, Oude Tonge, Poortvliet, Rilland, Sint Annaland, Sint Philipsland, Terneuzen, Waarde, Wolphaartsdijk en Zierikzee zijn in meerdere of mindere mate beschadigd tijdens deze ramp.

1953 tot heden[bewerken]

Het uittreden van Steenblok en de zijnen leidde tot een relatieve openheid in de jaren zestig en zeventig. In de jaren zestig werd begonnen met zendingswerk in Irian Jaya, waaruit later de Gereja Jemaat Protestan di Indonesia is ontstaan. De eerste predikant die werd uitgezonden was Gerrit Kuijt. Later is men zendingswerk begonnen in Albanië, Ecuador, Nigeria en Zuid-Afrika. Ook de waardering voor een wetenschappelijke theologiebeoefening groeide, al bleef de oude houding die onderscheid maakte tussen godgeleerd (universitair geschoold in de theologie) en "van God geleerd" (bekeerd) bestaan. Na Steenblok, die gepromoveerd was toen hij nog lid van de Gereformeerde Kerken in Nederland was, was Arie Vergunst de eerste predikant die een universitaire opleiding theologie voltooide, al hield ook hij grote reserves tegen de wetenschappelijke theologie. Vergunst was in de jaren zestig en zeventig diverse malen synodevoorzitter en doceerde aan de theologische school in Rotterdam.

In de jaren 60 en 70 werd het bevindelijk gereformeerde bevolkingsdeel beter zichtbaar in de samenleving, vanwege onder meer het afwijzen van televisie en het afwijzen van het dragen van broeken door vrouwen. Terwijl in de grote kerkgenootschappen tradities als het bedekken van het hoofd door vrouwen in de erediensten verdwenen, hielden ze in de bevindelijk gereformeerde gemeenten stand en vormden juist een kenmerk van deze groep. Opmerkelijk is dat juist de behoudende kerken als de Gereformeerde Gemeenten het best bestand bleken tegen secularisatie en een gestage groei vertoonden. Zo groeide dit kerkverband van 58.000 leden in 1953 naar 106.000 leden in 2012. Ondanks de groei kende het kerkverband een relatief grote uitstroom van leden, hetwelk gecompenseerd werd door het geboorteoverschot. De Gereformeerde Gemeenten speelden als grootste kerkverbond een centrale rol bij het oprichten van verschillende eigen organisaties als scholen en zorginstellingen. In de jaren 90 deed de rusthuizenaffaire in Zeeland veel stof opwaaien. Het bestuur van de stichting Stichting Rusthuizen der Gereformeerde Gemeenten in Zeeland, die twee bejaardentehuizen en enkele honderden ouderenwoningen exploiteerde, kwam in 1994 in opspraak wegens gesjoemel en onzorgvuldigheid met financiën.

De groei van het bevolkingsdeel concentreert zich al decennia in de Bijbelgordel. Men trekt naar plaatsen waar veel eigen voorzieningen zijn. Gevolg hiervan is dat kerkelijke gemeenten in de grote steden en buiten de Bijbelgordel kleiner worden. Uit cijfers blijkt dat vooral de gemeenten op de westrand van de Veluwe hard groeien. In 1960 telde de classis Barneveld 5.615 leden en in 2011 16.543, een verdrievoudiging.[3] De Gereformeerde Gemeenten in Rotterdam namen in ledenaantal af van 7.494 in 1950 tot 1.587 in 2000, de gemeenten rond Rotterdam namen in diezelfde periode toe van 1.533 naar 7.272.[4] Het gevolg van een en ander was dat er enerzijds veel kerken werden gesloten als Haarlem, Akkrum, Rotterdam-West, ’s-Gravenhage-Zuid, Zoutelande, Zuid-Beijerland, Oudewater en Lemmer. Anderzijds werden in Bijbelgordel vele nieuwe, grote kerkgebouwen gebouwd.

In het eerste decennium van de 21e eeuw ontstond enige onrust na onder meer publicaties van Klaas van der Zwaag en Bram Bart over de toe-eigening van het heil. Ook het afwijzen van de Herziene Statenvertaling kwam de kerkleiding op (beperkte) kritiek te staan. In 2007 herdachten de Gereformeerde Gemeenten het honderdjarig bestaan van het kerkverband.

Karakter[bewerken]

De Gereformeerde Gemeenten zijn traditioneel ingesteld. Vele leden van de Gereformeerde Gemeenten stemmen SGP en zijn maatschappelijk actief op allerlei terrein. De Gereformeerde Gemeenten houden vast aan het absolute gezag van de Bijbel op alle terreinen van het leven. Ook heeft men de gereformeerde belijdenis. Deze is vastgelegd in de zogenoemde Drie Formulieren van Enigheid uit de zestiende en zeventiende eeuw: de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels.

De Gereformeerde Gemeenten oriënteren zich sterk op de theologie uit de tijd van de Nadere Reformatie. In leer en prediking worden de volgende zaken benadrukt:

  • het gezag van de Bijbel: de Bijbel is van kaft tot kaft Gods onfeilbare woord;
  • de onbekwaamheid van de mens om tot Gods eer te leven;
  • daaruit voortvloeiend de noodzaak van wedergeboorte en bekering en persoonlijk geloof in Christus;
  • de weg waarin de Heilige Geest deze zaken werkt, en hoe de gelovige dit persoonlijk beleeft (ook wel bevinding genoemd);
  • het leven in Christus: de christen ervaart zichzelf steeds meer als nietig en onwaardig, en ziet vandaaruit steeds meer heerlijkheid in God en Christus.

De generale synode van 1931 heeft een nadere uitwerking gegeven over het verbond der genade en de plaats die de uitverkiezing hierbij inneemt. Hiertoe zijn een viertal officiële leeruitspraken gedaan:

  • het verbond der genade staat onder de beheersing van de uitverkiezing ter zaligheid;
  • het wezen van het verbond geldt alléén de uitverkorenen;
  • aard en wezen van het verbond der verlossing en het verbond der genade zijn één;
  • God heeft het genadeverbond opgericht met Christus als het Hoofd van al de Zijnen.

In de eredienst worden uitsluitend de Statenvertaling van de Bijbel en de psalmen in de 'oude berijming' van 1773 gebruikt. Er zijn nog enkele gemeenten (in de provincie Zeeland) waar de Psalmen van Datheen gezongen worden. Overal worden de psalmen niet-ritmisch gezongen.

In beperkte mate kennen de Gereformeerde Gemeenten vleugelvorming. Het verschil zit in het meer of minder benadrukken van bepaalde leeruitspraken. De oud-rector magnificus van de Technische Universiteit Delft Johan Blauwendraad en de journalist van het Reformatorisch Dagblad Klaas van der Zwaag leverden kritiek op de prediking die volgens hen te veel hindernissen opwerpt zodat de gemeenteleden zich ten onrechte het heil niet durven toe te eigenen. Hun kritiek werd door de kerkleiding afgewezen en beiden zagen zich gedwongen om het kerkgenootschap te verlaten.

Kerkelijke instanties[bewerken]

Wie de opleiding tot predikant wil volgen, moet zich melden bij het curatorium, dat één keer per jaar vergadert. Alleen mannelijke leden kunnen zich daar aanmelden en deze moeten een attest hebben van de kerkenraad van de gemeente waar ze lid zijn. Het curatorium vraagt naar genadestaat en roeping tot het ambt. Als het curatorium positief beslist, wordt de kandidaat toegelaten tot het volgen van de lessen aan de Theologische School, welke reeds vele jaren aan de Boezemsingel te Rotterdam is gevestigd. Deze vierjarige opleiding wordt door de kerk bekostigd en predikanten uit de Gereformeerde Gemeenten geven er les.

De Gereformeerde Gemeenten tellen verschillende deputaatschappen, stichtingen en verenigingen. De Zending Gereformeerde Gemeenten (ZGG) is de zendingsorganisatie van de kerk, hoewel ook enkele gemeenteleden voor andere organisaties werkzaam zijn. Het zendingswerk van de Gereformeerde Gemeenten begon in de jaren '60, hoewel eerder daartoe opgeroepen was. In Irian Jaya werd aanvankelijk gewerkt onder het volk van de Yali, terwijl de arbeid later uitgebreid werd tot verschillende andere volken. Een deel van die arbeid is niet langer pionierszending, maar groeit in de richting van ondersteuning en toerusting van de inmiddels zelfstandig geworden jonge kerk. In Nigeria wordt in twee gebieden gewerkt. In Zuid-Afrika is sprake van ondersteunend werk. Nieuwe werkterreinen zijn Guinee, Ecuador en Albanië.

De Jeugdbond der Gereformeerde Gemeenten (JBGG) is de organisatie voor jeugdwerk. Gehandicaptenzorg is in handen van Siloah en Helpende Handen. Het Deputaatschap Bijzondere Noden (BN) regelt hulpverlening. In 1953 wilde men hulp aan slachtoffers van de waterramp kerkelijk coördineren. Later dienden zich andere doelen aan. Getroffenen door polio; niet verzekerden voor wie de diaconie van een kleine gemeente graag een beroep deed op een groter orgaan binnen het eigen kerkelijk geheel. Ook wilde men hulp bij bepaalde noden in het buitenland graag kerkelijk doen coördineren, bijvoorbeeld in 1956 ten aanzien van Hongarije.

Het officieel orgaan van de Gereformeerde Gemeenten is het kerkelijk weekblad De Saambinder. Hoofdredacteur is ds. G.J. van Aalst, die tevens docent van de Theologische School is.

Kerkbouw[bewerken]

Wanneer in de 19e-eeuw de eerste Ledeboeriaanse- en kruisgemeenten ontstaan komt men bijeen in woonkamers, boerenschuren, pakhuizen en werkplaatsen, vaak met niet meer dan 20 personen. Slechts eenmaal is sprake van een riante plaats van samenkomst, het buitenverblijf van Sint-Jan ten Heere, waar de wortels liggen van de gemeente Middelburg-Centrum, geïnstitueerd in 1836.

In 1844 wordt aan de Raampoortlaan in Rotterdam een stenen kerkje in gebruik genomen. In 1850 wordt te Benthuizen een houten kerk gebouwd. Het gebouw was van hout want het was de bedoeling dat het een tijdelijk onderkomen zou zijn. Men hoopte nog altijd op terugkeer naar de Hervormde Kerk. Van de 19e-eeuwse kerkgebouwen is er niet een meer over. Kort na de eeuwwisseling wordt te Rotterdam de Boezemsingelkerk gebouwd, toentertijd bepaald geen doorsneekerk voor de Gereformeerde Gemeenten. De oorspronkelijke gevel had een klassiek gedetailleerd toegangsportaal met fraaie glas-in-loodramen. Slechts de door oefenaar N.H. Beversluis ontworpen Segeerstraatkerk te Middelburg kwam enigszins in de buurt, andere kerken van de voorgangers van de Gereformeerde Gemeenten misten deze allure. Ze werden ook wel getypeerd onder de naam schuurkerken. Heden ten dage zijn nog enkele voorbeelden te zien, onder andere in Wolphaartsdijk en Borssele. Laatstgenoemd kerkgebouw behoort inmiddels tot het beschermde dorpsgezicht.

In de jaren 30 verschenen statigere kerken zoals de Salemkerk in Lisse en het kerkgebouw te Krabbendijke. Deze kerken worden ook wel andreaskruiskerken genoemd. Na 1945 worden op grotere schaal kerken gebouwd, vanwege de groei van de Gereformeerde Gemeenten. De ontwerpen veranderen van zeer traditioneel naar vrij modern. Vooral bij grote stadsuitbreidingen worden moderne kerken gebouwd, zoals te Apeldoorn (1959), Rotterdam-Zuidwijk (1964) en Zeist (1972). Imposante kerkgebouwen uit deze periode zijn de Noorderkerk (1955) en de Zuiderkerk (1968) in Rijssen. De Noorderkerk was bij oplevering het grootste protestantse kerkgebouw dat na de oorlog als totale nieuwbouw in gebruik werd genomen en zou dat tot 2008 blijven. Veel kerkgebouwen worden in deze periode opgericht met tentdaken, zoals te Soest (1968), Rotterdam-IJsselmonde (1969), Tricht-Geldermalsen (1969), Opheusden (1971), Tholen (1971) en Meliskerke (1976).

In het laatste kwart van de 20e-eeuw worden enerzijds weer traditionelere kerken gebouwd, anderzijds worden enkele architecturaal opvallende kerken gebouwd, zoals de Sionkerk (1979) te Goes, Bodegraven (1996), Alblasserdam (1987) en Ooltgensplaat (1996). Enkele opvallende aangekochte bedehuizen zijn de Magnalia Deïkerk te Groningen, de Westerkerk te Utrecht en de Hoofdstraatkerk langs de A4 te Leiderdorp. De gemeente Westzaan verwierf noodgedwongen een doopsgezinde vermaning uit 1695 en bezit hiermee het oudste kerkgebouw van het kerkverband. In de 21e-eeuw worden nieuwe kerken gebouwd in plaatsen als Barneveld, Gouda, Middelharnis, Tholen, Dirksland, Ede en Scherpenzeel. In diverse gemeenten worden plannen gemaakt voor nieuwe kerken, zoals te Yerseke en Hendrik Ido Ambacht.

Bekende leden[bewerken]

Ledenaantal[bewerken]

Naast de 152 gemeenten in Nederland (106.782 leden) en de 28 gemeenten in Noord-Amerika (10.790 leden) bevinden zich ook Gereformeerde Gemeenten in Zuid-Afrika (Randburg, 129 leden[5]), Nieuw-Zeeland (Carterton, 177 leden[5]) en België (Merksem, 47 leden[5]).

Verder bevinden zich zendingsgemeenten in Irian Jaya (Gereja Jemaat Protestan di Indonesia, 68 gemeenten met ruim 10.000 leden[6][7]), Nigeria (Nigeria Reformed Church, 14 gemeenten met circa 2500 leden[8]) en Bolivia (1 gemeente met 117 leden). Het totaal aantal leden van de Gereformeerde Gemeenten komt hiermee op circa 130.000. De ontwikkeling van het ledenaantal van de Nederlandse gemeenten is hieronder weergegeven:[9]

Grootste gemeenten in Nederland[bewerken]

Nr. Gemeente Leden
1 Rijssen-Zuid 2760
2 Rijssen-Noord 2432
3 Yerseke 2368
4 Kootwijkerbroek 2367
5 Barneveld-Centrum 2304
6 Nunspeet 2301
7 Veenendaal 2213
8 Hendrik-Ido-Ambacht 2161
9 Genemuiden 2104
10 Krabbendijke 2058

Literatuur[bewerken]

  • A. van der Meiden, Welzalig is het volk, Baarn, 1976 (vierde herziene uitgave van De zwarte-kousen kerken. Portret van een onbekende bevolkingsgroep, Utrecht, 1968. Vijfde herz. uitgave 1993).
  • H.A. Hofman, Ledeboerianen en Kruisgezinden, Utrecht, 1977.
  • ‘k Zal gedenken. Portret van 75 jaar Gereformeerde Gemeenten, Woerden, 1981.
  • C.S.L. Janse, Bewaar het pand. De spanning tussen assimilatie en persistentie bij de emancipatie van de bevindelijk gereformeerden, Houten, 1985.
  • G.D. Pas e.a., Het braambos niet verteerd, Gouda, 1985.
  • H. Florijn, De Ledeboerianen. Een onderzoek naar de plaats, invloed en denkbeelden van hun voorgangers tot 1907, Houten, 1991.
  • J.P. Zwemer, In conflict met de cultuur. De bevindelijk gereformeerden en de Nederlandse samenleving in het midden van de twintigste eeuw, Kampen, 1992.
  • J.P. Zwemer, De bevindelijke gereformeerden, Kampen, 2001 (serie: Wegwijs).

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties