Germanistiek
Germanistiek is de benaming voor de wetenschap van de Duitse taal- en letterkunde. Ze is dus een onderdeel van de filologie. Een beoefenaar van de germanistiek noemt men een germanist.
De germanistiek ontstond en beleefde haar eerste bloei in de 19e eeuw in Duitsland, met name door de broers Jacob en Wilhelm Grimm. In het 19e-eeuwse en 20e-eeuwse Duitsland tot de nazi-tijd werd de germanistiek wel eens voor nationalistische doeleinden misbruikt.
Door de hoge specialisatie en minder nationaal gerichte beoefening van de taal- en letterkunde sinds de tweede helft van de 20e eeuw wordt de benaming 'germanistiek' minder gebruikt. De wetenschap is opgesplitst in diverse deelgebieden: taal- en letterkunde werden linguïstiek en literatuurwetenschap, de studie van de oude en die van de moderne letterkunde werden afzonderlijke specialismen.
In Vlaanderen is Germanistiek de studie van de Germaanse talen: Duits, Nederlands, Fries, Engels, Zweeds, Deens, Noors, IJslands, Faeröers en Afrikaans. Een germanist is iemand die aan een universiteit Germaanse filologie heeft gestudeerd. De studie was tot 2004 zodanig ingedeeld dat men naast het Nederlands twee andere Germaanse talen studeerde. Al naar gelang van de specialisatie sprak men ook van 'neerlandicus', 'anglist' en 'allemanist'. Ook de combinatie van één taal met algemene taalwetenschap en/of algemene literatuurwetenschap was mogelijk.
Sedert 2004 bestaat Germaanse filologie niet meer als aparte studierichting. De studie van Germaanse talen maakt nu deel uit van Taal- en letterkunde, waar de student twee talen kiest, maar niet noodzakelijk uit dezelfde taalgroep (klassieke, Romaanse en Germaanse talen). Zo worden bijna alle combinaties mogelijk: Latijn-Engels, Duits-Spaans, Frans-Zweeds, enz.