Germanisering

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Germanisering is een proces waarin de Germaanse taal, cultuur en gewoonten worden overgenomen of opgedrongen. Daarnaast wordt de term gebruikt voor de taalpolitiek in het Duitse Keizerrijk en Oostenrijk-Hongarije die het Duits bevorderde ten koste van andere talen. Het woord wordt ook gebruikt voor de nazipolitiek die inwoners van bezette gebieden deporteerde om ruimte te maken voor Duitse en andere, naar de nazirassenleer Germaanse, immigranten.

In de moderne tijd wordt germanisering gezien als synoniem van verduitsing, maar historisch klopt dat gebruik niet helemaal: vernederlandsing en verengelsing kunnen eveneens gezien worden als het overstappen op een Germaanse taal en passen zo in de ruimere noemer van germanisering. Zo valt onder die noemer de taalkundige verengelsing/anglicering van Ierland en de Schotse Hooglanden onder germanisering, maar de term wordt in die context nooit gebruikt.

Prehistorie[bewerken]

De eerste germanisering vond plaats in de tweede eeuw v.Chr. in de latere Nederlanden en Noordwest-Duitsland. In de eeuwen daarop werd het gebied tot de Rijn geleidelijk Germaans. Ten zuiden en westen daarvan werd de germanisering door de komst van de Romeinen gestopt en vervangen door romanisering. Na het wegvallen van het Romeinse gezag trokken vele Gallo-Romeinen weg en vestigden Germaanse volken, voornamelijk Franken en Bourgondiërs, zich in het noorden van Gallië, dat daardoor hergermaniseerde. Er ontstond een Germaans-Romeins menggebied. De talen van de verschillende stammen ontwikkelden zich uiteindelijk tot een Germaanse eentaligheid in het noorden en een Romaanse eentaligheid in het zuiden, met als gevolg dat er vanaf de achtste eeuw een taalgrens viel waar te nemen. Deze periode eindigde met grote volksverhuizingen.

Middeleeuwen[bewerken]

Vanaf de middeleeuwen hadden Duitstaligen zich in Oost-Europa gevestigd. Deze germanisering breidde zich van Duitsland en Oostenrijk uit over door Slavische en Baltische volken bewoonde gebieden in wat tegenwoordig Polen, Rusland, Estland, Letland, Litouwen, Tsjechië, Slowakije, Slovenië, Roemenië en Hongarije is. Duitse kolonisten gingen op grote schaal tussen de Elbe en de Weichsel (Wisla) wonen en vermengen zich met de autochtone volken, die zich gaandeweg in taal en cultuur aan de nieuwkomers aanpasten. In het noordoosten ging dat tot de steden van de Baltische landen en zuidoostwaarts tot Opper-Silezië en incidenteel langs de Karpaten. De steden stonden lange tijd sterk onder de invloed van de Duitsers en hun burgerlijke cultuur.

19e eeuw[bewerken]

In de 19e eeuw kwam het begrip natiestaat in opkomst en begonnen de Europese landen een actieve taalpolitiek te voeren. Pruisen had na de derde Poolse deling een grote Poolse minderheid binnen zijn grenzen. Vanaf 1873 was in de provincies Posen en West-Pruisen alleen nog onderwijs in het Duits toegestaan en vanaf 1876 werd ook de rechtspraak uitsluitend Duitstalig. Het Duitse Keizerrijk voerde een actieve politiek van germanisering, in genoemde Poolstalige provincies en in het noorden van (Sleeswijk-Holstein), waar een Deense minderheid woonde.

In Oostenrijk-Hongarije was de situatie anders: het was een veelvolkenstaat waar naast voor het Duits en het Hongaars ook plaats was voor andere talen. Toch voltrok er zich een natuurlijker proces van 'germanisering' in Karinthië, waar de Sloveense minderheid langzaam overstapte op het Duits. In Hongarije werd een magyariseringspolitiek gevoerd, vooral tegen de Duitstalige minderheden gericht, maar ook tegen de Poolse, Baltische, Roemeense en Slowaakse. Ook Rusland russificeerde Duitse en Baltische minderheden.

20e eeuw[bewerken]

Na de Eerste Wereldoorlog werd Polen onafhankelijk en kwamen Posen en West-Pruisen (met omvangrijke Duitse minderheden) aan Polen.

Bij het sluiten van het Molotov-Ribbentroppact in 1939 kwamen de Sovjet-Unie en Duitsland overeen dat Duitse minderheden uit Oost-Europa uitgewezen zouden worden naar Midden-Europa. Na de Duitse inval in Polen werden Posen (als Wartheland) en West-Pruisen door nazi-Duitsland ingelijfd. Zo begon een extreme germaniseringspolitiek: temidden van gewelddadige etnische zuivering en genocide werden ongeveer 350.000 Polen en Joden door de nazi's naar het Gouvernement-Generaal gedeporteerd om plaats te maken voor Volksduitsers uit geheel Oost-Europa en zelfs naar ras geselecteerde Scandinaviërs, Nederlanders en Vlamingen. Uiteindelijk moest ook het Gouvernement-Generaal uiteindelijk net zo Duits worden als het Rijnland worden, met de Polen beschikbaar beschikbaar voor slavenarbeid.

Er leefden ook in Joegoslavië Duitse minderheden, namelijk in delen van Slovenië en in de delen van Servië die grensden aan Hongarije en Roemenië (Vojvodina en de Banat). Een deel van Slovenië werd na de Duitse inval in april 1941 door Duitsland geannexeerd. Daar werd een rigoureuze germanisering in gang gezet, die op lijdelijk verzet stuitte van de Sloveense bevolking en door militant verzet van de partizanen.

Het optreden van de nazi's leidde tot een omgekeerde beweging: de verdrijving van de Duitsers uit Oost-Europa. Na de Tweede Wereldoorlog werden de Duitstalige minderheden (Volksduitsers) uit Polen en Tsjechoslowakije ook uit andere gebieden door de herstelde nationale regeringen verdreven. Geweld als moord, verkrachting en standrechtelijke executies joegen de mensen op de vlucht. Honderdduizenden werden geïnterneerd en naar dwangarbeiderskampen getransporteerd. Hun bezit werd collectief onteigend

Zie ook[bewerken]