Geschiedenis van Brussel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De geschiedenis van Brussel loopt vanaf het ontstaan van de stad rond een nederzetting op een eiland in de Zenne, over de explosieve groei over aanliggende gemeenten na het ontstaan van België, de overwelving van de Zenne, en een intensieve verfransing, tot de metropool van meer dan een miljoen inwoners die de stad vandaag is. Brussel was achtereenvolgens de hoofdstad van het hertogdom Brabant, de Zeventien Provinciën, de Zuidelijke Nederlanden, het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, België, de Vlaamse en Franse Gemeenschap en is het administratief centrum van de Europese Unie.

Kaart van de stad Brussel rond 1745

Middeleeuwen, hertogdom Brabant[bewerken]

10e tot 15e eeuw[bewerken]

Karel van Frankrijk, stichter van Brussel, 976. Litho (± 1850), naar de ruim verbreide opvatting van toenmalige Brusselse historici.

Brussel ontstond rond een castrum op een eiland in de Zenne (het Groot Eiland, ter hoogte van het huidige Sint-Goriksplein) in de 10e eeuw. De oudste bekende naam van de stad is Bruocsela, wat zoveel betekent als 'nederzetting in het moeras'. Uit die naam kwam Broekzele voort. Die naam evolueerde tot Brussel, en door de Franstaligen als Bruxelles werd geschreven en uitgesproken. [bron?] De gouw Brabant bestond uit vier graafschappen, waarvan het graafschap Brussel het meest oostelijk gelegen was (vermoedelijk beperkt tot het gebied tussen de rivieren de Zenne en de Dijle). Nog voor het einde van het jaar 1000 kwam het graafschap Brussel in bezit van de graaf van Leuven. Deze beschikte weldra te Brussel over een castrum als stamburcht van het graafschap Brussel. De Zenne was bevaarbaar tot de portus van Brussel, die al in de 11e eeuw een handelspost werd op de weg tussen Brugge en Keulen. In de 12e eeuw kwam er een eerste stadswal.

De graven van Leuven en Brussel werden omstreeks 1085/1086 ook landgraven van Brabant. In 1106 verwierven ze het hertogschap van Neder-Lotharingen en omstreeks 1183/1184 werden ze in het landgraafschap Brabant verheven tot hertog van Brabant. Brussel genoot in de daaropvolgende eeuwen steeds meer aandacht van de landsheren, enigszins ten nadele van de stad Leuven.

In 1229 kreeg Brussel stadsrechten van Hendrik I van Brabant. De stad kreeg zelfbestuur en de lakennijverheid en -handel werden belangrijk. Uit het stadspatriciaat ontstonden talrijke welgestelde families waarvan vele tijdens het Spaanse en Oostenrijkse Tijdvak adelbrieven verwierven. De stad Brussel werd bestuurlijk nog belangrijker onder het Oostenrijkse bestuur en kon haar hoofdstedelijke functie ook onder het Franse en Hollandse regime verstevigen.

In 1236 en 1276 vonden er in Brussel grote stadsbranden plaats. Van 1357 tot 1379 werd een nieuwe omwalling gebouwd omdat de eerste te klein geworden was. Deze omwalling viel samen met wat nu de kleine ring of de vijfhoek genoemd wordt. Deze vijfhoekige stadsomwalling omvatte zeven heuvels: de Koudenberg, de St-Michielsberg, de Warmoesberg, de Kunstberg, de St-Pietersberg, de Zavel en de Kruidtuin.

Hoofdstad der Nederlanden[bewerken]

16e eeuw[bewerken]

In 1506, toen zijn vader Filips de Schone stierf, erfde Karel van Habsburg, de latere keizer Karel V de Nederlanden. In 1516 werd Karel in de Brusselse Sint Goedelekerk daarenboven uitgeroepen tot koning van Spanje. Toen zijn grootvader, Maximiliaan I van Oostenrijk, in 1519 overleed, volgde Karel hem op als aartshertog van de Oostenrijkse erflanden en keizer van het Heilige Roomse Rijk.

Onder de regering van keizer Karel V werd Brussel in 1531 het regeringscentrum. In de Princelijcke Hoofstadt van ’t Nederlandt werd een monumentale hofkapel gebouwd achter de Grote Zaal (Magna Aula) van Filips de Goede in het (voorheen hertogelijk) Paleis op de Koudenberg. Karel V deed hier op 25 oktober 1555 troonsafstand. Later verbleven er ook de aartshertogen Albrecht en Isabella. Het paleiscomplex met bijbehorende tuinen en vijvers was in heel Europa vermaard. (In 1731 werd het paleis verwoest door een reusachtige brand.)

Onder Karels opvolger, Filips II van Spanje, brak de Tachtigjarige Oorlog uit omwille van diens eigenzinnige kerkhervormingen en centralisatiepolitiek. Hij stuurde de hertog van Alva om het in 1566 ontstane oproer, bekend als de Beeldenstorm (die Brussel bespaard bleef), te bestrijden en de orde te herstellen. Daartoe stelde hij op 9 september 1567 te Brussel de Raad van Beroerten in. Vele edelen ontvluchtten de Nederlanden uit angst voor vervolging.

De gevluchte stadhouder Willem van Oranje (Holland, Zeeland en Utrecht) besloot in overleg met zijn broers, Lodewijk en Adolf van Nassau, en Jan van Montigny, om een inval te wagen in de Nederlanden. Jan van Montigny werd in de Slag bij Dalheim verslagen en gevangen genomen door Alva's soldaten. Op 23 mei wisten de broers Lodewijk en Adolf echter in de Slag bij Heiligerlee de Spaansgezinde stadhouder graaf van Arenberg te verslaan. Alva was hierover woedend en liet 18 edelen - waaronder van Montigny - onthoofden op de Grote Markt van Brussel.

Standbeeld Egmont en Horne

Twee geliefde edelen, graaf Lamoraal van Egmont en Filips van Montmorency, graaf van Horne, werden er later eveneens als voorbeeld publiekelijk onthoofd. Willem van Oranje had daar ook bij moeten zijn, maar omdat hij tijdig gevlucht was, ontkwam hij eraan. Na deze daad trok Alva met zijn leger naar het noorden en voorkwam dat Lodewijk de stad Groningen innam. Na een achtervolging werd Lodewijk alsnog verslagen in de Slag bij Jemmingen, waardoor deze tweede aanval ook was mislukt. Tijdens zijn bewind als afgevaardigde van de Spaanse koning vanuit Brussel zette Alva zijn schrikbewind verder. De Raad van Beroerten was met een staf van 170 man (in 1569) naar de maatstaven van die tijd erg efficiënt. Tijdens de vijf jaar van Alva's bewind werden zo'n 8950 personen uit alle lagen van de bevolking ondervraagd en veroordeeld wegens verraad, ketterij of beide; verbeurdverklaring van goederen bij vermogende veroordeelden kwam veel voor. In totaal werden er meer dan 1000 mensen te Brussel op de Grote Markt terechtgesteld.

Deze terreur werkte echter volkomen contraproductief; de opstandelingen buitten het karakter van Alva's bewind uit in hun propaganda-pamfletten, waarvan een enorme impuls uitging voor de opstand in de Nederlanden. In de lente en zomer van 1572 veroverden de opstandelingen met behulp van de geuzen diverse steden in de Nederlanden, waaronder Mechelen, Leuven en Diest (zie bezettingen van 1572), maar Alva's zoon Don Frederik heroverde vanuit Brussel de meeste steden spoedig en gewelddadig in de herfst.

Tot 1576 heerste betrekkelijke rust in Brussel, die verstoord werd toen de in het zuiden gelegerde koninklijke troepen aan het muiten sloegen na al maanden geen soldij te hebben ontvangen; in Antwerpen en Aalst gingen ze vreselijk tekeer tegen de burgers. Geschokt door de gebeurtenissen riepen de Staten van Brabant op eigen initiatief de Staten-Generaal bijeen (verboden; enkel de koning mocht de Staten-Generaal bijeenroepen) te Gent, waar zij op 8 november 1576 de Pacificatie van Gent sloten waarin men het vertrek van de Spaanse soldaten eiste, maar de katholieke godsdienst en de koning bleef erkennen. Deze eisen werden herhaald in de Unie van Brussel, waarbij alle gewesten op Luxemburg na zich bij aansloten. Don Juan van Oostenrijk aanvaardde deze en bepaalde bij het Eeuwig Edict dat alle vreemde troepen het grondgebied van de Uniegewesten zouden verlaten; dit begon eind april 1577, de meesten verplaatsten naar Luxemburg.

Don Juan schond het Edict echter door op 24 juli de citadel van Namen te bezetten. Willem van Oranje deed daarop in september zijn intocht in Brussel, waarmee hij triomf uitstraalde ten opzichte van Spanje; nu de hoofdstad in handen van de rebellen was, zou de opstand zeker slagen. Matthias van Oostenrijk werd aangenomen als nieuwe landvoogd, maar hij bleef in Oranjes schaduw, die feitelijk de leider van de opstand bleef en van de Brusselse stadsraad bovendien de titel ruwaard van Brabant kreeg. Olivier van den Tympel werd de burggraaf van Brussel en leider van de calvinistische republiek in de stad. De spanningen namen toe, tussen Brussel en Namen, dat de tijdelijke 'Spaanse' hoofdstad werd, maar ook tussen de katholieke en calvinistische opstandelingen toen op 28 oktober radicale calvinisten de macht grepen in Vlaanderen en de Gentse Republiek ontstond. Toen de slag bij Gembloers (31 januari 1578) uitdraaide op een vernietigende nederlaag voor de Opstand, ontstond in Henegouwen en Artesië de malcontentenbeweging die zich fel tegen de protestanten keerde. De malcontenten plunderden het Vlaamse en Brabantse platteland, terwijl de Spanjaarden Leuven, Nijvel en Halle heroverden en Brussel steeds meer bedreigden. De Staatsen besloten daarop de Staten-Generaal van Brussel naar het veiligere Antwerpen te verplaatsen, hoewel men de stad niet wilde opgeven. Men begon te onderhandelen over een Nadere Unie binnen de Unie van Brussel, die te vrijblijvend en te zwak was.

Op 23 januari 1579 kwam de Nadere Unie van Utrecht daadwerkelijk tot stand: een samenwerkingsverband tussen een aantal Nederlandse gewesten, waar ook de belangrijkste Vlaamse en Brabantse steden zich aansloten (de toetreding van Brussel gebeurde in ieder geval vóór juli 1579[1]). De calvinistische 'republieken' Gent en Brussel trachtten zich meester te maken van kleine steden in hun omgeving: dit lukte bij Mechelen en Diest, maar mislukte bij Leuven en Halle. Op 26 juli 1581 brak de Nadere Unie definitief met de Spaanse vorst (Plakkaat van Verlatinghe; in plaats van Brussel werd te Antwerpen Frans van Anjou binnengehaald als nieuwe landvoogd; echter deed hij een mislukte couppoging en werd verdreven, waarna de Staten-Generaal nog verder van Brussel zich in Middelburg vestigden. Brussel raakte deze jaren steeds verder geïsoleerd doordat de kleine buursteden in Spaanse handen vielen, terwijl het calvinisme binnen de stadsmuren steeds sterker werd. In september 1584 begon tenslotte het beleg van Brussel door de Spaanse landvoogd Alexander Farnese, de hertog van Parma. Uiteindelijk moest Olivier van den Tympel op 10 maart 1585 de stad overgeven, die opnieuw de Spaanse hoofdstad der Nederlanden werd. Protestanten kregen kort de tijd om te vertrekken of tot het katholieke geloof terug te keren.

In 1595 wordt Albrecht van Oostenrijk, neef van de Spaanse koning Filips II aangesteld als landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden. Hij huwt in 1599 met Isabella van Spanje, dochter van Filips II. Zij had een jaar eerder van haar vader de soevereiniteit over de Nederlanden geërfd "en wel voor zolang als zij door wettige afstammelingen zou worden opgevolgd"

17e eeuw[bewerken]

Kaart van de stad (naar Bruxella, Blaeu) rond 1657

Tijdens de regeerperiode van Albrecht en Isabella, die zou duren tot in 1633, jaar van overlijden van Isabella, kende Brussel een bloeiperiode als hoofdstad der (Zuidelijke) Nederlanden.

In 1609 werd tussen Spanje en het opstandige Noorden het zogenaamde Twaalfjarig Bestand gesloten, een adempauze in de vijandelijkheden tussen beide strijdende partijen. Albrecht en Isabella besteedden de tijd en de middelen die hierdoor vrijkwamen aan de reorganisatie en wederopbouw van hun land. In Brussel werd opnieuw aangeknoopt met de traditie een jaarlijkse Ommegang te houden.

Omdat het huwelijk van Albrecht en Isabella kinderloos was gebleven keren de Zuidelijke Nederlanden in 1633 opnieuw terug onder Spaans bewind.

In 1648 wordt tussen Spanje en de Verenigde Provinciën in Münster de vrede van Westfalen gesloten, waarin Spanje de Verenigde Provinciën erkent als een soevereine vrije staat en waarin de grenslijn tussen "noord" en "zuid" definitief wordt vastgelegd.(Deze grenslijn is sindsdien nauwelijks veranderd) Dit vredesverdrag maakte officieel een einde aan de Tachtigjarige Oorlog. De Zuidelijke Nederlanden, met Brussel als voornaamste stad, bleven deel uitmaken van Spanje. Tot in 1830 zullen zij van het ene buitenlandse vorstenhuis overgaan naar het andere en worden aldus een pion op het Europese politieke schaakbord. Economisch verlamd en financieel verarmd verwerven zij bovendien de triestige vermaardheid "het slagveld van Europa te zijn". Ook op cultureel gebied gaan de Zuidelijke Nederlanden en Brussel een zeer schrale 200 jaar tegemoet.

Het Franse geschut vernietigt Brussel (augustus 1695). Voortaan houden versterkte steden op om forten te zijn

In augustus 1695 komt het in het kader van de zogenaamde Negenjarige Oorlog tussen Frankrijk en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en waarin ook Spanje betrokken raakte tot een beschieting van de Grote Markt. De Franse koning Lodewijk XIV liet vanuit Sint-Jans-Molenbeek het centrum van Brussel beschieten. Zijn troepen stonden onder rechtstreeks bevel van, maarschalk de Villeroy. De Grote Markt werd zwaar beschadigd. Meer dan 4000 huizen waaronder alle gebouwen op de Grote Markt behalve het stadhuis werden vernield. In de jaren daarna werden de gebouwen rond de Grote Markt opnieuw heropgebouwd. Het zijn deze gebouwen die we daar nu nog steeds kunnen bewonderen in de stijl van die tijd.

18e eeuw[bewerken]

Wapenschild van Brussel, als Keizerlijke stad.

Het einde kwam met de inval van de Franse troepen in 1794/1795, al was de neergang al lang daarvoor begonnen. In 1792 vallen de Fransen de Zuidelijke Nederlanden binnen, de Slag bij Jemappes. In juli 1794 verkrijgen de Fransen met de slag bij Fleurus een beslissende overwinning op de Oostenrijkers. De Oostenrijkse Nederlanden als de negen verenigde departementen een deel van de Franse republiek.

Op 12 oktober 1798 komt de Vlaamse boerenbevolking (de brigands) in opstand tegen Napoleon Bonaparte, de Franse bezetter (Sansculotten) met als leuze "Voor Outer en Heerd". Deze opstand wordt de Boerenkrijg genoemd. Aanleiding tot deze rebellie waren de hoge belastingen, de antigodsdienstige politiek van sluiting van de kerken gepaard gaande met de vervolging van de priesters en de invoering van de conscriptie door de bezetter. De opstand eindigde op 5 december 1798 toen het boerenleger op Ter Hilst (Hasselt) werd verslagen. Doch de Belgen verkrijgen de steun van de Hollanders, de Britten en het Pruisische leger en verslaan het Franse leger definitief in 1815 in de Slag bij Waterloo.

19e eeuw[bewerken]

Onder het beleid van Willem I werd er naar gestreefd van het Nederlands de officiële taal in Vlaanderen te maken. De katholieken verzetten zich echter hevig tegen deze onderwijspolitiek van de koning en er ontstond een heuse schoolstrijd. Na 1825 sloten liberalen en katholieken zich aaneen en in 1828 kwam de Unie van de katholieke en liberale oppositie tot stand (Unionisme). Willem van Oranje voerde een ongelijk beleid in de Nederlanden. Zo was het aantal vertegenwoordigers van de Zuidelijke Staten in de Raad der Verenigde Nederlanden niet evenredig met het bevolkingsaantal en het leger werd voornamelijk door Noordelijke officieren geleid en voornamelijk bevolkt door Zuidelijke soldaten. Daarbij deed Willem I er alles aan om de Zuidelijke steden hun macht te ontnemen. Zo verving hij overal stedelijke bewindsmensen door Noordelijke afgezanten. Dit beleid zorgde voor vele politieke patstellingen en kwam tot een hoogtepunt met de afschaffing van de onderwijstoelagen voor de Vlaamse scholen zodat onderwijs onmogelijk werd. In de voortdurende onderhandelingen blijkt Willem II, de zoon van de vorst, inschikkelijker met de Vlaamse grieven. In het Noorden worden vooral de Waalse steden van opstandigheid beschuldigd omwille van de invoering van het Nederlands als voertaal voor elk niveau van beleid.

Onder invloed van de ondertussen slechte economische toestand en van de Franse Julirevolutie kwam het op 25 augustus 1830 tot rellen in Brussel, een kleine, op dat moment, nochtans Nederlandstalige stad met een grote voorgeschiedenis. Een jaar daar voor waren tijdens een referendum om van het Noorden te scheiden nog slechts 4000 positieve stemmen te horen, doch na een jaar beschikte men al over 400.000 medestanders voor een Belgische Revolutie.

Belgische hoofdstad[bewerken]

19e eeuw[bewerken]

In 1830 vond de Belgische Revolutie plaats in Brussel na de vertoning van een opera 'De Stomme van Portici', in de Muntschouwburg. Tijdens de vertoning van deze opera klonk er een bepaalde aria met een tekst die opriep tot opstand tegen een bezetter, deze werd door het publiek luidkeels meegezongen. Na deze vertoning stroomde de verhitte bevolking vernielend en protesterend naar de staatsgebouwen en over het Centraal Park in de kern van de administratieve hoofdstad. Het kwam tot een strijd waarbij straat per straat werd veroverd op het Hollandse leger dat nochtans in groter aantal was en door Willem I van steeds meer troepen werd voorzien vanuit Tilburg. Na amper drie dagen werd het Hollandse leger verdreven uit Brussel. Dit bracht een schokgolf teweeg in vele Vlaamse steden.

Op 21 juli 1831 besteeg Leopold I de troon als eerste Koning der Belgen. Hij liet de stadswallen verwijderen en zorgde voor de constructie van veel gebouwen om een relatief kleine stad (ter grootte van de huidige kleine binnenring) het prestige van een hoofdstad te geven. Hierbij schrok men er niet van terug om de geschiedenis plaatselijk wat aan te passen. Zo is Godfried van Bouillon nooit in Brussel geweest. Toch prijkt zijn standbeeld in vol ornaat op de Kunstberg. De mythe van een hoofdstad was geboren.

De nieuwe Belgische staat zorgde voor een aanzienlijke versnelling in de uitbouw van Brussel. In 1830 was Brussel een Brabantse stad waar Nederlands in de vorm van een Brabants dialect de voertaal was. Na de onafhankelijkheid kende het een sterke inwijking van Fransen (gevluchte revolutionairen en anderen), en van Waalse ambtenaren die het jonge Belgische bewind aantrok uit de Waalse provincies om er haar nationale administratie mee te bemannen. Dat bewind werd beheerst door de hogere burgerij en de adel. Enkel deze groepen genoten toen stemrecht. Zij wensten de nationale instellingen enkel in hun eigen taal uit te bouwen. Hierdoor werd het Nederlands verbannen uit alle stedelijke instellingen en uit het bestuur. Deze taalkundige discriminatie viel dus samen met sociale en politieke discriminatie van de gewone bevolking (en lagere burgerij). Een uniek verschijnsel daarbij is het ontstaan van de typische Brusselse spreektaal, in wezen een variante van het Nederlands, maar met sterke invloeden van het Frans.

In de negentiende eeuw kende Brussel ook een sterke industriële ontwikkeling. Onder Leopold II werden ettelijke prestigieuze gebouwen voor de hoofdstedelijke instellingen opgetrokken. Ook enkele hedendaagse parken, grote lanen (zoals de Tervurenlaan en de Anspachlaan) en gehele wijken (Noordruimte, Zuidwijk (Brussel), Europese wijk, Wijk van de Squares ...) werden aangelegd. De Zenne werd overkapt (omdat de vervuiling ziekten meebracht) en het Justitiepaleis werd gebouwd. In 1853 werd de Leopoldswijk aangehecht en in 1864 volgde de Louizalaan.

Door de zware druk vanwege de overheid en door de inwijking van Walen en Fransen ontstond toen ook een aanhoudende verfransing van de bevolking. Niettemin kregen de Franstaligen slechts rond het midden van de twintigste eeuw numeriek de overhand. Samen met deze evolutie groeide ook het hoofdstedelijke gebied. Begin 19e eeuw telde dat slechts een zestal gemeenten rond de hoofdstad. Naarmate de verstedelijking en de verfransing oprukten, werden omringende gemeenten bijgevoegd. Dat gebeurde bij tienjaarlijkse talentellingen. Zodra daarbij het aantal Franstaligen en tweetaligen boven bepaalde grenzen raakte, werd de betrokken gemeente bij het hoofdstedelijke gebied gevoegd.

20e eeuw[bewerken]

In 1921 werden Haren, Laken en Neder-Over-Heembeek geannexeerd zodat Brussel voortaan de grootste gemeente van het Brusselse gewest werd. (Wet van 30 maart 1921 tot het vergroten der stad Brussel, met het oog op de uitbreiding der zeevaartinstellingen.)

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Tijdens de twee Wereldoorlog werd Brussel op 17 mei 1940 bezet door de Duitse nazilegers. Op 28 mei 1940: eindigde de 18-daagse campagne en capitulatie van het Belgisch leger en keerde de koning naar zijn paleis in Laken terug. Op 28 oktober 1940 drukten de bezetters wetten met betrekking tot de Joden door. In 1941 volgde sluiting van de universiteit 'ULB' op Duits bevel. De universiteit wilde geen medewerkers uit pro-Duitse Vlaamse kringen accepteren.

Burgemeester Joseph Vandemeulebroeck ging in 1940 akkoord met een register op te stellen waarin 5640 Brusselse Joden werden vermeld. Eind augustus 1942 zetten de Duitsers Vandemeulebroeck af en stelden de pro-nazistische Jules Coelst aan als waarnemend burgemeester. Deze weigerde overigens Jodensterren te verdelen. Ook verbood hij de Belgische politie mee te doen aan razzia's. Op 3 september 1944 volgt oprichting van Groot-Brussel dat wordt beheerd door pro-Duitse politici en J. Grauls wordt burgemeester van Groot-Brussel.

Op 3 september 1944 kwam de bevrijding van Brussel door de Britse troepen onder generaal Sir Miles Dempsey en terugkeer van burgemeester Vandemeulebroeck naar het Stadhuis. Het paleis van Justitie werd door de Duitsers tijdens de bevrijding alsnog in brand gestoken. In dat jaar vonden bombardementen van Brussel door V1-vliegende bommen plaats[2].

Jodenvervolging[bewerken]

De Jodenvervolging was vanwege het militaire bestuur van België, ook in Brussel niet zo scherp als bijvoorbeeld in Nederland. De Joden vormen de grootste groep Brusselse slachtoffers uit de bezettingstijd.

De bezetters vestigden in Brussel hun Landelijke Anti-Joodsche Centrale onder leiding van Pierre Beeckmans. Volgens een telling van deze centrale uit 1941 woonden er in Groot-Brussel 21.734 Joden boven de 15 jaar, wat een jaar iets steeg. De bezetters trachtten gaandeweg de meeste Joden uit het land in Brussel, hoewel de Joodse gemeenschap in Antwerpen voor de oorlog ongevbeer 45.000 mensen telde.

De meeste Brusselse Joden hadden de Poolse nationaliteit. Mede daardoor was volgens historici hun willigheid om mee te werken aan maatregelen van de bezetter gering. Van de 12.000 geregistreerde Joden in Brussel werden er 4.460 gedeporteerd, percentueel de helft van de Antwerpse Joodse bevolking. Op 26 juni 1942 werden 86 volwassen Joodse mannen naar Noord-Frankrijk afgevoerd voor werk aan de Atlantikwall. Er vond in Brussel slechts één razzia plaats, op 3 september 1942. Hierna doken Joden in groten getale onder [3].

Pas in 2012 bood de burgemeester van Brussel officieel zijn excuses aan voor de Jodenvervolging.

Immigratie[bewerken]

Een belangrijke evolutie was de verschuiving van de aard van de immigratie. De (groot)stedelijke bevolking werd in de jaren 60 en vooral 70 aangevuld met immigranten uit Noord-Afrika (vooral Marokkanen) en Turkije. In de jaren 80 en 90 ging deze evolutie verder, vooral via zogenaamde familieherenigingen (in wezen eerder vorming van nieuwe families). Daarnaast kwam ook een sterke immigratie uit Centraal-Europa, met name Polen. Door de functie als Europese hoofdstad verblijven ook veel andere EU-burgers al dan niet permanent in Brussel.

Overige gebeurtenissen[bewerken]

Op 22 mei 1967 verwoestte een zeer ernstige brand overdag het warenhuis L'Innovation, waarbij circa 251 doden en 63 gewonden vielen.

In de jaren 80 werd diverse malen massaal gedemonstreerd tegen de kernbewapening, onder andere op 25 oktober 1981 door 150.000 mensen en op 23 oktober 1983 door 300.000 mensen, tegen de plaatsing van Amerikaanse kruisraketten op Belgische bodem (op de vliegbasis Florennes).


In 2000 was de stad culturele hoofdstad van Europa.

Grote markt

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties