Geschiedenis van Denemarken

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Daniae Regni Typum - Janssonius J. ,1630

Denemarken was van de 9e eeuw tot de 11e eeuw (de periode van de Vikingen) een grootmacht, met Jutland, Seeland, en het zuidelijke deel van het huidige Zweden als basis. In het begin van de 11e eeuw was koning Knoet I gedurende 19 jaar koning van Denemarken en van Engeland, en daarnaast korte tijd koning van Noorwegen.

Middeleeuwen[bewerken]

De Unie van Kalmar

De Vikingen hadden het land in contact gebracht met het christendom. Koning Knoet de Grote begunstigde de geestelijkheid. De kerk werd weldra een machtsfactor naast de koning. Aan het einde van de 13e eeuw was de koning in een zwakke positie. Koning Erik V werd door de adel gedwongen tot ondertekening van de zogeheten håndfæstning (handvest)(1281), die kan worden gezien als de eerste grondwet van Denemarken. De strijd tussen koning en adel werd in de 14e eeuw voortgezet, waarbij Christoffer II in 1320 opnieuw grote concessies aan adel en geestelijkheid moest doen. De verzwakking van het koningschap leidde uiteindelijk tot een diepe politiek-militaire crisis, waarbij de Duitse graaf Gerard III van Holstein erin slaagde het Deense hertogdom Sleeswijk onder zijn gezag te brengen.

Koningin Margaretha I bracht de Unie van Kalmar tot stand (1397), waardoor Denemarken, Noorwegen, Zweden, Finland, de Faeröer, IJsland, en Groenland onder het Deense koningshuis verenigd werden.

Nieuwe tijd[bewerken]

Zweden en Finland verlieten de unie in 1520 na een felle opstand tegen het tirannieke bewind van de Deense koning Christiaan II, welke opstand geleid werd door de Zweedse edelman Gustaaf Vasa. Noorwegen verliet de unie echter pas in 1814, toen het als gevolg van het bondgenootschap dat de Denen met Napoleon hadden gehad, aan Zweden werd overgedragen. IJsland kreeg een personele unie met de Deense koning in 1918. Het land werd pas in 1944 geheel onafhankelijk.

De Reformatie werd in 1536 in Denemarken ingevoerd; het land werd luthers.

In de 17e eeuw hebben Denemarken en Zweden herhaaldelijk oorlog met elkaar gevoerd over de suprematie in Noord-Europa. In de oorlog van 1655-1658 verloor Denemarken het zgn. Skåneland (Skåne, Halland en Blekinge, vanouds Deense gebieden waar Deens werd gesproken), aan Zweden. Pogingen van Deense zijde om dit gebied te heroveren, liepen op niets uit.

Naar een constitutionele monarchie[bewerken]

Frederik VII van Denemarken.

De Deense liberale beweging werd erg actief in de jaren 1830 en tijdens de regering van Frederik VII werd Denemarken in 1849 een constitutionele monarchie.

Pogingen om het deels Deense, deels Duitstalige Sleeswijk nauwer met Denemarken te verenigen, leidden in 1849 tot een opstand van de Duitse bevolkingsgroep in Sleeswijk Holstein, die - na aanvankelijke successen - door het Deense leger werd onderdrukt.

In 1864 verloor Denemarken een oorlog tegen Oostenrijk en Pruisen, die namens de Duitse Bond Denemarken aanvielen wegens de vermeende onderdrukking van de Duitse bevolkingsgroep in Sleeswijk-Holstein, een gebied dat door de Deense koning werd bestuurd. Als gevolg van deze oorlog moest Denemarken heel Sleeswijk-Holstein afstaan aan de Duitsers, inclusief het grotendeels Deenstalige noorden van Sleeswijk, dat pas in 1919 weer aan Denemarken zou worden teruggegeven.

Gouden eeuw[bewerken]

De eerste helft van de 19e eeuw wordt beschouwd als de Deense "Gouden eeuw". De beeldhouwer Bertel Thorvaldsen, de sprookjesschrijver Hans Christian Andersen en de theoloog en filosoof Søren Kierkegaard verwierven Europese roem.

Conflict met Pruisen[bewerken]

In 1864 raakte Denemarken in oorlog met Pruisen en Oostenrijk, en ondanks hevig verzet onder aanvoering van de vrouw van de koning, Gravin Danner, werd Denemarken gedwongen Sleeswijk-Holstein aan Pruisen over te dragen en om voortaan strikt neutraal te blijven (Vrede van Wenen).

20e eeuw[bewerken]

Aan het einde van de 19e eeuw voerde Denemarken verstrekkende sociale hervormingen door, die de grondslag hebben gelegd voor de huidige welvaartsstaat. In de Eerste Wereldoorlog bleef Denemarken neutraal.

Ook in de Tweede Wereldoorlog (onder koning Christiaan X) trachtte Denemarken neutraal te blijven. Het sloot een niet-aanvalsverdrag met nazi-Duitsland, maar het Duitse leger viel toch binnen (Operatie Weserübung) op 9 april 1940. Het doel van Hitler was om door te stoten naar Noorwegen en dat pad liep over Denemarken. Er waren kleine gevechten in Noord-Sleeswijk en enkele vliegvelden werden gebombardeerd. De Deense regering capituleerde nog dezelfde dag.

Denemarken bleef bezet tot 5 mei 1945. Deze bezetting was uniek doordat de omstandigheden tijdens de bezetting in het begin erg mild waren (de communistische partij werd wel buiten de wet gesteld toen Duitsland de Sovjet-Unie binnenviel). De nieuwe coalitieregering probeerde de bevolking te behoeden voor nazi-overheersing door compromissen te sluiten. Het Folketing bleef in functie, de politie bleef onder Deense controle en de autoriteiten van nazi-Duitsland kwamen niet in direct contact met de bevolking. Later werden de Duitse eisen echter meer en meer onaanvaardbaar voor de Deense regering en ze nam daardoor ontslag in 1943 en nazi-Duitsland nam de volledige controle over. Daarna ontstond een gewapende verzetsbeweging tegen de bezettingstroepen. Tegen het einde van de oorlog werd Denemarken steeds moeilijker te controleren, maar het land werd pas bevrijd toen de geallieerden kwamen, op 5 mei 1945.

Opmerkelijk was ook de verhuizing van de meeste Deense Joden naar Zweden in 1943 toen de Duitsers dreigden met deportatie.

Denemarken was in 1949 één van de stichtende leden van de NAVO. Het werd ook lid van de Verenigde Naties en de Europese Unie.

Denemarken en Engeland[bewerken]

De Denen speelden ook een aanzienlijke rol in de geschiedenis van Engeland. De Jutten trokken samen met de Angelen en Saksen vanaf de 5e eeuw dat land binnen. De Jutten (uit het huidige Jutland) vestigden zich in het zuiden, voornamelijk in Kent. Een periode uit de Angelsaksische tijd staat ook bekend als de Danelaw, waarin Deense koningen de overhand hadden.

William Shakespeare wijdde een van zijn bekendste stukken aan Hamlet, Prince of Denmark.