Geschiedenis van Estland

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het gebied van het huidige Estland wordt sinds ongeveer 11.000 jaar bewoond, nadat het landijs zich teruggetrokken had.

Aan het begin van de 13e eeuw werden de Esten, toen Tsjoeden genoemd, van Denemarken uit gekerstend. In 1356 werden de Esten door de Duitse Orde van de Zwaardbroeders onderworpen. Sindsdien had Estland een Duitse minderheid die zichzelf ook als zodanig beschouwde.

Prehistorie[bewerken]

Na de laatste ijstijd en het terugtrekken van het landijs bezetten mensen van de mesolithische Kundacultuur in het 8e millennium v.Chr. als eersten het huidige Estland. Vanaf het eind-6e millennium v.Chr. ging deze cultuur over in de neolithische Narvacultuur.

Middeleeuwen en vroege renaissance[bewerken]

middeleeuwse Gotische Stadhuis van Tallinn
1rightarrow blue.svg Zie ook: Estland (gebied)
1rightarrow blue.svg Zie ook: Geschiedenis van Lijfland

De ontwikkelingen in de middeleeuwen waren gekenmerkt door de kolonisatie vanuit het zuiden door de Duitse Orde van de Zwaardbroeders, die in het gebied van het huidige Estland en Letland de Lijflandse Confederatie oprichtte. Het noorden werd door Denemarken (Deens Estland) en Zweden (Zweeds Estland) bezet. De Denen noemden het land Estland, naar de Aistii, een Baltische stam die volgens de romeinse geschiedschrijver Tacitus aan het zuidoosten van de Ooszeekust woonden.

De steden Reval (Tallinn), Pernau (Pärnu) en Dorpat (Tartu) werden lid van de Hanze.

Toen de Lijflandse Confederatie uiteenviel onder de aanvallen van Ivan de Verschrikkelijke (Lijflandse Oorlog) kwam het noorden in 1561 bij het Koninkrijk Zweden als Zweeds Estland. Het zuiden van het huidige Estland werd samen met het noorden van het huidige Letland (Vidzeme en Letgallen) een Pools leen (Hertogdom Lijfland) maar kwam in 1629 met de Vrede van Altmark ook bij Zweden als Zweeds Lijfland.

Russische heerschappij[bewerken]

Russische kerk van Tallinn

Tijdens de Grote Noordse Oorlog werd Estland in 1710 (definitief in 1721 met de Vrede van Nystad) Russisch onder Peter de Grote. Het werd deel van de drie Baltische gouvernementen (Gouvernement Estland en het noorden van Gouvernement Lijfland).

Onder het Russisch Keizerrijk genoten de Esten minder vrijheden dan onder de Zweden. Het lijfeigenschap werd in Noord-Estland (Gouvernement Estland) in 1816 en in Zuid-Estland (Gouvernement Lijfland) in 1819 afgeschaft. De tsaren na Alexander III (1881-1894) volgden een politiek van Russificatie. Dit leidde tot een groeiend zelfbewustzijn en nationalisme onder de Esten. Een centrale rol in deze ontwikkeling van een eigen identiteit speelde de universiteit van Tartu.

Onafhankelijkheid[bewerken]

Op 24 februari 1918 werd de republiek Estland uitgeroepen. Vooralsnog was dit slechts een papieren besluit. De daadwerkelijke onafhankelijkheid werd tussen 1918 en 1920 bevochten. Met de vrede van Tartu in 1920 erkende de Sovjet-Unie de onafhankelijkheid van Estland.

Estland kwam na 1920 cultureel en economisch tot bloei. In 1934 riep president Konstantin Päts de noodtoestand uit en regeerde als autoritair leider het land.

Bezetting door de Sovjet-Unie en nazi-Duitsland[bewerken]

Monument voor gevallen Russische militairen tijdens de Tweede wereldoorlog op het eiland Hiiumaa, Estland

In augustus 1939 sloten nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie het Molotov-Ribbentroppact, waarin de invloedssferen van Duitsland en de Sovjet-Unie werden uitonderhandeld. Als resultaat daarvan viel de Sovjet-Unie in juni 1940 Estland binnen. De Sovjet-Unie arresteerde in het eerste jaar van de bezetting 8.000 mensen, waaronder de politieke en militaire top van het land. 2.200 van hen werden geëxecuteerd en de meeste anderen werden in de Sovjet-Unie gevangengezet. Weinigen keerden terug. Op 14 juni 1941 vonden gelijktijdig massa-deportaties plaats in de drie Baltische republieken; vanuit Estland werden 10.000 burgers naar Siberië en andere uithoeken van de Sovjet-Unie gedeporteerd. Na de Duitse invasie in de Sovjet-Unie werden 32.000 Estse mannen gedwongen in 'arbeidsbataljons' in de Sovjet-Unie te werken. Van hen kwam in het eerste jaar 40 % om het leven door de ontberingen.

Tussen 1941 en 1944 was Estland door Duitsland bezet en viel onder het Reichskommissariat Ostland. De Duitse bezetting bracht geen verlichting voor de Esten: zij kregen hun onafhankelijkheid niet terug en de kleine Joodse gemeenschap (waarvan de helft naar de Sovjet-Unie wist te ontkomen) werd voor het eind van 1941 vrijwel volledig vermoord door SS-Einsatzgruppen.

Tweede Sovjet-bezetting[bewerken]

KGB cellen in het 'grijze huis' in Tartu, Estland

In de herfst van 1944 werd Estland wederom door de Sovjet-Unie bezet. De gevechtshandelingen eisten een hoge tol. Narva werd tussen februari en augustus 1944 vrijwel met de grond gelijkgemaakt. In Tallinn vielen op 9 maart 1944 bij een bombardement door de Sovjetluchtmacht 600 doden. Een deel van de stad werd vernield. Van de Estse bevolking vluchtten 80.000 mensen naar het westen. De Zweedse minderheid op de eilanden werd door Zweden opgenomen. Estland werd als Estse SSR in de Sovjet-Unie opgenomen. Dit werd door het Westen niet erkend, maar wel getolereerd.

In de jaren direct na de oorlog werd een guerrilla gevoerd door de "Metsavennad" (Woud-broeders). Dit kostte 30-35.000 mensen het leven. In maart 1949 werden ongeveer 20.000 Esten naar Siberië gedeporteerd. Ook onder de Sovjets werd een stringente politiek van Russificatie gevoerd. In het oosten van Estland werden de Esten een minderheid in eigen land.

Tijdens de bezetting door de Sovjet-Unie werd de oostgrens van Estland gewijzigd ten gunste van Rusland. Estland raakte de gebieden rond Ivangorod (Jaanilinn) en Petsjory (Petseri) kwijt.

Door de nabijheid van Finland was de bevolking van Estland niet buiten het bereik van informatiebronnen buiten het Oostblok. Geholpen door de verwantschap van de Finse en de Estse taal en het feit dat de Finse Golf slechts 80 km breed is, werd door Esten regelmatig afgestemd op Finse radio- en tv-zenders.

Tweede Onafhankelijkheid[bewerken]

In 1990 streefde Estland opnieuw naar onafhankelijkheid, net als Litouwen en Letland. De drijvende kracht achter dit streven was de beweging Rahvarinne, het Volksfront voor Estland. De meest spectaculaire manifestatie van het verlangen naar onafhankelijkheid was de Baltische Weg, een menselijke keten van ongeveer twee miljoen mensen van Tallinn via de Letse hoofdstad Riga naar de Litouwse hoofdstad Vilnius. Daarmee eisten de Esten, Letten en Litouwers onafhankelijkheid en protesteerden ze tegen het Molotov-Ribbentroppact, dat op die dag vijftig jaar geleden werd afgesloten. Op 20 augustus 1991 verklaarde Estland zich onafhankelijk.

Op 29 maart 2004 werd Estland lid van de NAVO en op 1 mei van hetzelfde jaar werd Estland lid van de Europese Unie.

Op 21 december 2007 trad Estland toe tot de Verdragen van Schengen.

Op 9 december 2010 werd Estland lid van de OESO.

Vanaf 1 januari 2011 ruilde Estland officieel de Estische kroon in voor de euro.[1]

Referenties[bewerken]

  1. Euromunten Estland munten-verzamelen.com, 3 januari 2011