Geschiedenis van Frankrijk
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
| Geschiedenis van Frankrijk |
|
Prehistorisch Frankrijk Middeleeuwen Frankrijk tijdens de Renaissance Frankrijk in de 19e en 20e eeuw Het hedendaagse Frankrijk Overige |
Dit artikel geeft beknopt en chronologisch de geopolitieke en culturele ontwikkelingen van de geschiedenis van Frankrijk parallel weer. Parijs is al sinds 508 een hoofdstad, door toedoen van de Frankische koning Clovis I. Sinds het Verdrag van Verdun in 843 kent Frankrijk enige continuïteit als bestuurlijke en culturele eenheid. Frankrijk is daarmee de oudste nog bestaande geopolitieke factor in de Europese machtsverhoudingen. De culturele identiteit kan als ruim 2000 jaar oud beschouwd worden, omdat de Romeinse invloed zo beslissend is geweest. De landsgrenzen liggen sinds de Vrede van Nijmegen in 1678 redelijk vast en vallen voor een groot deel samen met natuurlijke grenzen. Naast de Germaanse Franken, die hun naam aan het land hebben nagelaten, leefden nog vele andere stammen, volken en groeperingen in wat wij nu Frankrijk noemen.
Inhoud |
[bewerk] Prehistorie
Het grondgebied van het huidige Frankrijk is al minstens enkele tienduizenden jaren bewoond. Opgravingen hebben overblijfselen van Neanderthalers en andere hominiden uit het Paleolithicumaan het licht gebracht. Vooral het gebied de Dordogne is rijk aan prehistorische vindplaatsen. Grotschilderingen zoals die van de Cro-Magnonmens geven een indruk van de hoogstaande artistieke prestaties van deze vroege bewoners. De beroemdste grot is die van Lascaux.
Verder zijn er uit het latere Neolithicum nog de vele menhirs, dolmen en andere megalieten in Bretagne en elders in Frankrijk, die getuigen van de dadendrang van de vroege menselijke bewoners.
[bewerk] Galliërs en Griekse kolonisten
Rond 1000 v.Chr. drongen Keltische stammen[1] het land binnen vanuit het huidige Zwitserland en Zuid-Duitsland en mengden zich met de oorspronkelijke bewoners. Zij zouden bekend worden als Galliërs. Zij waren geduchte krijgers en bekwame ambachtslieden, getuige bijv. het fraaie smeedwerk dat in de graftombe van Vix (Côte-d'Or) is gevonden, maar hebben geen geschreven teksten nagelaten. Zij waren dus vermoedelijk geheel op mondelinge overlevering aangewezen. Aan gecentraliseerd bestuur zijn ze (dus) niet toegekomen. Zij bleven onafhankelijke stammen, die verwante Keltische talen en dialecten spraken. De geschreven geschiedenis van Frankrijk begint met de Griekse kolonisatie. De geletterde Grieken stichtten langs de Mediterrane kust, in de Provence en de Languedoc diverse nederzettingen, met als belangrijkste en machtigste stad Massilia (nu bekend als Marseille), gesticht rond 600 v.Chr. Andere belangrijke Griekse nederzettingen waren Nikaia (Nice), Agathi (Agde), Antipolis (Antibes) en Megalonia (Maguelone). Ook veel andere plaatsen in Zuid-Frankrijk hebben Griekse wortels. De rivier de Rhône bood goede toegang tot de door de Keltische Galliërs bevolkte binnenlanden, waarmee zich een levendige handel ontwikkelde. Zuid-Franse dialecten dragen nog altijd de sporen van Griekse invloed uit die tijd.[2] Een ander en belangrijker blijvend gevolg van de Griekse kolonisatie van Zuid-Frankrijk is de wijnbouw.
[bewerk] Romeinse tijd
Tot in de 2e eeuw v.Chr. maakten de Galliërs, die ook in de Povlakte woonden, de Etrusken en de naburige Romeinen soms het leven zuur met hun invallen in Italië, waarbij ze rond 390 v.Chr. onder leiding van de beruchte Brennus zelfs de stad Rome bijna geheel innamen. De laatste keer vielen zij binnen als bondgenoten van Carthago in de Tweede Punische Oorlog, maar na de Slag bij de Metaurus in 207 v.Chr. was hun rol daarin uitgespeeld. In de loop van de 2e eeuw v.Chr. werden de rollen omgekeerd. De Romeinen werden regelmatig door de Griekse kolonisten in Zuid-Frankrijk te hulp geroepen tegen de Liguriërs en andere Kelten. In 121 v.Chr. drongen de Romeinen Zuid-Frankrijk binnen in wat nu de Provence heet (afgeleid van het Latijnse provincia), en brachten dit gebied onder permanente controle. Zij leverden echter de grootste veldslagen met rondtrekkende Germaanse Kimbren en Teutonen, die dreigden het Italiaanse schiereiland binnen te vallen. In die tijd stichtten de Romeinen Aquae Sextiae, het latere Aix-en-Provence.
In 52 v.Chr. had Julius Caesar na een bloedige campagne van enkele jaren heel Gallië onder Romeins bewind gebracht. De Romeinen noemden dit gebied Gallia Transalpina. Ze zouden er vijf eeuwen blijven. Massilia was tijdens de verovering van de Provence nog redelijk zelfstandig gebleven, maar in de burgeroorlog tussen Pompeius en Caesar koos het de verliezende kant.
Caesar bezette Massilia en maakte een eind aan de politieke zelfstandigheid; de Griekse cultuur bleef echter nog eeuwenlang een rol spelen in Zuid-Frankrijk[bron?]. Geleidelijk werd het Latijn, zoals in heel Gallië, steeds meer de hoofdtaal, hoewel de elite nog lang Grieks bleef spreken. Caesars verovering wordt in het algemeen beschouwd als het begin van de Franse nationale geschiedenis, omdat hiermee de Romaanse identiteit van het land bepaald werd. In de 2e eeuw bereikte Nîmes onder de naam Nemausus een hoogtepunt als regionaal centrum van Romeinse macht en cultuur, waarvan de nalatenschap in de Provence nog steeds te bezichtigen is. Het aquaduct Pont du Gard en de arena van Nîmes zijn er de bekendste voorbeelden van. Er ontwikkelde zich geleidelijk aan een Gallo-Romeinse cultuur, waarin het Keltische element steeds meer plaats maakte voor het Romeinse. De hogere levensstandaard die de Romeinse cultuur met zich meebracht zal hierin een rol gespeeld hebben. Hierdoor werden ook Germaanse stammen aangetrokken van buiten de Romeinse invloedssfeer. Er waren af en toe lokale opstanden, maar die werden door het Romeinse gezag lange tijd effectief neergeslagen. In 260, dus tijdens de Romeinse crisis van de 3e eeuw, ontstond het onafhankelijke Gallo-Romeinse Rijk, dat echter 14 jaar later weer verdween omdat keizer Diocletianus deze crisis wist te bezweren.
In de eerste eeuwen van onze jaartelling moet de basis zijn gelegd voor de Franse taal, die van het Latijn afstamt, met toevoeging van Keltische en Germaanse elementen; schriftelijke bewijzen hiervan zijn niet bewaard gebleven.
[bewerk] Middeleeuwen
[bewerk] Frankische rijk
In 392 was het Romeinse Rijk in een oost- en westromeins rijk gesplitst. In 476 stortte het West-Romeinse Rijk definitief in door de interne problemen en door de invallen van de Germaanse 'barbaren' in het kader van de Grote Volksverhuizing. Een deel van Noord-Frankrijk was toen al in handen van de Germaanse Franken.[3] Deze Franken bekeerden zich in 496 onder de Merovingische koning Clovis tot het katholieke christendom. Het door Clovis gestichte Frankische Rijk was het eerste Europese rijk dat dit deed na de val van het Romeinse Rijk; daarom wordt Frankrijk wel de oudste dochter van de katholieke kerk genoemd. Clovis vestigde zijn machtscentrum in Parijs, zoals Lutetia sinds 212 heette. Sindsdien is Parijs altijd het centrum van de Franse staat gebleven. De Franken vormden slechts een dunne toplaag op de Gallo-Romeinse bevolking. Dit zal eraan hebben bijgedragen dat de Franken steeds verder romaniseerden. Vooral de bekering tot het katholieke christendom van hun Gallo-Romaanse onderdanen bevorderde de Frankische assimilatie. Latere invallers, zoals de Noormannen, zouden door dezelfde oorzaken eveneens geromaniseerd worden en het katholieke christendom aannemen. De Franken onderscheidden zich daarmee van de eveneens Germaanse Gothen, elders in Europa, die meestal het arianisme aanhingen en hun Germaanse taal bleven spreken zodat er een kloof bleef tussen de heersers en de onderdanen.
Een uitzondering op dit algemene patroon vormde Bretagne. Grootschalige Keltische migratie vanaf de 6e eeuw vanuit Britannia zorgde voor een versterking van het Keltische element, dat bijdroeg aan 1000 jaar succesvolle verdediging tegen Franse macht en invloed. Rond 1488 werd het hertogdom Bretagne onderworpen aan de koning van Frankrijk en pas in de loop van de 19e eeuw werd de Bretonse taal in brede lagen van de bevolking verdrongen door het Frans.
Clovis' Frankische Rijk besloeg al een groot deel van het huidige Franse grondgebied, maar viel na Clovis' dood weer uiteen in diverse koninkrijken. Zuid-Frankrijk werd aanvankelijk beheerst door de Germaanse Bourgondiërs en Visigoten. In de loop van de 6e eeuw werden deze gebieden door de Franken ingelijfd. Begin 8e eeuw rukten de islamitische Saracenen plotseling zeer snel op vanuit het Iberische Schiereiland. De Franken konden zich vanaf 732 voldoende verenigen onder leiding van Karel Martel om de Saracenen zuidwaarts terug te drijven over de Pyreneeën. De Slag bij Poitiers (732) en de in het Roelandslied vereeuwigde Slag van de Roncesvaux-Pas (778) zijn hoogtepunten in die strijd, die bijdroeg aan opkomst van de Karolingische dynastie. Noord-Italië werd op de Lombarden veroverd in 774 en de Avaren werden tussen 791 en 797 verslagen in de Donauvlakte. De Franken veroverden ook aanzienlijke gebieden ten oosten van de Rijn, waarbij zij de Germaanse Saksen 'met tongen van ijzer', d.w.z. met het zwaard, bekeerden tot het christendom. De expansie van het Frankische Karolingische Rijk bereikte een hoogtepunt in 814 onder Karel de Grote. In 800 liet hij zich tot keizer kronen door Paus Leo III in Rome, die hij niet geheel belangeloos gesteund had bij een machtsstrijd in het Vaticaan. Hiermee werd de status van het Karolingische Rijk als opvolger van het West-Romeinse Rijk en tegenhanger van het Oost-Romeinse Rijk bezegeld. Vooral om dit laatste was het de paus te doen; hij wilde onafhankelijker van Constantinopel worden.
[bewerk] Karolingische renaissance; feodalisme
In cultureel opzicht was er sprake van een Karolingische renaissance, waarmee de 'donkere middeleeuwen' wat werden opgeklaard. Het Latijn kreeg een officiële status als cultuurtaal; het zich uit het volkslatijn ontwikkelende Frans was er kennelijk nog niet rijp voor. Uit 842 dateert de oudste Franse geschreven tekst, in het tweetalige (Frans en Duits) document de Eed van Straatsburg, waarin Karel de Kale en Lodewijk de Duitser ten koste van hun broer Lotharius de deling van het rijk in 843 voorbereidden. Uit die deling zijn Frankrijk, de Lage Landen en Duitsland voortgekomen. Het westelijke deel ging verder als het West-Frankische Rijk onder Karel de Kale. In die tijd kreeg de feodale maatschappijstructuur vorm; de onwerkbaar gebleken praktijk van de rondreizende koning uit de Merovingische werd vervangen door een decentrale bestuursstructuur die beter aansloot bij de maatschappelijke realiteit, waarin een nationaal saamhorigheidsbesef ontbrak; voorzover er loyaliteit aan een machthebber was, betrof dit een plaatselijke leenheer, die loyaliteit verschuldigd was aan een hogere leenheer of direct aan de koning. Het leenheerschap kreeg een erfelijk karakter, waardoor de adel ontstond, met graven, hertogen, en op wat lager niveau baronnen, markiezen en jonkheren.
Het land dat aan de Franken zijn naam ontleent, heeft zich sindsdien geleidelijk tot een natiestaat ontwikkeld met Parijs als machtscentrum en de van het Latijn afgeleide voertaal Frans. De dynastie der Karolingers werd in 987 opgevolgd door die van het Huis Capet. Ongeveer tegelijk met het uiteenvallen van het Karolingische Rijk begonnen de invallen van de uit Scandinavië afkomstige Vikingen, ook bekend als de Noor(d)mannen, waarvan Frankrijk net als vele andere delen van Europa twee eeuwen lang te lijden had. Deze invallen, die altijd plaatselijke verrassingsaanvallen waren, hebben de feodale bestuursstructuur in de hand gewerkt. Het centrale gezag kon niet snel genoeg reageren op zulke aanvallen, zodat initiatief van plaatselijke machthebbers onontbeerlijk werd. Uiteindelijk vestigden een aantal van de invallers zich aan de noordkust, in een gebied dat daarom het hertogdom Normandië (het land van de Noormannen) genoemd werd. De Normandiërs zouden tot 1204 een eigen identiteit en onafhankelijkheid bewaren, die eigen militaire avonturen mogelijk maakte, o.a. tijdens de kruistochten in het huidige Syrië en in Spanje als bondgenoten tegen de Saracenen tijdens de Reconquista. In Zuid-Italië werd in de 11e eeuw zelfs een Normandisch koninkrijk gesticht, ten koste van Moorse invloed. In 1066 lanceerden de ondertussen verfranste Normandiërs ook een succesvolle aanval op het toen nog Angelsaksische Engeland, waardoor dit land een Franssprekende heersende klasse kreeg. Deze zou blijvende invloed op de Engelse taal en cultuur uitoefenen. Dat de Kanaaleilanden tot op de dag van vandaag Brits kroondomein zijn (zij het buiten het Verenigd Koninkrijk) is te herleiden tot de Normandische verovering van 1066, toen die eilanden tot Normandië behoorden.
[bewerk] Kerkelijke cultuur; kruistochten
De kerstening van West-Europa was rond het jaar 1000 ongeveer voltooid. Velen meenden toen dat daarmee het einde der tijden aanstaande was. Toen de wereld niet bleek te vergaan, veerde heel christelijk Europa op. Er werden zeer veel kerken en kloosters gebouwd, die niet alleen een religieuze functie hadden, maar zich ook ontwikkelden tot centra van cultuur en geleerdheid. Vrijwel alleen monniken konden lezen en schrijven in de Middeleeuwen. In dit kader werd in 1098 de Cisterciënzer kloosterorde gesticht, om te beginnen met de Abdij van Cîteaux. In de 11e en 12e eeuw ontwikkelde zich de Romaanse bouwstijl (zwaar, donker, met kleine ramen onder ronde bogen). In de 12e tot de 15e eeuw ontstond de gotische bouwstijl, die in Frankrijk vooral in het noordelijke deel een rijke erfenis heeft nagelaten. De Notre-Dame van Parijs en de Kathedraal van Chartres zijn wellicht de beroemdste voorbeelden. Dankzij de innovatie van luchtbogen en steunberen kon men heel hoge kerken bouwen met relatief dunne muren, waarin grote gebrandschilderde ramen met spitsbogen gezet konden worden.
Een andere expressie van een nieuwe christelijk-Europese identiteit waren de kruistochten, die een tot dan toe ongekend multinationaal karakter hadden. Tussen 1096 en 1270 speelde Frankrijk een belangrijke rol in vier van de negen kruistochten. De eerste werd geïnitieerd door de Synode van Clermont in de Abdij van Cluny. Van de tweede kruistocht was Bernard van Clairvaux de gangmaker. Deze kruistochten hadden geen blijvend militair resultaat, maar hadden wel culturele uitwisseling en een aanhoudende rivaliteit tussen het christendom en de islam tot gevolg.
[bewerk] Centralisatie; nationale cultuur
De 13e eeuw bracht de Franse kroon grote gebiedsuitbreidingen in het zuiden, waar na een pauselijke kruistocht tegen de 'ketterse' Katharen (1209) de Languedoc door Frankrijk werd ingelijfd. Koning Filips IV ('de Schone') trachtte ook Vlaanderen in te nemen, maar zijn leger werd in de Guldensporenslag bij Kortrijk in 1302 in de pan gehakt.
Rond 1300 maakte deze koning wel een begin met de professionalisering en centralisering van het landsbestuur, ten koste van de feodale macht van de adel; in de loop van de eeuwen zou Frankrijk het meest centralistisch bestuurde land van West-Europa worden.
Vanwege hun Normandische afkomst bestuurden de Engelse koningen in hun hoedanigheid als vazal van de koning van Frankrijk grote delen van het westen van Frankrijk, met name Aquitanië. Een opvolgingscrisis in het Franse koningshuis na de dood van koning Filips IV in 1314 leidde daardoor tot een aanspraak door de succesvolle Engelse koning Eduard III op de Franse troon. De Franse adel wilde hem niet, waarna in 1337 de vijandelijkheden begonnen. Hoewel de bevolking van Frankrijk toen vier keer zo groot was als die van Engeland, was er vanwege de Engelse militaire superioriteit een Honderdjarige Oorlog voor nodig om Engeland en Frankrijk rond 1453 definitief te scheiden en een eind te maken aan de Engelse bezittingen op het continent (met uitzondering van Calais, dat pas in 1558 zou worden opgegeven). Beide landen versterkten door deze oorlog hun nationale bewustzijn. Tijdens de oorlog circuleerden er in Engeland geruchten dat 'de Fransen' zouden binnenvallen om de Engelse taal te vernietigen. Jeanne d'Arc, die in 1431 door de Engelsen tot de brandstapel werd veroordeeld, is nog altijd een soort nationale heldin in Frankrijk; in 1920 werd zij alsnog heilig verklaard.
Vanaf de 13e eeuw was de literaire traditie van vooral hoofse lyriek en de epische chanson de geste voldoende ontwikkeld door troubadours en o.a. de dichter/schrijver Chrétien de Troyes om de Franse taal een zeker prestige te geven, ook in het buitenland. Zo schreef bijvoorbeeld de 13e eeuwse Florentijnse filosoof Brunetto Latini zijn 'Li Livres dou Tresor' in het Frans. De zuidelijke variant van het Frans, de langue d'oc speelde in die tijd de hoofdrol in de literatuur. Naarmate de algemene centralisatie van het land rond Parijs vorderde, zou de noordelijke variant, de langue d'oïl, steeds meer gaan domineren. Het huidige standaard-Frans is geheel op de langue d'oïl gebaseerd.
[bewerk] Vroegmoderne tijd
[bewerk] Renaissance en godsdienstoorlogen
Vanaf het midden van de 15e eeuw, het begin van de vroegmoderne tijd, begon het land zich alleen al door zijn omvang steeds meer te profileren als een grote Europese mogendheid. Uiteenlopende schrijvers als François Villon, Rabelais, Montaigne en Calvijn verhoogden het literaire prestige van de Franse taal. De invloed van de Italiaanse en klassieke Romeinse cultuur namen sterk toe. Koning Frans I heeft in het begin van de 16e eeuw als Renaissance-vorst bij uitstek veel voor de cultuur en de verdere centralisatie van het bestuur gedaan, met name door de stichting van het Collège de France en het invoeren van het Frans als officiële taal (Edict van Villers-Cotterêts, 1539). Er werd een serieus begin gemaakt met het definiëren van de Franse grammatica. Er verschenen ook woordenboeken.
Frans I voerde ook veel oorlog met zijn grootste rivaal, de Habsburger Karel V; de vijandschap tussen Frankrijk en de Habsburgers, zowel de Spaanse, Oostenrijkse als de Duitse erfgenamen van Karel V, zou nog eeuwen lang een centraal gegeven blijven in Europa.
De Reformatie heeft in de 16e en 17e eeuw tot felle interne twisten geleid; in de tweede helft van de 16e eeuw woedden er maar liefst acht Hugenotenoorlogen. Het was een tijd waarin Frankrijk het lijdend voorwerp was van interventie, vooral van Spanje, dat toen op het hoogtepunt van zijn macht was en Frankrijk van het protestantisme wilde 'redden'. Engeland intervenieerde ten gunste van de protestanten. In die tijd liep Frankrijk een achterstand op ten opzichte van de Spanjaarden, Portugezen en Engelsen in koloniale expansie en ontdekkingsreizen. In 1598 werd met het Edict van Nantes een compromis bereikt dat in aanzienlijke vrijheid van godsdienst voorzag voor de protestanten, al bleef het katholicisme de staatsgodsdienst. Van toen af zette onder de nu nog steeds gewaardeerde koning Hendrik IV een welkome periode van herstel in. In 1610 werd hij echter alsnog vermoord, omdat hij te veel ruimte zou hebben gegeven aan de protestanten en omdat zijn eigen katholicisme in twijfel werd getrokken.
Onder zijn opvolger Lodewijk XIII werd het koninklijk gezag verder versterkt, al was dit vooral door toedoen van de machtige kardinaal de Richelieu, die als grondlegger van de absolute monarchie kan worden beschouwd. De godsdienstvrijheid werd in twee stappen, in 1629 en 1685 teruggedraaid. Tot de dag van vandaag heeft Frankrijk een grotere protestantse minderheid dan andere Latijnse landen als Italië, Spanje en Portugal, maar het land van Calvijn en de Hugenoten bleef wel overwegend katholiek. Dit heeft op de Franse buitenlandse politiek minder invloed gehad dan op de Spaanse in de tijd van Filips II. Het 'raison d'état' vereiste volgens de als regeringsleider fungerende kardinaal Richelieu inmenging op Duits grondgebied in de Dertigjarige Oorlog (1618-1648), waarbij hij geen been zag in een bondgenootschap met de protestantse Zweden en Hollanders tegen Frankrijks traditionele Habsburgse rivalen in Duitsland en Spanje, al waren die katholiek.
[bewerk] Territoriale expansie, absolute monarchie en culturele bloei
Vanaf de Slag bij Rocroi (1643), waarbij de Fransen een verrassende overwinning boekten op de Spanjaarden, die ook bij de Dertigjarige Oorlog betrokken waren, kan gesproken worden van een Franse hegemonie. Het zou ruim 60 jaar duren voor Frankrijk een ernstige nederlaag leed in een veldslag. Bij de Vrede van Westfalen (1648) verwierf Frankrijk Elzas en Lotharingen, maar daar zou in de komende eeuwen nog veel over te doen zijn. De rol van godsdienst in internationale betrekkingen nam geleidelijk af. Spanje moest in datzelfde jaar de soevereiniteit van de Nederlandse Republiek erkennen en was in alle opzichten op zijn retour als grote mogendheid. Duitsland had verschrikkelijk geleden en staatkundig was het verregaand versplinterd. Van dat laatste zou het pas in 1870 volledig herstellen. Er ontstond in Europa een systeem van nationale staten, waarvan Frankrijk lange tijd de machtigste zou blijven.
[bewerk] Lodewijk XIV de zonnekoning
Dankzij haar hegemonie kon Frankrijk al in 1678, bij het Vrede van Nijmegen, vrijwel de grenzen bereiken die het nu nog heeft, zij het nog niet definitief. Eén en ander ging gepaard met vele oorlogen, vooral tijdens het bewind van Lodewijk XIV (1643-1715) ook bekend als de zonnekoning. Onder zijn bewind bereikte de absolute monarchie zijn hoogtepunt. Aan Lodewijk XIV wordt wel de arrogante uitspraak "L'état, c'est Moi" ("De Staat, dat ben Ik") toegeschreven, maar dat is nooit onomstotelijk bewezen. Historici denken dat het hoogstwaarschijnlijk een uitspraak is van politieke tegenstanders om de situatie van zijn absolute heerschappij goed weer te geven. Maar de rol van de edelen was inderdaad geringer dan ooit; zij konden of wilden de koning niet meer hun voorwaarden stellen voor hun medewerking vanaf hun landgoederen, die altijd hun machtsbasis waren geweest; het hoogste wat een edelman in die tijd kon ambiëren was baantjesjagen in het koninklijke leger of anders wel aan het schitterende koninklijke hof in het Paleis van Versailles, dat tijdens zijn bewind enorm werd uitgebreid. Lodewijk had een tomeloze energie, regeerde het rijkste land van Europa en had bekwame generaals en vestingbouwers tot zijn beschikking. Hij liet in zijn eigen land weinig over van de godsdienstvrijheid. Anders dan Filips II van Spanje was hij persoonlijk niet bijzonder fanatiek katholiek, maar hij vond het gewoon onbehoorlijk als onderdanen een andere godsdienst hadden dan hun vorst. In 1685 herriep hij het Edict van Nantes, wat tot een massale uittocht van de economisch belangrijke Hugenoten naar protestantse landen leidde. In zijn buitenlandse politiek liet Lodewijk zich meer inspireren door Machiavelli dan door godsdienstige ijver; bij het kiezen van bondgenoten speelde godsdienst nauwelijks een rol meer, maar in veroverde protestantse gebieden herstelde hij wel meteen de rechten van de katholieken, zoals de Nederlandse Republiek ondervond in 1672, tijdens de Hollandse Oorlog (1672-1678), waarin hij het hoogtepunt van zijn macht bereikte.
.
Aan de ene kant was Lodewijk de grote boeman van Europa, die veel andere Europese mogendheden tegen zich in het harnas joeg in wisselende coalities. Aan de andere kant was hij een rolmodel voor de monarchen van Europa omdat hij in alle opzichten liet zien hoe je als koning indruk moest maken. Hij hield er talloze maîtresses op na, die daardoor soms zelf bekende persoonlijkheden werden. Van zijn zes wettige kinderen bleef er maar een in leven, maar daarnaast had hij vele onwettige, die niettemin belangrijke functies konden krijgen. Lodewijk bemoeide zich intensief met artistieke kwesties en stimuleerde de wetenschap. De Franse taal had een voldoende graad van perfectie bereikt om het Latijn te gaan verdringen als voertuig van de geest op het hoogste niveau. De Fransen gaan nog steeds prat op de veronderstelde bijzondere helderheid van de zinsstructuren van hun taal. In vele Europese hoven en in adellijke en diplomatieke kringen, tot in Rusland toe, werd als lingua franca Frans gesproken en geschreven. Dit had niet alleen praktische voordelen in het internationale verkeer, het werd ook gezien als een kenmerk van beschaving. De stijl van zijn hof in Versailles, en daarmee de Franse Barok, was toonaangevend. Zowel religieuze spanningen als de wetenschappelijke ontwikkelingen komen goed tot uiting in het werk van Blaise Pascal. René Descartes, Pierre de Fermat en Marin Mersenne waren andere Franse geleerden van formaat. Het Franse toneel bereikte een hoogtepunt dankzij de 'grote drie' toneelschrijvers: Corneille, Molière en Racine.
Ondertussen legden Lodewijks voortdurende oorlogen, dure hofhouding en entourage een zware last op het land. Meerdere malen kwam de bodem van de schatkist in zicht en ondanks zijn formidabele hulpbronnen en kundige generaals kreeg Lodewijk op het laatst van zijn lange regering ook nederlagen te incasseren. De Negenjarige Oorlog (1688-1697) verliep al een stuk slechter dan Lodewijk gewend was, want ook zijn tegenstanders vonden godsdienst minder belangrijk dan voorheen in de internationale politiek; door zijn onvoorzichtigheid had Lodewijk de anti-Franse Liga van Augsburg tegen zich in het harnas gejaagd; deze bestond in wisselende samenstelling uit verscheidene katholieke en protestantse mogendheden. Het katholieke Ierland en het overwegend protestantse Schotland streden aan Franse zijde, omdat die nu eenmaal anti-Engels waren. Het resultaat van deze oorlog was voor alle partijen onbevredigend, zodat de volgende grote oorlog, de Spaanse Successieoorlog (1701-1713), slechts een kwestie van tijd was. Deze oorlog werd Lodewijks laatste. Hierin moest hij bloedige nederlagen incasseren en dreigde er wel eens plaatselijk hongersnood in zijn eigen land, terwijl het hoofddoel, de Spaanse troon onder zijn invloed brengen via een kleinzoon, niet bereikt werd. Aan het eind van zijn regime had hij de Franse achterstand met de opbouw van een eigen koloniaal rijk niettemin aardig weggewerkt (Louisiana is naar hem genoemd) en voor het moederland boekte hij vooral in het noordoosten terreinwinst: de Franche-Comté en de Elzas werden afgesnoept van het Heilige Roomse Rijk. Daarmee had Frankrijk in het oosten de Alpen en de Rijn als natuurlijke grenzen gekregen. In het noorden veroverde hij het zuidwesten van de Spaanse Nederlanden, waarmee hij het strategisch belangrijke Duinkerke en daarmee het Nauw van Calais onder controle kreeg. Het moderne Frankrijk heeft nog steeds vrijwel dezelfde grenzen. Lodewijk bekende op zijn sterfbed in 1715 dat hij 'teveel van oorlog gehouden had', maar toch was zijn land met zijn grote landbouwareaal en zijn relatief erg grote bevolking (na Rusland de grootste van Europa met ca. 20 miljoen inwoners) niet zo uitgeput als Spanje aan het eind van het bewind van Filips II. Frankrijk was de grootste militaire, culturele en economische Europese mogendheid geworden en zou dat tot in de vroege 19e eeuw blijven. De 17e eeuw wordt in de Franse geschiedschrijving dan ook wel aangeduid als 'le Grand Siècle'.
[bewerk] Moderne tijd tot 1945
[bewerk] Verlichting
In de loop van de 18e eeuw kwam in Frankrijk de Verlichting op, die eind 18e, begin 19e eeuw gepaard ging met een bloei van de Franse wis- en natuurkunde, maar ook met afnemende acceptatie van de absolute monarchie en de in wezen nog altijd middeleeuwse standenmaatschappij, met bijbehorende privileges voor adel en geestelijkheid. Spanje en het Ottomaanse Rijk waren in verval geraakt, de Nederlandse Republiek was sinds 1713 geen factor van betekenis meer en Duitsland en Italië waren nog ver verwijderd van staatkundige eenheid. Rusland begon zich pas rond 1700 te ontwikkelen tot een moderne Europese mogendheid en was voor West-Europa nog geen serieuze rivaal. Oostenrijk-Hongarije was een grote continentale mogendheid en Pruisen een opkomende Duitse mogendheid, maar die twee waren vooral elkaars rivalen, waarbij Frankrijk eerst bondgenoot was van Pruisen en daarna van Oostenrijk. Frankrijk was in de 18e eeuw dus nog altijd de sterkste continentale mogendheid, maar het sinds 1707 verenigde Britse koninkrijk streefde Frankrijk voorbij als maritieme en koloniale mogendheid. Dit bleek vooral tijdens de Zevenjarige Oorlog (1756-1763), waarin de Franse invloed in Noord-Amerika en India goeddeels verloren werd aan de Britten.
[bewerk] Revolutie en Napoleontische veroveringen
De Franse Revolutie van 1789 wordt wel beschouwd als de aanvang van de moderne tijd in Frankrijk en in de westerse wereld als geheel; wat dat laatste betreft is de Amerikaanse Revolutie, die al in 1776 begon, zowel een bondgenoot als een rivaal. Tot de dag van vandaag speelt dit een rol in de Frans-Amerikaanse betrekkingen. Wat door de revolutionairen als verwordenheden werden beschouwd: Vrijheid, gelijkheid en broederschap, de dienst aan de Rede, werd bepaald niet zonder slag of stoot geaccepteerd. De contrarevolutie in de Vendée werd met genocidaal geweld neergeslagen, de Terreur van Robbespierre was een ander berucht dieptepunt. Ondanks chaos en gruwelen werd toen de basis gelegd voor een door de Verlichting geïnspireerde burgerlijke democratie, de scheiding van kerk en staat en de trias politica: de scheiding tussen de wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht, die al in 1748 door Charles Montesquieu geformuleerd was.
Aldus kwam er een eind aan de absolute monarchie en de feodale standenmaatschappij, veel radicaler dan bij Oliver Cromwells revolutie in Engeland 150 jaar tevoren. Frankrijk werd de eerste moderne natiestaat ter wereld, die veel effectiever dan voorheen het volk tot een gezamenlijke krachtsinspanning wist te inspireren. Dit maakte een nieuw verschijnsel, de 'levée en masse', ofwel militaire dienstplicht mogelijk. Hoe gebrekkig dit systeem ook nog werkte naar hedendaagse maatstaven, het was een groot voordeel van Frankrijk ten opzichte van vijandelijke mogendheden, die als vanouds moesten zien dat ze voldoende huurlingen konden betalen. Gecombineerd met de relatief grote bevolking resulteerde dit in een nieuwe hegemonie op de Europese rivalen, die vergeefs trachtten de Revolutie de kop in te drukken.
Tien jaar na de Revolutie nam het militaire en bestuurlijke genie Napoleon Bonaparte de macht over, die in de toen volgende napoleontische oorlogen Frankrijk de controle gaf over een groot deel van west- en centraal Europa. Ook in veel veroverde gebieden, waaronder Nederland nadat dit in 1810 geheel was geannexeerd, werd de dienstplicht ingevoerd, wat de Franse hegemonie nog verder vergrootte. Nepotisme was Napoleon niet vreemd, maar daarnaast gaf hij toch veel meer dan voorheen gebruikelijk promotie aan commandanten op grond van bewezen bekwaamheid, ongeacht hun al of niet aristocratische afkomst. Maarschalk Jean Lannes, zoon van een stalknecht, is er een goed voorbeeld van. Een niet-Franse afkomst stond een mooie carrière ook niet in de weg, zoals de Nederlandse admiraal Jan Willem de Winter en kolonel Duuring aantoonden.
De artillerie was in die tijd zo ver ontwikkeld, dat versterkte steden en forten onvoldoende bescherming boden. Het kwam aan op snelle en lange marsen met grote legers om op de juiste tijd en plaats in één dag een beslissende slag te forceren met soepele manoeuvres, waarbij soms tienduizenden doden en gewonden velen. In dit type krijgskunst was Napoleon onbetwist superieur. Al deze factoren stelden Napoleon in staat alles te overtreffen waarvan Lodewijk XIV had kunnen dromen. Ter zee bevestigden de Britten echter hun suprematie meer dan ooit, waarbij Horatio Nelson de nationale held werd die in historische zeeslagen bij de Nijldelta en bij Trafalgar het land verdedigde tegen het Franse gevaar. Het Verenigd Koninkrijk behield daardoor een continuïteit die het tot op de dag van vandaag onderscheidt van de rest van West-Europa.
Napoleon leek op het Europese continent tussen 1800 en 1812 vrijwel onverslaanbaar, met uitzondering van het Iberisch schiereiland. De coalitie van Britten, Pruisen, Russen en Oostenrijkers dacht al gauw niet meer aan het de kop indrukken van de Franse Revolutie; zij werd geheel in de verdediging gedrongen. Na Napoleons grootste overwinning, in de Slag bij Austerlitz in 1805, viel het bijna duizend jaar oude Heilige Roomse Rijk uit elkaar en een groot deel van Duitsland werd gereduceerd tot een reeks vazalstaten, net als de rest van West- en Centraal Europa. In Parijs zijn nog steeds vele straten en bruggen, alsmede de Gare d'Austerlitz genoemd naar overwinningen en succesvolle onderbevelhebbers uit die periode.
Napoleon voerde weliswaar veel goede bestuurlijke en onderwijskundige vernieuwingen in, maar ook een straffe censuur omdat hij niet gediend was van openlijke kritiek op hem en zijn bewind. Hierdoor namen nogal wat intellectuelen, zoals Mme de Staël, voor de duur van zijn bewind de wijk naar een land dat nog niet door Napoleon was veroverd, vooral Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk.
Het succes steeg Napoleon naar het hoofd; hij begon steeds meer autoritaire en monarchale trekken te vertonen. Dat hij zichzelf vanuit zijn lage adellijke afkomst in 1804 tot keizer kroonde was tot daaraan toe, maar alles dat in het buitenland ook maar enigszins niet naar wens verliep, meende hij met wapengeweld te kunnen oplossen. Zijn minister van buitenlandse zaken Talleyrand was toen al van mening dat dit een keer mis moest lopen. Hij voelde zich zelfs genoodzaakt achter Napoleons rug om met de vijanden te onderhandelen, waardoor hij ten val kwam. Eén en ander leidde in 1812 tot een veldtocht naar Rusland met het grootste leger dat Europa ooit gezien had (ca. een half miljoen man, ook uit vele onderworpen gebieden afkomstig). De Russen hadden wel de mankracht, maar niet het logistieke vernuft om deze prestatie te evenaren. Zij wisten echter de strategische diepte van hun land en de strengheid van de Russische winter goed uit te buiten. Hun tactiek van de verschroeide aarde zorgde ervoor dat de 'Grande Armée' wel Moskou bereikte, maar voor het overgrote deel ten onderging door uitputting, honger en bevriezing, tevergeefs op zoek naar de vijand om een beslissende slag te leveren. Nog nooit was Rusland vanuit het westen zo aangevallen. De Franse invasie is nog altijd een van de meest dramatische episodes in de Russische nationale geschiedenis, die door Leo Tolstoj is vereeuwigd in zijn klassieke roman Oorlog en vrede. Met dit rampzalige avontuur werd Napoleons ondergang ingeluid.
Napoleons vijanden meenden een kans te zien om zonder verder bloedvergieten van hem af te komen. Zij boden hem de gelegenheid zich terug te trekken uit een groot deel van zijn veroverde gebieden, waarbij hij dan wel keizer kon blijven van het Franse kernland en enkele omringende gebieden. Napoleon wees dit verontwaardigd af en liet het al in 1813 aankomen op een nieuwe krachtmeting, de Volkerenslag bij Leipzig, waarbij in totaal zo'n 110.000 doden en gewonden vielen. De Pruisen, de Oostenrijkers, de Russen en de Zweden hadden echter geleerd van Napoleons succesformule en hadden verscheidene van zijn militaire vernieuwingen ingevoerd. Ze waren aldus in staat Frankrijk een zware nederlaag toe te brengen, die leidde tot Napoleons's val en verbanning naar Elba. In Frankrijk werd weer een Bourbon op de troon gezet maar dit deed het land geen goed. In de daarop volgende politieke instabiliteit gingen in Frankrijk stemmen op om de grote oorlogsheld terug te halen. Dit leidde tot de Honderd Dagen van Napoleons triomfantelijke terugkeer en zijn definitieve nederlaag in de ook weer zeer bloedige Slag bij Waterloo. Hij werd toen door de Britten, volgens hem ‘de meest genereuze van zijn vijanden’, levenslang verbannen naar het verre en goed bewaakte Sint-Helena, waar hij in 1821 stierf. Tussen 1812 en 1815 gingen zijn veroveringen dus nog sneller verloren dan ze gewonnen waren.
De belangrijkste geopolitieke gevolgen in Europa van Napoleons veroveringen waren het stimuleren van het Duitse nationalisme, dat Frankrijk nog parten zou gaan spelen en de opkomst van Rusland als een machtsfactor waarmee heel Europa rekening moest houden.
De Franse bezetting van Spanje vanaf 1808, die leidde tot de zes jaar durende Spaanse Onafhankelijkheidsoorlog, bood een groot deel van Spanjes Amerikaanse koloniën de kans zich onafhankelijk te maken. Van heel Latijns Amerika bleef alleen Cuba nog onder Spaans gezag. In Spanje ontwikkelde zich een nieuw type oorlog, de 'guerrilla', die door de Britten ijverig gesteund werd en waarop Napoleon ondanks zijn superieure veldheerschap geen goed antwoord had. Het Franse streven om de verworvenheden van de Franse Revolutie te exporteren, is in Spanje het minst succesvol gebleken. Wat als 'vooruitgang' werd aangeprezen, werd vooral geassocieerd met vernederingen en onbeschrijfelijke gruwelen, die door de Spaanse kunstenaar Francisco Goya zijn vereeuwigd in een serie etsen, de 'Desastres de la guerra'. Spanje keerde zich af van Frankrijk en de rest van het moderne West-Europa. Dit isolement zou pas na 1975 echt doorbroken worden.
Frankrijk deed in 1803 zelf afstand van de laatste kolonie op het Noord-Amerikaanse continent door verkoop aan de Verenigde Staten van Louisiana, dat vele malen meer omvatte dan de huidige deelstaat. De VS verdubbelde hiermee zelfs zijn grondgebied. De Franse Caraïbische slavenkolonie Haïti kon door middel van een opstand in 1804 onafhankelijk worden.
Ondanks machtsmisbruik en zelfverrijking door Napoleon[4] is de invloed van de Franse Revolutie en de vervolgens door Napoleon geëxporteerde verworvenheden van de Revolutie op cultuur en bestuur van Europa van groot en blijvend belang gebleken. De nog wat feodale verhoudingen in west- en centraal Europa hadden een slag gekregen waarvan zij niet meer zouden herstellen. Niet adellijke afkomst, maar talent en opleiding werden doorslaggevend voor het bekleden van machtsposities. Loyaliteit werd in de eerste plaats verschuldigd aan het centrale gezag in plaats van aan een lokale (feodale) machthebber. Daarmee werd de weg vrijgemaakt voor het nationalisme en de daaruit voortkomende natiestaat.
In de Nederlandse Republiek waren al voor de Franse tijd de verhoudingen niet feodaal meer; de rol van de adel was al eeuwen relatief gering, maar het bestuur was wel erg versnipperd vanwege de autonomie van de gewesten en steden, waarin een regentenkaste de dienst uitmaakte. De door de Fransen in Nederland opgelegde eenheid in bestuur, valuta, maten en gewichten, rechtspraak en belastingheffing is sindsdien nooit teruggedraaid.
[bewerk] Opkomst van grote rivalen
Deze gevolgen werden merkbaar tijdens het Congres van Wenen, dat in 1815 direct na Napoleon's definitieve nederlaag bij Waterloo gehouden werd, had als voornaamste doel het definiëren van een nieuw machtsevenwicht in Europa waarin Frankrijk zonder voortdurende oorlogen onder controle gehouden kon worden. Dit is in aanzienlijke mate gelukt. Frankrijk intervenieerde tussen 1853 en 1856 in de Krimoorlog als bondgenoot van de Britten en de Ottomanen tegen Russen, en tussen 1859 (Slag van Solferino, tegen Oostenrijk) en 1870 in Italiaanse en pauselijke aangelegenheden, maar het zou tot 1870 duren tot Frankrijk opnieuw in conflict raakte met een buurland.
Frankrijk werd na 1815 overvleugeld in macht en rijkdom door het Britse Rijk, dat de handen vrij had dankzij het nieuwe machtsevenwicht in Europa en al een voorsprong had in industrialisatie en koloniale veroveringen. Die voorsprong werd nog verder uitgebouwd. In 1830 maakte Frankrijk min of meer per ongeluk in Algerije een begin met kolonisatie in Afrika, maar dat was meer een symptoom van het verval van de islamitische wereld dan een bewijs van Frankrijks macht.
Vanaf 1870 kwam er een nieuwe rivaal bij: het verenigde en snel industrialiserende Duitsland, dat de veroveringen en vernederingen van de napoleontische tijd en van de twee eeuwen daarvoor nog niet vergeten was.[5] Hoezeer de machtsverhoudingen gewijzigd waren werd snel en pijnlijk duidelijk in de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871, waarbij het verlies van Elzas en Lotharingen als een ondraaglijke vernedering werd ervaren. Verder weg was er Amerika, dat sinds de Amerikaanse Burgeroorlog in 1863 dankzij massale immigratie vanuit Europa en razendsnelle industrialisatie ook een opkomende grote mogendheid was. Niet alleen in industriële ontwikkeling, maar ook in demografisch opzicht werd Frankrijk ingehaald en overtroffen door al deze rivalen. De centrale obsessies van Frankrijk waren vanaf 1870 echter het Duitse gevaar en het verlies van Elzas en Lotharingen. De verschuivende machtsverhoudingen hadden een toenadering tot de Britse aartsrivaal tot gevolg, die in 1853 bondgenoot werd in de Krimoorlog om de Ottomanen te beschermen tegen de Russische expansie. In 1870 werd een geheim bondgenootschap gesloten met de Italianen en de Russen, om de Duitse hegemonie tegenwicht te bieden; in 1904 ontstond zelfs een Brits-Franse 'Entente Cordiale', met hetzelfde doel. Vanaf 1877 deed Frankrijk volop mee met de Europese koloniale expansie in Afrika en Zuid-Oost Azië, wat soms tot spanningen leidde met de nog succesvollere Britten en met de wat minder succesvolle Duitsers. Af en toe werd er ook samengewerkt met andere Europese koloniale mogendheden, bijv. tijdens de Koloniale Conferentie van Berlijn (1884-1885) en in China tijdens de Bokseropstand van 1900.
In cultureel opzicht bleef Frankrijk toonaangevend; vooral literatuur en schilderkunst trokken internationale aandacht. Parijs is om die reden wel de 'hoofdstad van de 19e eeuw' genoemd. Sinds de gebroeders Lumière in 1895 de eerste filmvoorstelling ter wereld organiseerden met de door hen uitgevonden cinématographe, heeft Frankrijk zich ontwikkeld tot de tweede westerse filmproducent ter wereld (na Amerika). Tot ver in de 20e eeuw trokken kunstenaars uit andere Europese landen, maar ook uit Noord-Amerika en Latijns-Amerika, naar Frankrijk (in het bijzonder Parijs) om het daar 'te maken'. Een musical als An American in Paris (1951) refereert hier duidelijk aan. Nog in de jaren '40, '50 en '60 zou Parijs beschouwd worden als een brandpunt van intellectuele innovatie.
[bewerk] Twee wereldoorlogen
In de 20e eeuw had Frankrijk in twee wereldoorlogen de Britten, de Amerikanen en de Russen nodig om zich de gevaarlijkste rivaal, Duitsland, van het lijf te houden. De Eerste Wereldoorlog (1914-1918) brak uit als een kettingreactie van oorlogsverklaringen, die mogelijk werd door het stelsel van bondgenootschappen tussen de grote Europese mogendheden. In 1870 was al gebleken dat Duitsland veel sterker was dan Frankrijk en in WO I bleek Duitsland ook sterker te zijn dan de Britten en de Fransen samen. Zonder de Russen, die de Duitsers drie jaar lang aan het oostelijk front bezighielden en toen moesten opgeven, en de Amerikanen die vanaf april 1917 het westelijke front kwamen versterken, was de oorlog aan dat front slecht afgelopen voor Frankrijk. Een betrekkelijk klein deel van het grondgebied langs de Duitse en Belgische grens had direct te lijden van het oorlogsgeweld, maar omdat alle oorlogvoerenden verrast werden door de technische vooruitgang in de bewapening, werd WO I verreweg de grootste slachtpartij in de geschiedenis en voor Frankrijk in het bijzonder; tot in de kleinste dorpjes zijn nu nog monumenten te zien voor de gevallenen voor het vaderland, de meesten in die oorlog. Elzas en Lotharingen kwamen in 1918 weer in Franse handen, maar de prijs was ontstellend hoog geweest. Bij de onderhandelingen over het Verdrag van Versailles en de daaruit voortvloeiende Duitse herstelbetalingen en de Franse bezetting van het Rijnland werden de Fransen verteerd door wraakzucht. Van een nieuwe internationale orde die de vrede moest garanderen middels de Volkenbond kwam dan ook niets terecht, terwijl Duitslands macht in wezen ongebroken bleef. De anti-Duitse houding leidde in militair opzicht tot de bouw van de kostbare Maginotlinie aan de Duitse grens, waarachter de Fransen meenden veilig te zijn. De bezetting door de Britten en de Fransen van het Rijnland en de zware herstelbetalingen waartoe Duitsland krachtens het verdrag van Versailles verplicht was, droegen bij tot ontwrichting en wrok in Duitsland, en daarmee tot de opkomst van het nazisme. Toen het nazi-regime vanaf 1933 de 'ketenen van Versailles' afwierp, bleek Duitsland heel snel in staat weer een dreiging te vormen voor de rest van Europa. De binnenlandse situatie in Frankrijk werd gekenmerkt door stagnerende bevolkingsgroei en daarmee gepaard gaande demografische achterstand op Duitsland, die als gevaarlijk werd beschouwd. Er was felle politieke polarisatie tussen links en rechts, met op de rechtervleugel fascistoïde antisemitische bewegingen als het Croix-de-feu en de Action Française en op de linkervleugel een relatief sterke communistische partij. In 1936 ontstond voor het eerst in de geschiedenis een democratisch gekozen Volksfront van socialisten en communisten, dat vier kabinetten zag komen en gaan, maar in september 1938 definitief ten onder ging aan overspannen verwachtingen en stakingen om die alsnog te realiseren.
De Tweede Wereldoorlog (1939-1945), die voor Frankrijk en Duitsland in feite een voortzetting was van de eerste na een wapenstilstand van 20 jaar, was voor Frankrijk iets minder bloedig, maar psychologisch een even grote schok. Wat Duitsland in heel WO I niet gelukt was, voltrok zich in mei/juni 1940 tijdens de Slag om Frankrijk in enkele weken: een totale nederlaag en bezetting, die Frankrijk zonder bondgenoten nooit ongedaan zou kunnen maken.
Na de ondertekening van een wapenstilstand tussen Frankrijk en Duitsland werd in Zuidoost-Frankrijk het Vichy-regime ingesteld, dat steeds meer een marionettenregime in Duitse handen werd. De hoogbejaarde Philippe Pétain, een maarschalk die in de Eerste Wereldoorlog de held van Verdun was geweest, fungeerde als een boegbeeld van conservatief patriottisme. Het Vichy-regime heeft uit eigen beweging joden opgepakt en laten afvoeren naar Duitse vernietigingskampen en verzette zich tegen de Geallieerde invasie op zijn koloniale grondgebied in Marokko, in november 1942. Van toe af aan werden ook in het Vichy-gebied Duitse troepen gelegerd, omdat Duitsland een geallieerde invasie vanuit Noord-Afrika vreesde. In Frankrijk speelde het verzet (op het platteland heette die de Maquis) een actieve rol, die werd gesteund vanuit Engeland, maar was lang niet voldoende om de Duitse bezetter te verdrijven. In de Franse koloniën en andere overzeese gebiedsdelen organiseerden de Vrije Fransen hun strijdkrachten, na een moeizaam begin, onder leiding van generaal Charles De Gaulle die eerst de politiek minder getalenteerde generaal Giraud opzij moest schuiven. De Vrije Fransen werden op den duur enigszins serieus genomen door hun Britse en Amerikaanse bondgenoten. Vooral de Amerikaanse president Roosevelt zag lange tijd meer in het Vichy-regime dan in De Gaulle; volgens Roosevelt was die slechts een balling die in zijn eigen land bij verstek ter dood veroordeeld was. De Vrije Fransen vochten zij aan zij met de Britten en de Amerikanen in Noord-Afrika, Syrië en Libanon, niet alleen tegen de Duitsers en Italianen, maar ook tegen het Vichy-regime, dat nog altijd de scepter zwaaide in veel Franse koloniën en protectoraten. In juni 1944 was eindelijk de bevrijding van het eigen land aan de beurt. De Vrije Fransen namen deel aan de Invasie in Normandië in juni 1944, die voor het grootste deel door Amerikaanse, Britse en Canadese troepen werd uitgevoerd. Na vier jaar ballingschap kon Charles de Gaulle op 25 augustus 1944 een emotionele intocht in Parijs houden, waar hij op 10 september 1944 een voorlopige regering installeerde.
[bewerk] Moderne tijd na 1945
[bewerk] Vierde Republiek
Over één ding waren de Fransen het eens na de bevrijding: de in 1940 ten ondergegane derde republiek zou niet terugkeren. Daarmee hield de overeenstemming op. De Gaulle, hoofd van de voorlopige regering, wilde een versterkte uitvoerende macht, waarin hij voor zichzelf een leidende rol op het oog had. De meerderheid van de in 1946 gekozen Grondwetgevende Vergadering koos echter voor het andere uiterste: een almachtig parlement. De Gaulle ruimde het veld voor de Vierde Republiek. Deze zou echter lijden aan een chronisch gebrek aan politieke stabiliteit.
Frankrijk was na twee wereldoorlogen verregaand uitgeput; de voormalige Europese grote mogendheden werden overschaduwd door de twee supermachten Amerika en de Sovjet-Unie, die de wereld verdeelden in twee invloedssferen. Dit maakte het verlies van het Franse koloniale rijk (evenals het Britse en Nederlandse) vrijwel onvermijdelijk. Niettemin verzette Frankrijk zich heftig in Vietnam (tot 1954) en Algerije (tot 1962) en in nauwe samenwerking met de Britten tijdens de Suezcrisis (1956). Keer op keer bleek dat het koloniale tijdperk op zijn einde liep. Vanaf 1960 stelden de Fransen zich soepeler op; de rest van Frans koloniaal Afrika kon zonder bloedvergieten onafhankelijk worden en bleef veelal in de Franse invloedssfeer, zowel cultureel als economisch. De permanente zetel in de Veiligheidsraad van de VN, met vetorecht, dankt het aan de status van 'overwinnaar' in de Tweede Wereldoorlog. Sinds 1945 heeft het Frans als wereldtaal veel terrein verloren, vooral aan het Engels, maar het land heeft wel een inhaalslag gemaakt in industriële ontwikkeling en, in mindere mate, in bevolkingsgroei.
Frankrijk werd een van de voortrekkers van de Europese integratie, eerst in de EGKS, later in de EEG en de EU, met als primair doel de verwoestende rivaliteit tussen de Europese mogendheden te beteugelen en het Duitse overwicht te neutraliseren. Zoals alle andere lidstaten had ook Frankrijk af en toe moeite met het inleveren van nationale soevereiniteit; zo werd in 1954 de Europese Defensiegemeenschap door het Franse parlement afgewezen, ook al was de eigen regering een van de initiatiefnemers ervan. De Franse rol in de EU is echter altijd zeer sterk en heeft Frankrijk ook geen windeieren gelegd. Het grote aandeel dat Frankrijk ontvangt van de Europese landbouwsubsisdies heeft met enige regelmaat tot fricties met de Europese partners geleid.
Het verlies van de koloniën is nogal meegevallen. De eerste 30 jaar na de Tweede Wereldoorlog worden tegenwoordig de 'trente glorieuses' genoemd vanwege de aanzienlijke economische groei en industrialisering, ondanks de politieke instabiliteit tijdens de Vierde Republiek (1944-1958) en de koloniale oorlogen. Frankrijk onderhoudt zelfs vrij goede contacten met post-koloniale regimes in een Franse invloedssfeer, waarbij herhaaldelijk het Vreemdelingenlegioen ingezet werd om bevriende regimes in het zadel te houden. Dit leverde Frankrijk nog al eens een beschuldiging van neokolonialisme op. Tot op heden zijn de Organisatie van Afrikaanse Eenheid en de opvolger ervan, de African Union er overigens niet in geslaagd een geloofwaardig alternatief te bieden op het punt van conflictbeheersing. Ook interventies van de Verenigde Naties, als die al van de grond komen, verlopen moeizaam.
[bewerk] Vijfde Republiek
Dankzij de door Charles de Gaulle in 1958 ingevoerde staatkundige hervormingen in de Vijfde Republiek heeft het land een behoorlijke politieke stabiliteit. Ook al was de grondwet van de Vijfde Republiek door hemzelf ontworpen, waarbij hij voor zichzelf de rol van president zag weggelegd, zijn schepping bleek zijn aftreden in 1969 en zijn dood in 1970 met gemak te kunnen overleven, zowel onder linkse als rechtse presidenten; zelfs 'cohabitatie' tussen een president en een regering van een andere politieke richting blijkt mogelijk te zijn.
Een onverwacht gevolg van de dekolonisatie is, dat niet alleen de ca. 900.000 'pieds noirs', de Europese kolonisten uit Algerije in 1962 een goed heenkomen zochten in het voormalige moederland, maar sindsdien ook miljoenen inwoners uit de voormalige koloniën, en dat velen nog steeds proberen dit te doen. Tegenwoordig is bijna 10% van de bevolking een 1e, 2e of 3e generatie-immigrant uit een voormalige kolonie. Dit heeft politieke gevolgen gehad, zoals de opkomst sinds de jaren zeventig van het Front National, dat niet alleen xenofoob genoemd kan worden, maar zich bovendien vergoelijkend uitgelaten heeft over de bezetting door de Nazi's van Frankrijk en de Holocaust een 'detail in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog' noemde. In 2002 haalde het Front National tot veler ontsteltenis in binnen- en buitenland de tweede ronde bij de presidentsverkiezingen. Deze werden toen gewonnen door de impopulaire Jacques Chirac, omdat die door links als het minste kwaad werd beschouwd. Er zijn ook sociale spanningen die soms tot uitbarsting komen, zoals in november 2005 in de voorsteden van Parijs en vele andere steden. Een belangrijk punt bij de presidentsverkiezingen van 2007 was het aanscherpen van de immigratiewetten. Deze verkiezingen werden gewonnen door de belangrijkste rechtse kandidaat Nicolas Sarkozy, die het Front National de wind uit de zeilen wist te halen door op dit punt een hardere lijn te trekken dan de socialistische kandidaat.
De hoofddoelstellingen van het buitenlands beleid zijn: door middel van Europese integratie het natuurlijke Duitse overwicht te beteugelen en een sleutelrol te spelen bij het uitbouwen van Europa tot een mogendheid die op gelijke voet staat met de andere grote mogendheden, in de eerste plaats Amerika, maar ook Rusland en recentelijk China. De actieve rol in de Franse post-koloniale invloedssfeer, de semi-onafhankelijke rol in de NAVO en de eigen onafhankelijke nucleaire afschrikkingsmacht sluiten hier logisch op aan.
Frankrijk was een van de grondleggers van de Europese Unie en heeft op 1 januari 2002 als munteenheid de Franse franc verruild voor de euro.
[bewerk] Jongste geschiedenis
Onder het presidentschap van Jacques Chirac (vanaf 1995) werd een algemeen gevoel van malaise merkbaar, dat al door de president zelf was geconstateerd.[6] Dit heeft geleid tot een golf van publicaties die wel onder de noemer 'déclinologie' worden gebracht, alsof het een tak van wetenschap was.
Wellicht is de malaise te herleiden tot twee actuele uitdagingen: de globalisering, waarbij het vergroten van de internationale concurrentiekracht van de Franse economie idealiter gecombineerd wordt met het behoud van de verzorgingsstaat, baanzekerheid een ervaren 'douceur' in de levensstijl. Een andere grote uitdaging is de multiculturele samenleving die Frankrijk de facto al is, maar waarop de klassieke republikeinse bestuursvorm, die uitgaat van geïndividualiseerde, gelijkwaardige burgers in een centralistische eenheidsstaat, onvoldoende greep blijkt te hebben. De in mei 2007 verkozen president Nicolas Sarkozy heeft weliswaar verandering beloofd, maar dat hebben de kiezers vaker gehoord. Bovendien hebben ze de neiging zich krachtig te verzetten als de machthebbers inderdaad proberen het traditionele streven naar autarkie, het uitgebreide stelsel van subsidies en sociale zekerheid en genereuze pensioenregelingen te doorbreken om Frankrijk weerbaarder te maken in de internationale concurrentiestrijd.
[bewerk] Literatuur / bronnen
- De geschiedenis van Frankrijk in een notendop: (bijna) alles wat je altijd wilde weten, Niek Pas, 2008, 158 p., Bert Bakker - Amsterdam, ISBN 9789035131705
- Geschiedenis van Frankrijk, Pascal Balmand, 1996, 430 p., Het Spectrum - Utrecht, ISBN 90-274-4432-3 (vertaling uit het Frans: Histoire de la France)
- ^ Ontdek de wereld van de Kelten, Simon James, 1994, Becht - Haarlem
- ^ Evolution et structure de la langue française, Walther von Wartburg, 1971, Bern
- ^ De Franken, Edward James, 1990, 278 p., Ambo - Baarn, ISBN 90-263-1044-7 (vertaling uit het Engels: The Franks)
- ^ Napoleon, Jacques Presser, 1946, Amsterdam
- ^ Frankrijk in oorlog, 1870-1962. De meest dramatische eeuw uit de Franse geschiedenis, Henk Wesseling, 2006, 352 p., Bert Bakker - Amsterdam, ISBN 90-351-3061-8
- ^ La France pour tous, Jacques Chirac, 1994
| Geschiedenis van Europa |
|---|
|
Geschiedenis van: Albanië - Andorra - België - Bosnië en Herzegovina - Bulgarije - Denemarken - Duitsland - Estland - Finland - Frankrijk - Georgië - Griekenland - Hongarije - Ierland - IJsland - Italië - Kroatië - Letland - Liechtenstein - Litouwen - Luxemburg - Macedonië - Malta - Moldavië - Monaco - Montenegro - Nederland - Noorwegen - Oekraïne - Oostenrijk - Polen - Portugal - Roemenië - Rusland - San Marino - Servië - Slovenië - Slowakije - Spanje - Tsjechië - Turkije - Vaticaanstad - Verenigd Koninkrijk - Wit-Rusland - Zweden - Zwitserland |
