Geschiedenis van Hongarije

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Geschiedenis van Hongarije
Flag of Hungary.svg
Vroege geschiedenis
Pannonië
Hongarije voor de Magyaren
Middeleeuwen
Magyaren
Koninkrijk Hongarije (1000-1526)
Voorbije eeuwen
Ottomaans Hongarije
Vorstendom Transsylvanië
Koninklijk Hongarije (1526-1867)
Hongaarse Revolutie
Oostenrijk-Hongarije
Democratische Republiek Hongarije
Hongaarse Radenrepubliek
Koninkrijk Hongarije (1920-1946)
Communistisch Hongarije
Volksrepubliek Hongarije
Hongaarse Opstand
Modern Hongarije
Hongarije
Andere onderwerpen
Militaire geschiedenis van Hongarije
Hongaarse minderheid in Roemenië
Geschiedenis van de Joden in Hongarije
Muzikale geschiedenis van Hongarije
Geschiedenis van Transsylvanië
Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis

Dit artikel geeft een overzicht van de geschiedenis van Hongarije.

De Magyaarse invasie[bewerken]

De Hongaren (ook: Magyaren) deden hun intrede in Europa aan het eind van de negende eeuw, toen ze als nomadenvolk vanuit de Zuid-Russische steppe over de Karpaten trokken. Onder Árpád en zijn opvolgers vestigden zij zich in het Karpatenbekken, een gebied dat veel groter is dan het huidige Hongarije. Gedurende een eeuw waren ze door hun strooptochten de schrik van Europa. In de Slag op het Lechveld werd hun een dermate grote nederlaag toegebracht, dat ze de bakens verzetten en besloten zich aan te passen aan hun christelijke buren. De kroning van Stefan de Heilige als koning in het jaar 1000 werd daarvan het symbool. Hij was de eerste koning van Hongarije. Stefan oriënteerde zich op Rome en niet op Byzantium, een keus die tot op heden doorwerkt: in tegenstelling tot hun Servische en Roemeense buren zijn zij niet oosters-orthodox maar Rooms-Katholiek.

Het Middeleeuwse Koninkrijk Hongarije[bewerken]

In de daaropvolgende 250 jaar werd de geschiedenis van Hongarije gekenmerkt door een machtsspel zowel met de omringende machten (Polen, het Heilige Roomse Rijk) als intern tussen koning en adel. Dit laatste leidde tot de Gouden Bul (Aranybulla) van 1222, die de rechten van koning en adel vastlegde. Hieronder was het recht om de koning onder bepaalde omstandigheden niet te gehoorzamen. In 1102 kwam het tot een personele unie van het Koninkrijk Hongarije en het Koninkrijk Kroatië. De invasie van de Mongolen in 1241 bracht het land tot op de rand van de afgrond. Het Hongaarse leger onder koning Béla IV werd vernietigd bij de slag bij Mohi en de bevolking werd gedecimeerd. Het Mongoolse leger trok zich echter vanwege het overlijden van de Grote Kan (Ögedei) spoedig terug uit Europa, waarschijnlijk om een nieuwe heerser te kiezen. Hierna liet Béla langs de grenzen fortificaties aanleggen die in de daaropvolgende eeuwen van groot nut zouden blijken. Hij haalde bevolkingsgroepen van elders om de grensstreken te bevolken. De Duitse aanwezigheid in sommige gebieden in Slowakije en Transsylvanië is voor een deel hierop terug te voeren.

Het Hongaarse koninkrijk beleefde zijn grootste bloei in de vijftiende eeuw, toen onder meer koning Sigismund en de renaissancevorst Matthias Corvinus het land regeerden. De laatste was de zoon van Johannes Hunyadi, de Transsylvanische veldheer, die de Turken in 1456 bij Belgrado een belangrijke nederlaag had toegebracht. Mátyás breidde het rijk uit, hield het Turkse gevaar op afstand en bracht kunsten en wetenschappen tot bloei.

De boerenbevolking profiteerde echter niet van deze bloei. Bovendien begon de hoge adel steeds meer macht aan zich te trekken, waardoor de macht van de staat werd aangetast. In 1514, twee jaar voor de dood van koning Wladislaus II, brak er een grote boerenopstand uit in de Grote Hongaarse Laagvlakte en delen van Transsylvanië (ook wel genoemd de Dózsa Opstand, naar zijn Transsylvanische leider, of de Hongaarse Boerenoorlog), die door de adel meedogenloos werd onderdrukt. De verbittering hierover, de verscherping van de sociale tegenstellingen en de uitholling van het centraal gezag, zouden fataal blijken toen het land opnieuw bedreigd werd door het Ottomaanse Rijk.

De Turkse bezettingstijd[bewerken]

In 1526 stortte het Hongaarse koninkrijk ineen na een enkele grote militaire nederlaag tegen de Turken: de Slag bij Mohács, die gevolgd zou worden door een 150 jaar durende Turkse bezettingstijd, waarbij het land vanaf 1541 in drie delen uiteenviel: een Turks middendeel (inclusief de hoofdstad Boeda), een romp-koninkrijk onder Oostenrijks (Habsburg) bestuur in het noorden en westen, en een onafhankelijk Zevenburgen in het oosten, dat een vazal van Turkije werd, maar dat het centrum van de Hongaarse cultuur werd. In 1699 verjoegen de Oostenrijkers na een aanval op Wenen (1683) de Turken en kwam heel Hongarije in Habsburgse handen.

De Oostenrijkse heerschappij en de Dubbelmonarchie[bewerken]

Tijdens de 18e eeuw trad er een flinke bevolkingsgroei op in Hongarije, waarvan grote delen - vooral in de Hongaarse laagvlakte - in de Turkse tijd bijna ontvolkt waren geraakt (vooral ten gevolge van de bijna onafgebroken oorlogvoering). Deze groei was grotendeels het gevolg van een aanzienlijk geboorteoverschot, maar voor een deel ook van immigratie, vooral van Duitsers, Roemenen en Serven. In sommige delen van het Koninkrijk Hongarije is daardoor de bevolkingssamenstelling in deze periode sterk veranderd.

De Hongaren waren aanvankelijk wel blij dat de Turken waren verdreven, maar kwamen snel tot het inzicht dat hun Oostenrijkse meesters niet zo heel veel beter waren. In de Turkse tijd had het calvinisme in Hongarije veel aanhang gekregen (de Turken stonden tegenover calvinisten niet vijandiger dan tegenover katholieken) en vooral de calvinistische Hongaren stonden buitengewoon vijandig tegenover de vervolging die zij van de katholieke Habsburgers te verduren hadden. In Transsylvanië had men in de Turkse tijd een aanzienlijke autonomie gekend en de Hongaren aldaar vonden de Habsburgse monarchie bepaald oppressief.

De achttiende en negentiende eeuw brachten verschillende opstanden tegen de Habsburgers, die alle mislukten: Frans II Rákóczy leidde van 1703 tot 1711 de bekendste Koeroetsen-opstand, en in 1849 werd de opstand onder Lajos Kossuth bloedig neergeslagen. Deze laatste opstand, die nog jaarlijks wordt herdacht op 15 maart, kon door de Oostenrijkers alleen met Russische hulp worden onderdrukt. Na de Oostenrijkse nederlaag tegen Pruisen in 1866, werd de keizer in Wenen in 1867 alsnog gedwongen tot de Ausgleich, een compromis, waarbij Oostenrijk en Hongarije gelijkwaardige partners werden in een Dubbelmonarchie. De minderheden binnen het Hongaarse deel daarvan (Slowaken, Kroaten, Roemenen) hadden maar beperkte rechten en bestreden de magyarisering die hen vanuit Boedapest werd opgelegd.

Hongarije van 1914 - 1945[bewerken]

Vanaf 1914 streed Hongarije vanzelfsprekend aan de Oostenrijkse kant in de Eerste Wereldoorlog, die door de centrale mogendheden verloren werd; bovendien ging twee derde van het Hongaarse grondgebied verloren bij het Verdrag van Trianon, een onderdeel van het verdrag van Versailles. In de naoorlogse chaos riep Mihály Károlyi Hongarije in november 1918 uit tot een onafhankelijke republiek. In 1919 riep Béla Kun in Hongarije een radenrepubliek uit naar sovjetvoorbeeld, maar Hongaarse contra-revolutionairen slaagden er met Roemeense hulp in om dit regime omver te werpen. Hongarije werd formeel opnieuw een koninkrijk "met vacante kroon", onder leiding van admiraal Miklós Horthy.

Tijdens het interbellum stond dit koninkrijk onder het autoritaire bewind van admiraal Miklós Horthy, wiens politiek in het teken stond van revanche voor het drama van Trianon. In de Tweede Wereldoorlog ging het opnieuw mis: Nazi-Duitsland leek de beste partner om het onrecht teniet te doen. In 1941 verklaarde Hongarije de Sovjet-Unie de oorlog. Toen de Hongaren vanwege de rampzalige gevolgen daarvan geheime vredesbesprekingen hielden met de Westelijke geallieerden, liet Hitler op 18 maart 1944 het land bezetten. In slechts één enkele maand tijd werd een groot deel van de joden in het land afgevoerd. Dit gebeurde onder de naam Aktion Höss.

Hongarije na de Tweede Wereldoorlog[bewerken]

De Sovjets verschenen in 1945 als bevrijders, maar bleken in de praktijk de veroveraars die ze in heel Oost-Europa waren. Hongarije werd in het Oostblok gemanoeuvreerd. De eerste partijleider was de stalinist Mátyás Rákosi. Na Stalins dood leek er ruimte voor veranderingen, maar het tragische einde van de Hongaarse opstand eind 1956 maakte duidelijk dat de Sovjets de baas waren en bleven. De hervormingsgezinde premier Imre Nagy vluchtte en werd later geëxecuteerd. Veel Hongaren vluchtten naar het westen, vooral jongere hoogopgeleiden. Onder János Kádár werden vervolgens kleine hervormingen doorgevoerd en werd Hongarije een relatief aangenaam Oostblokland.

Pas in 1989 werd Hongarije weer een vrije, democratische republiek en werden de communistische symbolen naar het museum verwezen. In dat jaar verlieten ook de Sovjettroepen het land. De eerste vrije verkiezingen werden gehouden in 1990. Sindsdien heeft zich in Hongarije in tien jaar tijd een tweepartijenlandschap ontwikkeld (de sociaaldemocratische MSZP en de conservatief-liberale Fidesz regeren om beurten). Het land trad toe tot de NAVO (1999) en de Europese Unie (2004).

Zie ook[bewerken]