Geschiedenis van Jemen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De geschiedenis van Jemen kan onderverdeeld worden in de periode voor de onafhankelijkheid en de periode na de onafhankelijkheid.

In 898 stichtte imam Al-Hadi il-al-Haqq Yahya bin Husayn de Zaydi dynastie in Sa'dah die er - met onderbrekingen - tot 1962 aan de macht zou blijven. Later werd het land strijdtoneel tegen de verder opdringende Ottomanen. In 1918 werd Noord-Jemen onafhankelijk van het Ottomaanse Rijk. In 1967 verlieten de Britten het protectoraat Aden dat zij in het zuiden hadden, en dat later Zuid-Jemen werd. In 1990 werden Noord-Jemen en Zuid-Jemen verenigd in de Republiek Jemen.

Geschiedenis van Noord-Jemen[bewerken]

Noord-Jemen, sinds 1918 een onafhankelijk vorstendom onder de sjiitische imam, en vanaf 1926 tevens koning, Yahya ibn Muhammad. De imam regeerde met harde hand als een conservatief en feodaal vorst, maar introduceerde tevens de westerse techniek en wetenschap in zijn land. In de jaren twintig was er een kortstondig grensconflict met de Saoedische koning Abdoel Aziz al Saoed. In 1924 versloeg al Saoed de imam Yahya ibn Muhammad in een oorlog, waarna het grensconflict werd opgelost in het voordeel van de Saoedi's.

Jemen behoort tot de medeoprichters van de Arabische Liga in 1945.

Op 17 februari 1948 kwam koning Yahya om het leven tijdens een mislukte staatsgreep van opstandige officieren. Nadat de staatsgreep een dag later was onderdrukt, volgde de zoon van Yahya, Ahmad Saif al-Islam hem op. Ook deze imam/koning regeerde despotisch, maar moderniseerde zijn land verder.

In 1955 werd er opnieuw een mislukte staatsgreep uitgevoerd door ontevreden legerofficieren. De imam liet de leiders van de couppoging terechtstellen. De imam begreep dat, wilde hij de ontevredenheid van het leger, maar ook van de overwegend soennitische bevolking, wegnemen, hij verregaande hervormingen moest doorvoeren. In augustus 1955 installeerde de koning een kabinet, waarvan hijzelf premier werd. In 1956 werden diplomatieke betrekkingen aangeknoopt met de Sovjet-Unie en richtte de imam zijn aandacht op Egypte, waar president Nasser aan de macht was gekomen. In februari 1958 trad Noord-Jemen als derde land toe tot de Verenigde Arabische Republiek [Egypte-Syrië]. In maart 1962 raakte de imam bij een aanslag ernstig gewond en in september 1962 liet hij het leven.

Op 19 september 1962 werd Muhammad al-Badr de nieuwe imam/koning van Noord-Jemen, maar een week later pleegde de Club van Vrije Officieren een coup en verdreven de imam naar het berggebied. Generaal Abdullah as-Sallal, een lid van de Vrije Officieren, werd Voorzitter van de Revolutionaire Commando Raad en daarmee de facto president van de nieuw uitgeroepen Jemenitische Arabische Republiek. De republiek werd onmiddellijk erkend door de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie en Jemen verkreeg een zetel in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.

Kaart van Jemen

Imam Muhammad al-Badr organiseerde echter met Saoedische hulp het verzet vanuit de bergen. De regeringstroepen van de republiek verkregen steun van Egypte. In 1965 sloten president Nasser van Egypte en koning Faisal van Saoedi-Arabië een overeenkomst en trokken beide landen zich uit Jemen terug. In 1965 vond er tevens een mislukt overleg plaats tussen royalistische en republikeinse afgevaardigden in Harad.

In 1968 trok Egypte zich uit Noord-Jemen terug, waarna de royalisten een grootscheeps offensief inzetten, dat echter door het regeringsleger werd gesmoord dankzij de hulp van de nieuwe republiek Zuid-Jemen (zie hieronder) en de Sovjet-Unie. In 1967 werd imam al-Badr afgezet en vervangen door de royalistische opperbevelhebber prins Muhammad al-Hussein, terwijl in het republikeinse kamp president al-Sallal werd vervangen door generaal Hasan al-Amri. Dankzij de bemiddeling van de Saoedische koning Faisal kwamen de republikeinen en monarchisten in maart 1970 tot een akkoord dat een einde maakte aan de burgeroorlog. De leden van het koningshuis konden naar Noord-Jemen terugkeren en enkele royalisten werden in het kabinet opgenomen. Na de verkiezingen van 1971 werd een Republikeinse Raad geïnstalleerd met als voorzitter Abd al-Rahman al-Iriani, die daarmee staatshoofd werd.

In 1971 ontstond er een conflict met het pro-communistische buurland, de Democratische Volksrepubliek (Zuid-)Jemen. Dit conflict leidde tot een korte grensoorlog in 1972. Noord-Jemen ontving steun van Saoedi-Arabië, terwijl Zuid-Jemen werd gesteund door de Sovjet-Unie. Op 28 november 1972 werd in Libië een vredesverdrag ondertekend en beide partijen beloofden te gaan zoeken naar mogelijkheden om beide landen samen te voegen tot één Jemen. Toch was er in 1973 weer sprake van schermutselingen in het grensgebied.

Bij een coup in juni 1974 kwam kolonel Ibrahim al-Hamdi aan de macht die de Revolutionaire Commando Raad herstelde en daarvan het voorzitterschap op zich nam. De rechtse kolonel al-Hamdi moest in 1977 het veld ruimen voor generaal Ahmad al-Gashmi, omdat al-Hamdi de situatie in eigen land niet meer meester was (o.a. opstand van stamhoofden). Abdul Karim Abdullah al-Arashi was in juni en juli 1978 korte tijd interim-voorzitter van de Revolutionaire Commando Raad, maar werd uiteindelijk opgevolgd door de autoritaire generaal Ali Abdullah Saleh. Saleh werd de eerste president van de republiek en schafte de Revolutionaire Commando Raad af. Hij accepteerde hulp van de Sovjet-Unie, dat 300 adviseurs zond. Tegelijkertijd werden uiterst links (Nationaal Democratisch Front) en de fundamentalisten (Moslimse Broederschap, Islamitisch Front) scherp in de gaten gehouden. In 1980 ontstonden er conflicten tussen communistische milities in het zuiden en het regeringsleger. Saoedi-Arabië, dat zijn wapenleveranties had gestaakt, maar nu weer hervatte - mits het Islamitisch Front niet meer zou worden vervolgd - bewapende het regeringsleger.

Halverwege de jaren tachtig verbeterden de betrekkingen tussen Noord-Jemen en Zuid-Jemen, omdat in dat laatste land de gematigde socialist Haider Abu Bakr al-Attas aan de macht was gekomen.

Op 22 mei 1990 vond er een vereniging plaats tussen de Arabische Republiek (Noord-)Jemen en de Democratische Volksrepubliek (Zuid-)Jemen. Saleh werd voorzitter van een Republikeinse Raad, terwijl de voormalige Zuid-Jemenitische leider al-Attas premier werd. De nieuwe republiek kreeg de naam Arabische Republiek Jemen. Tussen mei en juli 1994 was er een kleine burgeroorlog tussen communisten en het regeringsleger.

Geschiedenis van Zuid-Jemen[bewerken]

Tot 1959 werd Zuid-Jemen (Aden) als kroonkolonie bestuurd door het Verenigd Koninkrijk. In 1959 werden Aden en de omliggende stammen verenigd in een Federatie van Zuid-Arabische Emiraten. Het gebied bleef een protectoraat van de Britten. Inmiddels waren er diverse bevrijdingsbewegingen opgericht, onder andere het Nationaal Bevrijdingsfront van het Bezette Zuid-Jemen (FLOSY) en het marxistische Nationaal Bevrijdingsfront (NLF). De FLOSY verloor steeds meer bevrijd terrein aan het NLF. Op 27 november 1967 riep het NLF de onafhankelijke Volksrepubliek Zuid-Jemen uit en op 29 november 1967 trok het Verenigd Koninkrijk zich terug. Op 30 november 1967 werd de gematigde NLF-leider Qahtan al-Shaabi tot president benoemd en trad het land toe tot de Verenigde Naties en de Arabische Liga. Het land werd opgedeeld in gouvernementen (provincies) teneinde de macht van de plaatselijke sultans (emirs) te breken. Veel sultans vluchtten daarop naar het buitenland (Saoedi-Arabië). In 1968 brak een burgeroorlog uit, toen extreemlinkse ministers hun ontslag aanboden en linkse opstandelingen in het vijfde en zesde gouvernement (provincie) de macht hadden overgenomen en volksraden instelden. Zij eisten dat de volksraden de Opperste Raad zouden kiezen die het land zou gaan besturen. In maart 1968 kwam ook het derde gouvernement in opstand. In 1969 werd president al-Shaabi na een staatsgreep afgezet en kwam een Republikeinse Raad van vijf personen aan de macht die het land ging besturen. Deze raad werd beheerst door extreemlinkse personen. De gematigd linkse Salem Ali Rubayyi werd voorzitter van de raad. In 1969 werden de buitenlandse bedrijven genationaliseerd.

Op de markt in Ta'izz

Hoewel Zuid-Jemen vanaf het begin de republikeinen in Noord-Jemen had gesteund, ontstonden na de burgeroorlog in dat laatste land problemen die leidden tot een grensoorlog (1971). De Vrede van Tripoli maakte in november 1972 formeel een einde aan de oorlog, maar de strijd laaide desondanks in 1973 weer kortstondig op. Naast problemen met Noord-Jemen, had Zuid-Jemen ook problemen met Saoedi-Arabië en Oman. Zuid-Jemen beschuldigde deze landen van 'imperialisme'. Inmiddels verkregen de doctrinaire marxisten steeds meer zeggenschap en werd de positie van de nieuwe (gematigde) voorzitter van de Republikeinse Raad, Ali Nasser Muhammad Husani, onhoudbaar. In december 1978 werd de Republikeinse Raad ontbonden en werd het Presidium van de Opperste Volksraad ingesteld met de radicale pro-Moskou-socialist Abdel Fattah Ismail als voorzitter. Ismail voerde een sterke pro-Russische koers en veranderde de naam van het Nationaal Bevrijdingsfront (NLF) in de Jemenitische Socialistische Partij (YSP), met zichzelf als partijsecretaris. In april 1980 trad Ismail af; formeel om 'gezondheidsredenen', maar in werkelijkheid omdat Ismail Zuid-Jemen in een isolement had gebracht. De gematigde marxist Ali Nasser Muhammad Husani werd opnieuw staatshoofd en werd tevens secretaris van de YSP. President Ali Nasser bracht bezoeken aan Tsjecho-Slowakije en de DDR, met welke landen hij samenwerkingsverdragen sloot.

De betrekkingen met Noord-Jemen bleven slecht, omdat de pro-Zuid-Jemenitische NLF aldaar verwikkeld was in een burgeroorlog met het Noord-Jemenitische regeringsleger.

De pragmatischer wordende buitenlandse politiek van president Ali Nasser Muhammad leidde tot spanningen met bondgenoot de Sovjet-Unie, die wilde dat de president zijn pro-Russische koers van voorheen weer zou oppakken. Toen dit niet gebeurde werd Ali Nasser in opdracht van de USSR als premier afgezet en vervangen door de pro-Russische Haider Abu Bakr al-Attas. Ali Nasser Muhammad bleef president en voorzitter van de YSP. De sinds 1978 in Moskou verblijvende Abdul Fattah Ismail, een voormalige partijsecretaris en voormalig staatshoofd, keerde naar Zuid-Jemen terug. Hij verkreeg de post van 'organisator van het aankomende YSP-Congres' en werd lid van het politbureau van de YSP. Zijn terugkeer in Zuid-Jemen leidde tot de opname van pro-Ismail-elementen in de regering (1985). In januari 1986 kwamen pro-Ismail-elementen in opstand tegen de regering van al-Attas en Ali Nasser Muhammad. Volgens Ismail was Ali Nasser te pragmatisch en te weinig marxistisch. Op 13 januari 1986 riep Ali Nasser het politbureau bijeen, waarna hij zijn lijfwachten opdracht gaf het vuur te openen op Ismail en zijn aanhangers die hierbij om het leven kwamen. De opstand ging echter gewoon door en Ali Nasser vluchtte naar het buitenland. Premier al-Attas wist de situatie meester te worden en beëindigde de kortstondige burgeroorlog. Al-Attas werd president en partijsecretaris. Hij begon direct een op een vereniging met Noord-Jemen gerichte politiek te voeren. De betrekkingen met Saoedi-Arabië werden aangehaald en die met Oman verbeterd. Mede dankzij al-Attas pragmatische koers ten opzichte van Noord-Jemen vonden er besprekingen plaats met de Noord-Jemenitische regering. President Ali Abdullah Saleh van Noord-Jemen en president al-Attas van Zuid-Jemen sloten een akkoord, en op 22 mei 1990 kwam de Arabische Republiek Jemen tot stand. Saleh werd president van de nieuwe republiek, terwijl al-Attas premier werd (tot 1994).