Geschiedenis van Nauru

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De geschiedenis van Nauru is onlosmakelijk verbonden met de winning van fosfaat. Aanvankelijk werd Nauru bewoond door Micronesische en Polynesische volkeren. In de late 19de eeuw werd Nauru geannexeerd door Duitsland en de extractie van fosfaat op het eiland begon in 1906. Na de Eerste Wereldoorlog werd het een door Australië, Nieuw-Zeeland en het Verenigd Koninkrijk beheerd mandaatgebied van de Volkenbond. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het eiland een tijd lang bezet door Japan. Na de oorlog, meer bepaald in 1968, werd Nauru onafhankelijk.

Vroegste geschiedenis[bewerken]

Over de aller-vroegste geschiedenis van Nauru is zeer weinig bekend. Er wordt algemeen aangenomen dat de eerste bewoners van het eiland afkomstig waren van Micronesia, Polynesië en de Marshalleilanden. Niet iedereen is hiervan echter overtuigd, aangezien de taal van het eiland, het Nauru, geen gelijkenis vertoond met de taal van deze andere eilandnaties.

De traditionele gemeenschap van Nauru bestond uit 12 stammen. Twee daarvan stierven uit in de tweede helft van de 20ste eeuw. De Eamwitstam werd beschouwd als de belangrijkste stam van het eiland. Hiertoe behoorde ook de laatste koningin van Nauru. Elke stam had zijn eigen specifieke cultuur.

Duits protectoraat[bewerken]

In 1798 werd Nauru voor het eerst ontdekt door kapitein John Fearn en hij noemde zijn ontdekking Pleasant Island. Vanaf 1830 werd het eiland regelmatig bezocht door walvisvaarders die er hun voorraad insloegen. Sommige Europeanen kwamen er ook wonen en huwden met de lokale vrouwen. Binnen de 50 jaar begon de traditionele gemeenschap, onder invloed van de Europeanen, uit elkaar te vallen. Dit drama eindigde in 1878 met een burgeroorlog tussen de 12 stammen. Tijdens deze oorlog werd maar liefst 40% van de bevolking van Nauru uitgeroeid.

Later werd Nauru toegewezen aan Duitsland (door de Brits-Duitse Conventie van Berlijn). De eerste Duitsers meerden aan in 1888 en noemden het eiland Nauru, en dus niet meer Pleasant Island. In 1899 werd Nauru ondergebracht in het Marshalleilanden-protectoraat en dit bleef zo tot de Eerste Wereldoorlog. Tussen 1887 en 1917 arriveerden er missionarissen vanuit Kiribati. Naast het goede werk van deze mensen gingen hierdoor vele lokale tradities verloren.

Fosfaat[bewerken]

De fosfaatmijnspoorlijn in 1908

Vanaf de 19de eeuw begonnen Europeanen het westen van de Grote Oceaan af te zoeken naar het waardevolle fosfaat. Op de eilanden Peleliu en Angaur werden toen kleine voorraden teruggevonden. Men dacht echter dat er op Nauru niets te vinden was, tot Albert Ellis van de Pacific Islands Company in 1900 fosfaat van goede kwaliteit vond op Nauru en Kiribati. Nauru werd hierdoor of slag een natie die voortdurend bezocht werd door zakenlieden.

De Pacific Islands Company, die later haar naam veranderde in Pacific Phosphate Company, verkreeg in 1901 het recht om de fosfaatvoorraden te gaan exploiteren. Dankzij vele verdragen met de Britten konden de Duitsers hier uiteraard mee van profiteren. Vanaf 1906 werd er fosfaat gewonnen.

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak in 1914, werden de Britten door de Duitsers gedeporteerd naar Ocean Island, waar de Britten vrolijk doorgingen met winnen van fosfaat. In november 1914 kwam HMAS Melbourne naar Nauru en werden alle 23 aanwezige Duitsers gedeporteerd naar Australië en werd het eiland bezet door Australië. De Britse bannelingen konden daarom weer terugkeren naar Nauru en gingen meteen verder met het winnen van fosfaat. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werd Nauru als mandaatgebied toegewezen door de Volkenbond aan Australië, Nieuw-Zeeland en het Verenigd Koninkrijk.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Er werd een bevoegde Australiër aangesteld om het eiland te besturen, terwijl het Verenigd Koninkrijk en Nieuw-Zeeland een stem hielden in de “Board of Administrators”. De drie landen stichtten ook de British Phosphate Commission (BPC). Australië en het Verenigd Koninkrijk hadden elk recht op 42% van het aanwezige fosfaat en Nieuw-Zeeland had recht op de overige 16%.

Op 6 december 1940 lieten de Duitsers vier schepen zinken voor de kust van Nauru. Drie weken later werden de fosfaatmijnen zwaar getroffen door granaataanvallen. In 1942 werd Nauru door de Japanners aangevallen en op 24 augustus gaf men zich over en namen de Japanners Nauru in. In 1943 werden 1200 Naureanen gedeporteerd naar Truk, een eiland van Micronesië (het huidige Chuuk). Hiervan zouden er in 1946 slechts 737 terugkeren naar hun thuisland. De rest stierf voornamelijk van de honger. De Japanners namen ook de fosfaatmijnen over, maar bombardementen van de Amerikanen weerhielden de Japanners ervan om fosfaat te winnen. Op 21 augustus 1945 gaven de Japanners zich uiteindelijk over.

Stichting van de onafhankelijke Republiek Nauru[bewerken]

Marcus Stephen, van 2007 tot 2011 president van Nauru, met de Amerikaanse president Barack Obama en zijn echtgenote Michelle op een receptie te New York City

Na de Tweede Wereldoorlog kwam Nauru onder beheer van de Verenigde Naties te liggen met Australië als besturende macht. De fosfaatmijnen werden terug in gebruik genomen en vanaf 1949 werkten ze terug. In de daaropvolgende jaren ’50 nam de export van fosfaat dan terug toe.

In de 20e eeuw kende Nauru enkele lokale regeringsstructuren. Zij hadden echter niet veel bestuurlijke waarde, maar wisten toch een onbewust verlangen naar de onafhankelijkheid te ontwikkelen. In 1927 werd er op het eiland een Raad van Chiefs gevormd die in 1951 vervangen werd door de Nauru Local Government Council. Aangezien het einde van de fosfaatwinning begon te naderen, bereidde Australië zich voor om de lokale bevolking naar het Australische eiland Curtis Island te laten verhuizen. De Nauruanen waren hier echter niet van gediend en wilden onafhankelijkheid. In 1965 werden er voor het eerst echte wetgevende en uitvoerende machten gevormd op Nauru. Uiteindelijk kwam Nauru in 1967, samen met Australië, Nieuw-Zeeland en het Verenigd koninkrijk overeen dat zij onafhankelijk mocht worden. De Nauru Phosphate Commission kocht de rechten voor fosfaatwinning op en in 1968 werden ze dan eindelijk onafhankelijk. Sindsdien maakt Nauru deel uit van het Britse Gemenebest.

Vanaf de onafhankelijkheid werd de Nauruaanse politiek vooral gedomineerd door president Hammer DeRoburt. Ondanks de grote welvaart die de fosfaatindustrie met zich meebracht, is de natuur en het milieu van het eiland redelijk verwoest. De meeste bomen werden gekapt en het grootste deel van het eiland bestaat uit grijze koraaltoppen. Nauru achtte Australië verantwoordelijk voor deze vernieling en daarom sleepten zij dit land voor het Internationaal Gerechtshof in Den Haag in 1989. In 1993 volgde dan de uitspraak dat Australië meer dan 100 miljoen Australische dollar schadevergoeding aan Nauru moest betalen en ook waren zij verplicht om de Nauruanen hulp te bieden bij het in ere herstellen van het milieu van het eiland. Ironisch genoeg bleef Nauru wel doorgaan met het winnen van fosfaat (welke nog steeds de hoofdoorzaak is van de verwoesting van hun eiland).

In 1995 werd president DeRoburt tijdens de parlements- en presidentsverkiezingen verslagen door Lagumot Harris, maar een jaar later werd hij echter opnieuw tot president verkozen. In 1997 was Kinza Klodimar president van Nauru.

In 1999 stond het parlement wantrouwig tegenover de toenmalige president Dowiyogo, naar aanleiding van een financiële crisis die in verband stond met de slinkende exportopbrengsten. Daarom werd Rene Harris als zijn opvolger gekozen. In november van dat jaar besloten internationale banken het betalingsverkeer met Nauru, Vanuatu en Palau te staken omwille van de verdenking van witwaspraktijken (die gesteund werden door bendes uit Rusland en Zuid-Amerika).

In september 2001 nam Nauru enkele honderden vluchtelingen op die op het Noorse schip Tampa en het Australische schip Manoora verbleven. Australië weigerde om deze vluchtelingen op te nemen, en daarom bood Nauru haar diensten hiervoor aan. In ruil voor deze opvang leverde Australië brandstof en generators aan het eiland en werd er eveneens een uitstaande schuld van Nauru aan Australië kwijtgescholden. De vluchtelingen waren afkomstig uit Afghanistan, Bangladesh en Irak en zouden vanaf 2004 beginnen terug te keren naar hun land van herkomst. In 2002 brak er een opstand uit onder de vluchtelingen die op Nauru zaten. Hierdoor viel de regering van Harris in 2003 en als gevolg hiervan werd hij dan ook afgezet. Hij zou er in 2004 echter opnieuw in slagen om president te worden, maar zou al snel terug vallen door een nieuwe motie van wantrouwen.