Geschiedenis van Palestina (regio)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Voor de geschiedenis van de moderne staat Israël die in 1948 in Palestina gesticht werd, zie Geschiedenis van Israël.
Voor de geschiedenis van de Palestijnse gebieden sinds de onafhankelijkheid van Israël, zie Geschiedenis van de staat Palestina.

Dit artikel beoogt een overzicht te geven van de geschiedenis van de regio Palestina.

Palestina kan worden gedefinieerd als het zuidelijk deel van de Levant. Dit is al vanaf de prehistorie een druk doorgangs- en verblijfsgebied geweest van stammen en volkeren van diverse origine. In deze regio zijn daardoor herhaaldelijk verschillende culturen met elkaar in botsing gekomen. Tezelfdertijd was het gebied in veel opzichten een smeltkroes, waar de verworvenheden van de omringende culturen op elkaar inwerkten.

Het gebied ligt op de overlappingszone van vier oude culturen: de Mesopotamische in het oosten, de Anatolische in het noorden, de Minoïsche in het westen en de Egyptische in het zuiden. Deze cultuurgebieden hebben grote invloed op de gebeurtenissen in Palestina uitgeoefend, wat leidde tot het opkomen en verdwijnen van verschillende rijken en stadstaten.

Inhoud

Grondgebied en bevolking[bewerken]

De Levant: Syrië en Palestina.

Begrenzing[bewerken]

In de oudste, breedste, niet-politieke zin wordt hiermee 'het oude Palestina' aangeduid, een landstreek in het oude Kanaän die thans Israël en de Staat Palestina omvat, benevens delen van Jordanië, Syrië en Libanon. Zo opgevat lopen Palestina's grenzen van de Libanese kustplaats Sidon oostwaarts richting Damascus, naar het zuiden tot aan de Golf van Akaba, en dan in noordwestelijke richting naar Rafah aan de Middellandse Zee. Het heeft talloze namen gehad in zijn vele millennia lange geschiedenis, waarvan Kanaän de oudst bekende is. Etnisch en politiek werd het gebied al gauw een onsamenhangend geheel vanwege de doortocht en intocht van meerdere volken. Maar die deelden wel voldoende gelijkenis in hun taal en hun cultuur om allen bij elkaar als Kanaänieten te worden beschouwd, al dient gezegd dat de heterogeniteit toenam naarmate de geschiedenis in dit gebied voortgang vond, en dat conflicten er nooit echt van de lucht zijn geweest.

Culturele context[bewerken]

Vanouds was het gebied, dat met "Kanaän" wordt aangeduid, variërend in omvang, maar altijd gelegen op het kruispunt van een groot cultureel netwerk, waarvan de hoofdpolen zich bevonden in Mesopotamië, Anatolië, het Oude Egypte en Minoïsch Kreta. Naarmate deze gebieden zichzelf ontwikkelden fungeerde Kanaän steeds meer als doorgangsgebied, en onderging het de invloed van al deze evoluerende culturen. Bovendien waren er vanouds rondtrekkende nomaden, die zowel handelsproducten als cultuurgegevens meevoerden. Verder stroomde op zeker moment omstreeks 2500 tot 2300 voor Chr. een golf van Indo-Europese volken, via de Kaukasus naar het zuidwesten en overspoelde uiteindelijk ook Kanaän.

Periodisering[bewerken]

De geschiedenis en prehistorie van Palestina kunnen in de volgende perioden worden onderverdeeld:

Hoofdperiode Periode Jaartallen Opmerkingen
Paleolithicum
2,5 miljoen jaar – ~18.000 v.Chr.
Opper Paleolithicum 25.000 – 10.000 v.Chr.
Mesolithicum
~18.000 - ~8000 v.Chr.
Neolithicum ~8000 – ~4500 v.Chr.
Chalcolithicum ~4500 - ~3500 v.Chr.
Bronstijd Vroege Bronstijd ~3500 - ~2000 v.Chr.
Midden-Bronstijd ~2000 - ~1550 v.Chr.
Late Bronstijd ~1550 - ~1200 v.Chr.
IJzertijd IJzertijd I ~1200 - ~900 v.Chr.
IJzertijd II ~900 - 586 v.Chr.
Babylonische tijd 586 - 539 v.Chr.
Perzische tijd 539 - 332 v.Chr.
Hellenistische tijd 332 - 63 v.Chr.
Romeinse tijd 63 v.Chr. - 324 n.Chr.
Belangrijkste gebieden en steden in en rond de regio.

Paleolithicum[bewerken]

Ongeveer twee en een half miljoen jaar geleden begon op aarde een periode van ijstijden, afgewisseld door warmere perioden.

Homo erectus was de eerste hominide die Afrika verliet en zich op andere continenten begon te vestigen. Volgens vele onderzoekers beheerste Homo erectus het vuur.

Mesolithicum[bewerken]

Het Mesolithicum wordt geacht in Palestina rond 18.000 v.Chr. te beginnen.[1] Sommige archeologen gebruiken liever de term 'Epipaleolithicum'.[2] In Zuidwest-Azië vond in dit tijdvak een van de allerbelangrijkste ontwikkelingen in de geschiedenis van de mens plaats: de overgang naar een maatschappij van boeren en herders.

Het staat vast dat het klimaat in de regio aan het begin van deze periode aanzienlijk verschilde van het tegenwoordige. In ieder geval was het aanmerkelijk kouder. Er bestaan echter verschillende opvattingen waar het de jaarlijkse hoeveelheid neerslag betreft. Sommige geleerden menen dat er destijds meer regen viel. Recente metingen en analyse van zuurstofisotopen in grotten hebben deze opvatting echter in twijfel doen trekken. Sindsdien is een substantiële groep klimatologen van mening dat het klimaat destijds juist aanzienlijk droger was.

Rond 13.000 v.Chr. veranderde het klimaat: het werd warmer en de hoeveelheid neerslag nam toe. Wilde tarwe gedijde uitstekend in dit klimaat.

De zeespiegel lag beduidend lager dan tegenwoordig. De huidige Golf van Suez en de Golf van Akaba waren land, zodat de Sinaï destijds geen schiereiland was. Volgens Noll lagen er meren in de Negevwoestijn. De Dode Zee, het Meer van Tiberias en de vallei van de Jordaan zouden deel hebben uitgemaakt van een groot zoutwatermeer, het Lisanmeer. Gedurende het Mesolithicum werd het meer kleiner; de Jordaanvallei kwam boven water te liggen. Spoedig vestigden zich hier mensen.[1]

De groep mensen in het gebied rond het zich terugtrekkende Lisanmeer wordt de Natufische cultuur genoemd. Opmerkelijk is dat zij al vóór de ontwikkeling van de landbouw leefden in permanente nederzettingen, en geen nomadisch bestaan leidden. In zo'n nederzetting leefden naar schatting ongeveer 100 mensen, soms nog minder. De Natufiërs hielden honden als huisdier en leefden van de jacht op gazellen, hazen en vogels. Nadat het klimaat vochtiger was geworden en tarwe zonder menselijke bemoeienis spontaan op de heuvels begon te groeien, veranderde hun voedingspatroon. Door de rijpe zaden te oogsten konden de Natufische gemeenschappen grotendeels in hun voedsel voorzien.
Archeologisch feit is dat vanaf 9000 v.Chr. in Jericho al een eerste sedentaire laag is vastgesteld van een nederzetting waarvan het technisch niveau vergelijkbaar is met dat van Çatal Hüyük in Anatolië. Deze behoort tot de Natufische cultuur die zich uitstrekte over het Mediterrane deel van de Levant. De Natufiërs waren waarschijnlijk de voorouders van de bouwers van de eerste neolithische nederzettingen in dit gebied.

Al was de bodem er niet zo vruchtbaar, het regende veel in dit gebied met maritiem klimaat tot circa 5000 v.Chr.. Daarom kwam er toch landbouw op gang op de bergflanken. Naarmate het minder ging regenen verplaatste de landbouw zich naar de valleien. Muren rond de vroege nederzettingen zoals Jericho waren zo een bescherming tegen overstroming en tegen vijanden.

Neolithicum[bewerken]

Met het ontstaan van landbouw begint het Neolithicum. Deze 'uitvinding' was in veel opzichten een mijlpaal, zowel in de geschiedenis van de mens als in die van onze planeet.
Er kan overigens nauwelijks voldoende benadrukt worden dat het ontstaan van landbouw een geleidelijke ontwikkeling was, die vele generaties in beslag nam.

Rond 5600 v.Chr. doorbraken de wateren van de Egeïsche Zee de Bosporus; de Zwarte Zee ontstond.

Gedurende het Neolithicum week het klimaat in Palestina nog steeds af van het huidige. Er viel niet alleen meer regen, het regende ook in alle seizoenen. Tegenwoordig valt er in de zomer doorgaans heel weinig regen.

Neolithische revolutie[bewerken]

Emerkoren.

Emmertarwe, een tarwesoort, was het eerste gewas dat gedomesticeerd werd. In deze streken groeide het emerkoren van nature. De oudste bewijzen van landbouw zijn koolstofdateringen van emerkoren die gedateerd zijn op ~8500 v.Chr..
De nieuwe wijze van voedselvoorziening was een succes en leidde tot bevolkingsgroei. Nederzettingen verschenen parallel in het hele gebied waar destijds de landbouw werd ontwikkeld, ook in Anatolië en Mesopotamië en spoedig ook in de aangrenzende gebieden, vanwaar zaaigoed werd meegenomen door migranten. Zij zouden kolonies stichten op de eilanden (Cyprus, Santorini, Minoïsch Kreta) en ten slotte ook op het vasteland van Griekenland en de Balkan.

Ook de pottenbakkerskunst werd door de stamvrouwen beoefend en verbeterd. Bovendien ontwierpen zij een systeem om de potten te merken, zodat men wist welk zaaigoed waar en voor wie werd bewaard. De mannelijke leden van de samenleving gingen nog geruime tijd voort met jagen en met visvangst. Zij kwamen slechts sporadisch te hulp in het huishouden en in de bijbehorende land- en tuinbouwwerken. Pas toen de technieken nog verbeterd werden en de ploeg werd ontworpen, was het aan de mannen om de zwaardere klussen te helpen klaren.

Nederzettingen[bewerken]

Doordat er meer monden gevoed konden worden, namen de nederzettingen in omvang toe. Veel dorpen waren aanzienlijk groter dan de nederzettingen van de Natufische cultuur. Ten noordoosten van de Dode Zee is een neolithisch dorp opgegraven, 'Ain Ghazal, dat naar schatting zo'n 2000 inwoners telde.[3] Jericho was nauwelijks kleiner.

Van 8350 tot 7370 v.Chr. was Jericho al een nederzetting van 4 hectare, omringd door een stenen muur, met een stenen toren. Voor zover bekend is dit de eerste keer dat een dergelijk versterkt bolwerk werd gebouwd. De 'stadsmuur' omringde kleine, ronde huizen van kleisteen. De geringe omvang van de huizen is reden om te denken dat er in één huis slechts één gezin leefde: ouders met hun kinderen.
Er zijn in Jericho ook gedomesticeerde graansoorten en restanten van de jacht op wild gevonden. Men spreekt hier van het 'prekeramisch neolithisch A'.

In de lagen van 7220 tot 5850 v.Chr. vonden archeologen in Jericho een uitgebreide verzameling gedomesticeerde planten en tekenen van mogelijke domesticering van schapen. Er is ook sprake van een cultus waarbij menselijke doodshoofden werden bewaard, waarvan in sommige gevallen de gelaatstrekken en ogen gereconstrueerd zijn. Deze periode wordt Prekeramisch neolithisch B genoemd.

Archeologen hebben ontdekt dat grotere nederzettingen op zulke afstanden van elkaar werden gevestigd, dat men vanuit de ene de andere net niet kon zien. Dit impliceerde dat het zichtbare omringende gebied bij de vestiging hoorde. Dergelijk systeem werkte goed in heuvelachtig landschap, waar de vestiging in principe telkens centraal in een kom lag. In grotere vlakten zou terreinafbakening problematischer zijn.

Handel en contacten[bewerken]

In 7000 v.Chr. trokken handelaars rond via de vanouds bekende routes. Kanaän werd doorgangsgebied voor handel via nomaden. Het sloot aan op de oude karavaanroutes en de zijderoutes. Er waren op die manier indirecte contacten met Mesopotamië, Elam en de Indusvallei (via Dilmun)

Via verbeterde vissersboten werden blijvende contacten onderhouden tussen de eilanden, ook de Cycladen die de een na de ander werden bevolkt, en gelijktijdig ook het vasteland.

Het feit dat Jericho al vroeg ommuurd werd met zelfs een uitkijktoren wijst erop dat de nederzetting zich moest beschermen, iets wat bijvoorbeeld bij Çatal Hüyük niet nodig bleek. Dit kan erop wijzen dat de relatief smalle strook van Kanaän nog steeds doortochtgebied was van rondtrekkende horden die zich eventueel aan de opgeslagen rijkdommen zouden vergrijpen.


De 'Vruchtbare Halvemaan'[bewerken]

Situering van de Vruchtbare Sikkel

De door de Obeidcultuur gemaakte artefacten zijn langs de hele kust van Arabië gevonden, waaruit de groei van een handelssysteem bleek, dat zich uitstrekte vanaf de Middellandse Zee tot Oman.

In de Vruchtbare Sikkel (ook Vruchtbare Halvemaan) was er in deze tijd een algemene toename van het aantal nederzettingen. Deze waren sociaal geordend rond of nabij een gemeenschappelijke cultusplaats, waar ook de voorraden werden beheerd, zoals zaaizaad, olie, grondstoffen voor pottenbakken en textiel, enz. Aan het hoofd van deze ‘heiligdommen’ stond een clanmoeder, die een aantal helpsters en helpers ter beschikking heeft. Zij was degene die de hemel afspeurde naar tekenen die aangaven wanneer de tijd voor zaaien en planten gekomen was. En bij haar culmineerde alle kennis omtrent deze planten en het gebruik ervan. Zij was degene die werd geraadpleegd door jong en oud, en die het werk regelde en verdeelde, samen met de nodige middelen. Haar rol raakte stilaan geïdentificeerd als zichtbare aanwezigheid van de oermoeder, die vanouds alle leven geeft en neemt en de natuur regelt.

Voor de onzichtbare moedergodin werd een zichtbare verblijfplaats met zeker aanzien gemaakt, aanvankelijk in hout en met kleitegels. Deze heiligdommen waren de eerste tempels, waarvan de grotere later met houten zuilen werden omgeven om het zware houten dak te stutten, dat zodoende op de wanden rustte zonder deze uit elkaar te duwen. Deze daken waren geïnspireerd op een boot die werd omgekeerd. De heiligdommen werden versierd met kleipanelen die beschilderd werden met mythische taferelen. Ook de zuilen werden waarschijnlijk al van canneluren voorzien om beter een bezetting met kleireliëfs te kunnen dragen. Later zouden een aantal van deze houten tempels geleidelijk in steen worden omgebouwd. Naar oud gebruik werd er altijd een asherah bij het heiligdom geplant. Deze levensboom was het symbool van de vruchtbare godin zelf geworden. In de tempel werd tijdens bepaalde plechtigheden een tak met vruchten van de sycamorevijg bij wijze van communie doorgegeven [4].

In de omgeving van Jericho zijn graven uit de steentijd ontdekt waarin de lijken in foetushouding waren geborgen. Ze bleken in feite tweemaal te zijn bijgezet. Eerst waren ze ontvleesd (mogelijk door ze aan gieren bloot te stellen) en werden de knoken bijgezet. Na enige tijd werd het graf opnieuw geopend en de schedel weggehaald en kunstig bewerkt. In de oogkassen werden kaurusschelpen uit de Rode Zee geplaatst. De onderkaak werd niet meegenomen. Schedels waren vaak versierd met juwelen, wat kan wijzen op een vooroudercultus.

Aphrodite en Adonis.
Roodfigurige aryballos-vormige lekythos uit Attika door Aison, ca. 410 v.Chr, Musée du Louvre.

Statuut van de priesteres[bewerken]

De priesteres van de tempel kreeg meer en meer het statuut van ‘meesteres’ en zij werd ook zo genoemd (‘Baälat in het Kanaänitisch). Zij koos zich een jonge krachtige kandidaat om voor nageslacht te zorgen en haar oudste dochter zou haar functie overnemen als ze er zelf te oud voor geworden was. Dan werd ook een nieuwe Baäl gekozen. De functie van de Baäl was ondergeschikt, hij kreeg meestal enkel verantwoordelijkheid als jachtopzichter of iets dergelijks. Het gebeurde ook regelmatig dat hij werd vervangen, indien niet aan de verwachtingen werd voldaan (zoals het zorgen voor nageslacht). Gedurende een zekere periode zou de Baäl zelfs jaarlijks zijn geofferd aan de Godin. Het volk wou kennelijk voorkomen dat hij zou complotteren, en men geloofde dat hij - zoals het zaad - moest sterven en in de grond gestopt worden om vernieuwd tevoorschijn te komen in de gedaante van een jongeman, de zoon-gemaal, die dan op zijn beurt als echtgenoot aan de Baälat werd geschonken.

Fresco uit Minoïsch Knossos met ‘stierenspelen’.

Later in het Neolithicum is het offer van de goddelijke koning omgezet in het offeren van een kostbare stier. Het mocht tenslotte ook een gouden kalf zijn. Nog later, toen het feest zich over de massa uitbreidde, werd het een schaap of lam. Intussen was echter ook de symboliek rond de stier ontstaan, die we van Mesopotamië over Anatolië tot Egypte, en later ook in Minoïsch Kreta overal zien vertegenwoordigd. Voor de koninklijke gemaal zelf waren er intussen regeneratierituelen ingesteld, waarbij deze zijn viriliteit en potentie moest bewijzen in een aantal prestaties om zich tenslotte met de vertegenwoordigster van de Godin zelf te verenigen in een hieros gamos. Het ritueel breidde zich al gauw over de hele leefgemeenschap uit, waarbij tempelpriesteressen en dienaren wilden bijdragen tot de opperste ervaring van de zalige deugden van het goddelijke.

Culturele ontwikkeling[bewerken]

Kanaänitisch zuilmodel.

In en nabij de tempel werd de jongeren geleerd respect op te brengen voor de waarden van de samenleving, de Kanaänitsche mythen te leren kennen, en zich te bekwamen in allerhande noodzakelijke vaardigheden. Op een open plein, meestal aan de westkant van het tempelmagazijn was er ook ruimte voor bijeenkomsten die tot zonsondergang konden duren. Deze hadden tegelijk een utilitair of amusementskarakter maar waren ook religieus van aard. Bij bepaalde gelegenheden die overgangsmomenten in de landbouwcyclus of in de samenleving kenmerkten, werd er gefeest. Jongeren haalden er halsbrekende krachttoeren uit met de te offeren stier. Maar het was ook nog altijd de plaats om bijeen te komen voor het verzamelen en herverdelen van levensmiddelen zoals zaaigraan, onder toezicht van de tempel. Latere paleizen (zoals dat van Knossos, maar ook in Syrië) appelleren aan deze organisatievorm in hun architectuur en in sommige overgebleven fresco’s.

In de grote vrije natuur tussen de nederzettingen was ruimte voor jacht en veehouderij. Voornamelijk schapen en geiten werden als eerste gedomesticeerd. Ook de oeroude verbindingswegen bleven daar behouden voor grotere karavanen van trekkers die vee, grondstoffen en afgewerkte goederen uitwisselden tussen nabije en verdere nederzettingen. Dit net van begaanbare paden, sloot feilloos aan op wat de zijderoutes zouden worden en ook op de waterroutes, zowel over de rivieren als over zee.

Vanaf het vierde millennium leidde de ontwikkeling van de landbouwgemeenschappen overal tot aaneengroei in grotere nederzettingen. De grootste of meest bezochte werden geleidelijk omgevormd tot steden. Hun gemeenschappelijke infrastructuur was uitgebreider en geavanceerder. Ze kregen vaak grotere tempels, die eventueel door meerdere nederzettingen in de omgeving werden benut.

Rond deze tijd werd ook het zeil ingevoerd. Daarmee werden de rivieren belangrijke verkeersaders en was uitwisseling van cultuur en goederen over grotere afstanden mogelijk. Dit leidde tot relatieve harmonisering van de culturele verworvenheden in de wijdere omgeving van Egypte tot Anatolië, Mesopotamië en het er tussenin liggend Kanaänitisch gebied.

De Mesopotamische cultuur was nadrukkelijk aanwezig in Susa en in Syrië en Anatolië in deze zogenaamde Urukperiode. Via rolzegels werden de eerste pictogrammen als herkenningsteken afgedrukt op kleitabletten, die met een touwtje aan potten werden gehangen. Mede door de groeiende handel met het Middellandse Zeegebied, de Levant, Klein-Azië en het gebied langs de Perzische Golf, en de daardoor noodzakelijk geworden documentatie en administratie, ontstond aan het eind van het Neolithicum het schrift.

Chalcolithicum[bewerken]

Met de ontwikkeling van metaalbewerking begint het Chalcolithicum, ook Kopertijd genoemd. In Voor-Azië is dit de laatste fase van de prehistorie.

Koper is tamelijk zacht en komt niet in grote hoeveelheden in de grond voor. Er werden hoofdzakelijk sieraden en voorwerpen bestemd voor religieuze plechtigheden van gemaakt. De meeste gebruiksvoorwerpen waren nog steeds van hout of steen.

De vraag naar koper stimuleerde de handel, in het bijzonder de langeafstandshandel. De geëxploiteerde kopermijnen lagen op grote afstand van de meeste centra van menselijke beschaving. Koper was daardoor bij uitstek een luxeartikel en een teken van hoge status; alleen de elite slaagde erin het te bemachtigen. Krijgers beheersten de handel in koper. Aldus droeg de nieuwe techniek bij aan een proces van toenemende sociale stratificatie.

Ook in Palestina is de sociale differentiatie aangetoond. In deze periode ontstonden grotere dorpen die de kleinere omringende dorpen aan zich ondergeschikt maakten. De Engelse literatuur spreekt van chiefdoms.

Bronstijd[bewerken]

De Bronstijd dankt zijn naam aan de ontwikkeling van een nieuwe technologie: het maken en bewerken van brons. Brons wordt vervaardigd door een kleine hoeveelheid tin aan koper toe te voegen. Het voordeel van brons is dat het harder is.
Verreweg de belangrijkste 'uitvinding' van deze periode was de ontwikkeling van het schrift rond 3200 v.Chr.. Het oudste schrift verschijnt min of meer gelijktijdig in twee gebieden: in Mesopotamië en in Egypte. De ontwikkeling van het schrift was het logisch gevolg van een ontluikende bureaucratie in deze cultuurgebieden.

Vanuit Ugarit waren al vroeg handelscontacten gelegd met Cyprus, waar men koper vandaan haalde, en ook met de verder weg liggende Cycladen. Ook Kreta was inmiddels door mensen gekoloniseerd. Intussen zijn de contacten tussen Mesopotamië, Anatolië, Syrië en Egypte toegenomen.
Ook met Anatolië werden in de Bronstijd de contacten aangehaald. Men haalde in de bergen van de Taurus obsidiaan voor spiegels, en tin om met koper tot brons te mengen. Dit werd waarschijnlijk via Cyprus aangevoerd, dan wel via Ugarit.
Aan het einde van het vierde millennium blijkt Jericho, dat vanuit het stroomgebied van de Eufraat via de Jordaan goed bereikbaar is, een ommuurde stad, die voortaan onafgebroken bewoond wordt. Vanwege haar ligging werden er grote voorraden en kostbaarheden opgeslagen om verder verhandeld te worden.

Na een klimaatverandering begonnen Indo-Europese nomaden vanuit het noorden de Levant binnen te dringen.

Levant close.PNG

Vroege Bronstijd (~3500 - ~2000 v.Chr.)[bewerken]

Terwijl op Kreta de Minoïsche beschaving bloeide en er vanuit dit eiland, als naaf in een wiel, voortdurend overzeese contacten waren met de wijde omgeving van de Middellandse zeekusten, waren ook in de Levant een aantal steden opgekomen. Vermoedelijk was er daarbij ook sprake van culturele uitwisseling.
Op Kreta werd een slangengodin vereerd. In het Kanaänitische Beet She'an bevond zich een tempel voor Ashtoreth, waar archeologen een slangenkoker en Astarteplaketten hebben opgegraven uit dezelfde tijd. Ook Byblos had een grote tempel die aan de godin was toegewijd. Uit deze periode dateren ook in Taänach gevonden slangenhoofden en een klein figuurtje dat een slang vasthoudt. Daar werd eveneens een bronzen figuur van Attoret gevonden met de inscriptie dat de godin er orakels gaf door met de vinger te wijzen. In Bet Shemesh vonden archeologen kruiken met slangen en een godinnenbeeld met een slang rond zich gedraaid. De Oerslang was zelf een voorstelling van de natuur van de moedergodin.

Gedurende de Vroege en Midden-Bronstijd gingen Syrië en Palestina ieder hun eigen weg. Palestina was gedurende een aantal generaties vrijwel onbewoond. Gedurende de Vroege Bronstijd verschenen er migranten uit het noorden. Het gebied bleef dunbevolkt en nam nauwelijks deel aan de internationale handel. Alleen met Egypte was er regelmatig contact.
Er zijn uit deze periode in Palestina nauwelijks schriftelijke bronnen overgeleverd. Palestina verkeerde nog in de prehistorie. Het gebied bestond uit ongeveer twintig kleine stadstaten. Slechts enkele steden hadden meer dan 2.000 inwoners. De belangrijkste Palestijnse steden waren Megiddo, Laish[5], (het latere Dan), en Ai.

Handel en culturele uitwisseling[bewerken]

Als we Herodotos willen geloven zouden in Fenicië rond 2750 v.Chr de eerste steden zijn gesticht. Navolging van de bloeiende stadstaten in Mesopotamië kan deze ontwikkeling hebben beïnvloed. Sidon was vanaf 2700 v.Chr. de oudste Fenicische stad naast Baalbek en Tyrus. Dit waren alle havens van het mediterrane handelsrijk. Tyrus, dat uit dezelfde tijd stamt, was eveneens een latere havenstad van de Feniciërs. Er bevond zich een Ashtart-tempel in Sidon.

Transport per boot van Libanees cederhout naar Mesopotamië (uit het paleis van Sargon II, eind 8e eeuw v.Chr.).

Aan de kust van Syrië waren rond 2500 een aantal van deze steden tot bloei gekomen; zij speelden een belangrijke rol in de internationale handel. Gedurende het Oude Rijk vond op grote schaal vreedzame uitwisseling van goederen en cultuur plaats met Egypte via de steden Askalon en Byblos.[6] In de Vroege Bronstijd was Byblos de belangrijkste havenstad van de Levant. Van daaruit werd vooral veel cederhout naar Egypte verscheept; aangezien er in Egypte zelf weinig bomen met goed timmerhout groeiden, was dit daar een gezocht artikel. Tijdens de tweede dynastie (~2853 - ~2707) waren de kuststeden min of meer Egyptische kolonies. Ook met Mesopotamië was er een levendige handel, vooral in metaal.

Volksbewegingen en vazalsteden[bewerken]

Vanaf 2500 treedt er een kentering op in de rustige vreedzame levenswijze in en rond Kanaän. Vanaf nu merkt men toenemende volksbewegingen op in en naar de regio, en pogingen vanuit Egypte om het gebied voor zichzelf veilig te stellen en de handelsrelaties veilig te stellen.

De stadskoningen (intussen ‘’Baäls’’ genaamd), werden vanaf de 4e Dynastie van Egypte (2639 - 2504 v Chr.). vazallen van farao’s als Snofroe. Deze laatste ondernam op zeker moment een strafexpeditie tegen Libische stammen, waarbij honderden Libiërs gevangen werden genomen, omdat een ‘’Baäl’’ blijkbaar niet aan zijn voorwaarden voldeed. Iets gelijkaardigs gebeurde daarna meerdere malen. Teti, Farao van de 6e Dynastie van Egypte (2347-2335 v.Chr.), (en veel later ook Merenptah en Othoes) stuurden expedities naar Kanaän. In Byblos zijn sporen van hem gevonden.

Volgens professor Seton Lloyd "schijnt er omstreeks 2300 voor Chr. een golf van Indo-Europese volken, die een dialect spraken dat als Luwisch bekendstaat, over Anatolië heen gespoeld te zijn"... ”Hun voorttrekken werd gekenmerkt door wijdverbreide destructie".[7] Tussen 2300 en 2100 ontstaat ook een migratiegolf van Semieten naar het noordelijke deel van Kanaän dat later Fenicië zou worden, waarbij twee volken mengden[8]. Het is in dezelfde periode, rond 2100 v.Chr. dat Myceense Indo-Europese stammen Griekenland binnenvielen. Deze Achaeërs drongen door tot de Peloponnesos en stichtten er de steden Mycene, Tiryns en Pylos, met kolossale burchten en muren.

Op de kuststrook van Kanaän vestigden zich een honderdtal jaren later de Filistijnen. Zij onderhielden nog sterke banden met het Minoïsch Kreta en Cyprus[9].

Sumerische godin, fragment van een stèle uit ~2120 v.Chr.

De moedergodincultus was bij hen algemeen verbreid zoals overal rond het Middellandse Zeegebied, ook de cultus van de slangengodin, die later zou worden voorbijgestoken door die van de oorlogsgod Dagon.

Midden-Bronstijd (~2000 - ~1550 v.Chr.)[bewerken]

Tijdens de Midden-Bronstijd kwamen een aantal stedelijke centra in Palestina plotseling tot bloei. Deze opbloei houdt vermoedelijk verband met invloeden uit Egypte tijdens het Middenrijk en de periode van de Hyksos. Ook de invloed van Fenicië was groot in deze periode.

Tijdens het Middenrijk voerde Egypte een op expansie gerichte politiek. De twaalfde dynastie probeerde Nubië te veroveren omdat het rijk was aan goud, koper en rundvee. Ook in Syrië werden veldtochten gehouden. Ook in deze periode was het bemachtigen van het cederhout uit Libanon hiervan de belangrijkste drijfveer. Andere gewilde producten uit Syrië waren wierook, olie en wijn. Met de stad Byblos en andere stadstaten werden diplomatieke contacten onderhouden.

Inscripties daterend uit de negentiende eeuw, geschreven in wat lijkt op Proto-Sinaïtisch schrift, zijn gevonden in Opper-Egypte. Het Proto-Sinaïtische schrift is in gebruik gebleven tot ~1100 v.Chr.

Vanaf 1800 v.Chr. is er sprake van Amorieten die nu deel uitmaken van de bevolking in Kanaän. Toen de Amorieten de regio waren binnengevallen veroorzaakte dat grote omwentelingen. Steden raakten verlaten en geheel vernield, en de rondzwervende indringers gingen zich op hun beurt vestigen. Zo waren er nieuwe ommuurde steden verrezen met stamhoofden die in forten leefden, terwijl de half-nomadische stamleden zich daar in hutten of tenten rondom schaarden, en als er gevaar dreigde het fort binnen vluchtten.

De invloed van de Filistijnen blijkt uit laat-17e eeuw v.Chr. daterende Astarteplaketten die gevonden werden in Tel Beit Mersim en van hen afkomstig zijn. Ook een godin met een slang, en een zuil met godin en slang in reliëf, die er werden gevonden, zijn van dezelfde tijd als het beeld van de slangengodin uit Knossos[10]. Zij wijzen eens temeer op de verwantschap met de Minoïsche cultuur.

Hyksos; verwoestingen[bewerken]

Rond 1750 v.Chr. brak in Egypte een periode van politieke desintegratie aan. Semitische migranten uit het oosten drongen de delta binnen om er zich in aanzienlijke aantallen te vestigen. De invallers introduceerden in Egypte het paard en de strijdwagen, nieuwe wapens en een nieuw soort boog. Mede door hun aantal waren zij een macht van betekenis; hun aanwezigheid bracht in Egypte op termijn buitenlandse heersers aan de macht.
Rond 1640 v.Chr. werd de dertiende dynastie omvergeworpen door een groep van deze Hyksos, de Griekse vorm van de Egyptische woorden heqaw khasut, 'heerser van vreemde landen'. De Hyksos maakten Avaris in de oostelijke delta tot hun hoofdstad. De vijftiende dynastie van deze Hyksos werd gesteund door prinsen en vazallen die in Neder-Egypte tot de zeventiende dynastie zouden heersen. Opper-Egypte ten zuiden van Memphis maakte geen deel uit van hun machtsgebied. Avaris speelde een belangrijke rol bij de handel met zuidelijk Palestina, dat vermoedelijk ook door de Hyksos werd geregeerd. Ook met Cyprus, Kreta en Griekenland werden door hen contacten onderhouden.
Veel later zou ook farao Ramses II zijn hoofdstad naar de oostelijke delta verleggen.

In Kanaän werd rond 1580 v.Chr. de stad Jericho belegerd en nu geheel verwoest. Ook andere steden werden verwoest. Enkele christenfundamentalisten meenden hier Jozua en het volk Israël aan het werk te zien, hoewel een dergelijke datering niet strookt met de Bijbelse chronologie. Een deel van de verwoestingen is ongetwijfeld het werk van Egyptische legers; Egypte begon aan het eind van de Midden-Bronstijd immers de verovering van Palestina en Syrië na te streven.[11]
De Engelse archeologe Kathleen Kenyon[12] heeft dankzij archeologische verbeterde stratigrafie methoden de ruïnes van de wallen van de stad Jericho in 1550 v.Chr. gesitueerd.

Late Bronstijd (~1550 - ~1200 v.Chr.)[bewerken]

Tussen ~1650 en ~1550 werden de meeste steden in Palestina verwoest. Dit had verschillende oorzaken. Gedurende de Late Bronstijd was de regio een speelbal in de strijd tussen de grootmachten. In het noorden had het koninkrijk der Hittieten zich tot een sterke militaire macht ontwikkeld. In noordelijk Mesopotamië lag het rijk Mitanni, een Indo-Europees vorstendom met een aristocratie die bedreven was in de oorlogvoering met de strijdwagen. De sterkste macht was Egypte, dat onder de achttiende en negentiende dynastie het hoogtepunt van zijn macht bereikte.

Er waren een aantal redenen waarom de grootmachten probeerden Syrië en Palestina te veroveren. Enerzijds waren dat de natuurlijke hulpbronnen van het gebied: het cederhout uit Syrië, de olie en wijn van Palestina en de kopermijnen in de Negevwoestijn. Anderzijds speelden strategische overwegingen een rol: het gebied lag tussen de grootmachten in.
Voor Palestina waren de effecten van de buitenlandse overheersing vooral negatief. Belasting en tribuut deden de welvaart afnemen. Daarnaast werden sommige bewoners tot slaaf gemaakt of gedeporteerd.

De grootmachten: Egypte, Mitanni en de Hittieten[bewerken]

Het Rijk der Hittieten (rood) op het hoogtepunt van zijn macht in ca. 1290 v.Chr.; grenzend aan het Egyptische Rijk (groen) in het zuiden.

In Egypte werden de Hyksos als vreemde invallers beschouwd. Er werd langdurig strijd geleverd tussen de heersers in Thebe en de Hyksos in de delta. Uiteindelijk slaagden de heersers van de achttiende dynastie erin om de Hyksos te verdrijven. De strijd werd in Palestina voortgezet.
De verdrijving van de Hyksos was een mijlpaal in de geschiedenis van Egypte. De gebeurtenis wordt beschouwd als het begin van het Nieuwe Rijk (~1550 - ~1070). In deze periode werd de titel 'farao' ingevoerd, hetgeen "het Grote Huis" betekent.
De achttiende dynastie was afkomstig uit Thebe in Opper-Egypte, maar verplaatste de hoofdstad naar Memphis in de delta.

Tijdens de achttiende dynastie[bewerken]

De volgende farao's uit de achttiende dynastie speelden een belangrijke rol in de geschiedenis van Palestina: Hatsjepsoet, Thoetmosis III, Amenophis II, Thoetmosis IV, Amenophis III, Achnaton, Toetanchamon, Eje en Horemheb.
Tijdens de laatste decennia van de zestiende eeuw streefden de farao's er in de eerste plaats naar Nubië te onderwerpen. Onder Hatsjepsoet was de verovering van het gebied door Egypte min of meer afgerond.
Onder Thoetmosis III en Amenophis II werd langdurig strijd geleverd met de Hurrieten in het noorden. De periode van Thoetmosis IV en Amenophis III, een groot deel van de veertiende eeuw, was voor Egypte een soort 'gouden eeuw'. Met Ramses I begint de negentiende dynastie.

De Hittieten stamden af van een Indo-Europees volk, dat zich in Anatolië had gevestigd. Na een periode van crisis was daar een nieuw en sterker Hittitisch rijk tot bloei gekomen. Gedurende de Late Bronstijd werd het een grootmacht. Halverwege de veertiende eeuw maakte het de facto een eind aan de macht van Mitanni. Vanaf dat moment waren de Hittieten en het Nieuwe Rijk van de farao's elkaars belangrijkste rivalen.
De Hittieten breidden hun invloed steeds verder naar het zuiden uit. Tussen 1350 en 1330 lezen we in de Amarna-briefwisseling van Achnaton tijdens Egyptische dominantie van Kanaän over de uitbreiding van de Hittitische macht in Noord-Syrië. Een pandemie teisterde op dat moment de streek en leidde er tot lethargie. De farao besloot gewapenderhand Fenicië te heroveren, zodat het de volgende vijftig jaar in feite weer onder Egyptisch bestuur kwam te staan.

De dertiende eeuw[bewerken]

In de dertiende eeuw regeerde in Egypte de negentiende dynastie. Onder zijn heerschappij werd niet ver van Avaris een nieuwe stad gebouwd, Pi-Ramesses. Dit bleef gedurende het Nieuwe Rijk een belangrijk machtscentrum.
Belangrijke farao's uit de negentiende dynastie waren Seti I, Ramses II en Merneptah. Seti I en Ramses II voerden beiden oorlog met de Hittieten. Van 1294 tot 1279 v.Chr. was Seti I op het toppunt van zijn macht in de regio. Hij heeft Kadesh veroverd en het daarna bij informeel vredesverdrag aan Muwatalli van Hatti in beheer gelaten. Seti I en zijn opvolger Ramses II richtten overal in hun rijk enorme monumenten op.
In 1274 v.Chr. leverde Ramses II de slag bij Kadesh tegen de Hittieten, in zijn soort de grootste veldslag van het millennium, met 5000 strijdwagens en 9000 soldaten te voet. Egypte leed een zware nederlaag. Aan de dominante positie van Egypte in de Levant kwam goeddeels een eind.
In 1271 had Ramses II de toegang tot kuststeden als Sidon zekergesteld, maar in 1250 moest hij al weer zware veldtochten voeren tegen Libiërs en Neo-Hittieten. Daarbij heeft hij Kadesh aangevallen, maar niet meer kunnen heroveren.
Hij sloot een vredesverdrag met de Neo-Hettieten waarbij het noorden van de Levant aan hen werd afgestaan. Ramses II huwde een dochter van Hattusilis III. Na een opstand van de shasu hield Ramses II nog enkele veldtochten in het gebied ten zuiden daarvan, waar later het koninkrijk Israël zou ontstaan. Hij vestigde een Egyptisch garnizoen waar later het land van Moab zou komen, een bergachtig gebied ten oosten van de Dode Zee.
Rond de eeuwwisseling voerde Ramses III strijd met de zogenaamde Zeevolken.

De halve eeuw die volgde op het vredesverdrag tussen Egypte en de Hittieten was een periode van vrede en voorspoed voor de hele regio. Dankzij de politieke stabiliteit gingen de grenzen open; de internationale handel bereikte een hoogtepunt.

Egyptische teksten maken gewag van de aanwezigheid in de Nijldelta van "Volken uit het groen". Deze 'Peleset' werden er ooit door de farao verslagen, maar werden dan als huurlingen in dienst genomen en in Palestina geplaatst, de latere Filistijnen. Zij kenden zelfs de smeedkunst in ijzer, staat er, en bouwden steden groter dan de Kanaänitische met centrale gebouwen waarin een vierkante ruimte met haard in Myceense stijl voor kwam. In dezelfde tijd werd gewag gemaakt van de aanwezigheid van 'Sherden' in de Nijldelta, aldus werden Semitisch sprekende mensen in Egypte aangeduid.

Palestina was gedurende vrijwel de gehele Late Bronstijd een Egyptische provincie. De Egyptische overheersing duurde tot ~1135 v.Chr..

Fenicische stadstaten[bewerken]

1rightarrow blue.svg Hoofdartikel Fenicië

De Feniciërs, die in het noorden van Kanaän leefden, werden in deze periode de belangrijkste en meest succesvolle zeevaarders en handelaars van de Middellandse Zee.

Dit is de periode van het ontstaan van de poleis Sidon, Tyrus, Byblos, Aradus, Beiroet, en ook Gaza, de stad van de Filistijnen, waarvan we de eerste vermelding aantreffen onder Thoetmosis II.
In het noorden van Syrië beleefde intussen de stad Ugarit tussen 1500 en 1300 v.Chr. haar bloeitijd onder Mitanni. Ugarit stond onder leiding van een adath. Deze havenstad was ook de eindbestemming voor de afzet van de intussen opgekomen Myceense economie; ook functioneerde zij als doorvoerhaven van en naar het gebied van de Eufraat en de Tigris. Het was de belangrijkste haven van de Levant.

In Baalbek, Sidon en Tyrus werd in deze periode een Semitische taal gesproken die verwant is aan het Hebreeuws en aan het Kanaänitisch. De religie had er nog altijd kenmerken van de oude Kanaänitische religies.

De relatieve onafhankelijkheid die de Feniciërs verwierven, werd met lede ogen bekeken door de Egyptische farao's, die hun greep op het gebied wilden verstevigen en voorkomen dat het in handen van vreemde volken of het opkomend Hittitische rijk zou vallen. Rond 1500 v.Chr. veroverde Thoetmosis III dan ook Fenicië.

Van 1411 tot 1358 v.Chr. vielen Amorieten en Hittieten voortdurend Fenicische steden aan, zoals gemeld wordt in de Amarna-brieven.
Onder Suppiluliuma I en Mursilis I strekte het Hittitische rijk zich uit tot bijna geheel Anatolië en delen van Syrië en Kanaan, waaronder Fenicië. Tussen 1350 en 1330 besloot de farao om gewapenderhand Fenicië te heroveren.

Handel en zeevaart[bewerken]

In de eeuwen die volgden na 1200 v.Chr. maakte Fenicië de belangrijkste zee- en handelsmacht uit van de regio. Mogelijk kwam het door deze handelslieden dat het Hebreeuwse woord “kena’ani” de bijbetekenis van “marchandeur” kreeg. De Feniciërs verhandelden cederhout voor het maken van schepen en andere zaken. De Griekse term “Tyrisch purper” verwijst naar de kleurstof waar zij vooral om bekendstonden en ook naar de haven van Tyrus. Mooi textiel behoorde ook tot de Fenicische weelde, en Fenicisch glas. Zij hadden blijkbaar als eersten de techniek ontdekt om het glas doorschijnend te maken. Alhoewel de Feniciërs geen landbouwers waren, werden er wel schapen gekweekt en werden die evenals hun wol verkocht. Grote cederstammen werden eveneens als vanouds naar Egypte vervoerd. Zoals de Amarna brieven suggereren betaalde Fenicië hiermee tribuut in de 14e eeuw v.Chr.

Kostbare producten[bewerken]

In de tijd van de Feniciërs werden in Ugarit ateliers ingericht voor eigen beheer van export zoals bijvoorbeeld Fenicisch purper. Ivoorsnijkunst was er ook van hoog niveau. Een godin die op een dergelijk opgegraven ivoorplaket staat afgebeeld was Ishtar of Potnia. De stijl van de kunstvoorwerpen verraadt de internationale invloeden vanuit alle windstreken. Op dat punt is de rol van de stad Ugarit vergelijkbaar met die van huidige drukke handelssteden als Hong Kong.

Invoer van artikelen van elders waren vooral tin en zilver uit Spanje, dat samen met Cyprisch koper tot brons werd verwerkt. Volgens Strabo was er ook al een lucratieve tinhandel met Bretagne. De Aziatische handelsroutes convergeerden ook op de Fenicische kusten. Hierdoor kon Fenicië de handel tussen Mesopotamië aan de ene kant en Egypte en Arabië aan de andere kant regelen.

Infiltratie, ongeregeldheden en machtsstrijd[bewerken]

Een Luvisch koninkrijkje ten noorden van Kanaän was in de 15e en 14e eeuw v.Chr. bij machte om redelijke weerstand te bieden aan het Hettitisch koninkrijk dat in het noordoosten was opgekomen en zelfs de leidende rol van Klein-Azië op zich te nemen. Het Hiëroglyfenhettitisch als beeldtaal werd samen met het Luvisch door de Luwiërs/Luvieten als religieuze taal gebruikt, ook in het Hettitische rijk. Luvisch sprekenden verspreiden zich meer en meer over dit rijk en droegen later bij tot de instorting ervan. Maar eerst droegen zij ertoe bij dat de invloed van dit rijk zich naar het zuiden uitbreidde over Kanaän tot voorbij de strategische haven van Ugarit, en dat een botsing met het Oude Egypte onvermijdelijk werd.

De Leeuwenpoort van Mycene.

Myceense bloeiperiode[bewerken]

Niet alleen in de Kanaänitische regio nam de onrust in deze jaren toe, maar ook in het Middellandse Zeegebied vonden enkele ingrijpende veranderingen plaats. Vanaf 1450 v.Chr. werden bijvoorbeeld op Kreta de Minoïsche paleizen voor een tweede keer verwoest. Archeoloog Arthur John Evans weet dit onder meer aan de Myceners, die het eiland vanaf de vijftiende eeuw voor Christus zouden zijn binnengevallen.

Van ~1400 tot ~1200 v.Chr. beleefde Myceens Griekenland een bloeitijd; het oefende invloed uit in en rondom het gehele oostelijk bekken van de Middellandse Zee. Sommige onderzoekers spreken van een Myceense periode. De monarchie van de Achaeërs vervulde een spilfunctie in de internationale handel, die sterk opbloeide. Er was veel vraag naar producten afkomstig uit de Griekse wereld. Ook Cyprus speelde een belangrijke rol. Het prachtige Myceens aardewerk is bijna overal teruggevonden, waardoor het voor de archeoloog een belangrijk hulpmiddel is bij dateringen. Ook Egyptische en Syrische kooplieden speelden een actieve rol in de overzeese handel. Behalve aardewerk importeerde de Levant hars, vet en olie.

Shasu en ʿapīru[bewerken]

In Egyptische teksten uit de tijd van de achttiende dynastie duiken met enige regelmaat de termen shasu en ʿapīru op. Het waren termen om sociale groepen aan te duiden. Van etnische duiding was geen sprake. Met shasu werden nomaden bedoeld die rondzwierven in Palestina, het zuiden van Syrië en het Overjordaanse. Akkadische bronnen gebruiken het woord sutu voor dezelfde groep. De ʿapīru worden in de bronnen nooit als nomaden beschreven; het is evident een andere groep.
Veel ʿapīru spraken Hurritisch. Vermoedelijk waren zij een sociale kaste en geen etnische groep. Op grond van overeenkomst met het woord 'Hebreeën' is gesuggereerd dat deze ʿapīru het volk Israël waren.

Vanaf ~1400 v.Chr. ontmoeten we de eerste melding van shasu in Egyptische teksten van Amenhotep II. De naam duikt voor het eerst op in Transjordanië in een volkerenlijst: 'Yhw in het gebied van de Shasu'. Stammen werden wel meer geïdentificeerd aan de hand van de godheid die zij aanbaden.
In dit geval zou Yhw duiden op Yaw of Yahu, de naam waarvoor de vroegere El werd ingeruild. In de aanroeping Hallelu-Yah weerluidt de kreet Ere zij Yah.[13] Veel persoonsnamen van deze stam die eerder el bevatten (Elia, Natanaël), kregen nu ya als suffix.

Verslagen van Egyptische veldtochten melden in dezelfde periode tot 1300 v.Chr. politieke instabiliteit en endemisch banditisme in de Djadi-streek, het overstromingsgebied van de Jordaan.

Stammen in Palestina; migratie[bewerken]

Uit de tweede helft van de dertiende eeuw is ons een waardevolle bron overgeleverd, Papyrus Anastasi I, een brief van Hori, een schrijver in dienst van het Egyptische leger, waarin hij een reis door Fenicië en Palestina beschrijft. De brief bevat veel gegevens over de wegen, steden, bossen en bewoners van het gebied.
Hori maakt ook gewag van nomaden die de bossen onveilig maken in het gebied van de stam Aser (í-s-r), een Kanaänitische groep ten zuiden van Megiddo. Ook inscripties van Seti I en Ramses II vermelden deze groep. Pas met de opkomst van de Israëlitische monarchie werd Aser in naam een Israëlitische stam. Iets vergelijkbaars is gebeurd met de stammen Dan, Gad en Naftali.
Vermoedelijk heeft er aan het eind van de Bronstijd migratie plaatsgevonden van de kustvlakte naar de centraal gelegen hooglanden, waar rond 1200 een aantal nieuwe nederzettingen werden gebouwd. De hooglanden waren dunbevolkt; er woonden voornamelijk schaapherders; ook veel shasu hadden er zich gevestigd. Dit betekent niet dat delen van Palestina ontvolkt raakten. Uit de Amarna-brieven komt het beeld naar voren van rivaliserende stadstaten en kleine koninkrijken. Enkele versterkte steden werden echter verlaten. Ook in deze periode woonde slechts een minderheid van de bevolking in steden. Langs de strategisch belangrijke kust bouwden de Egyptenaren een aantal forten en versterkingen.

Onder farao Merneptah (1212-1202), een zoon van Ramses II, wordt voor het eerst melding van 'Israël' gemaakt op de "Overwinningsstèle" ('Israëlstèle') van Merneptah: "Israël is verwoest, zijn zaad is niet (meer)". De stèle is opgericht om een overwinning op de Libiërs en het neerslaan van een opstand in Palestina te herdenken. Hierbij werd Askalon belegerd en ingenomen. Volgens Ahlström wordt de kustvlakte met zijn urbane centra in de inscriptie aangeduid met Kanaän (Kharu); met Israël zouden de beboste hooglanden worden bedoeld.
Dit is de enige Oudegyptische tekst waarin Israël vermeld wordt.[14]

IJzertijd I[bewerken]

Afbakening[bewerken]

In de IJzertijd begon ijzer het brons te vervangen. Aanvankelijk werden vooral wapens van ijzer gemaakt; later werd ijzer ook in toenemende mate voor werktuigen gebruikt. Er zijn ook enkele beelden in ijzer gevonden uit deze periode.
De IJzertijd wordt in de regel in twee perioden onderverdeeld:

  • IJzertijd I tot ~900 v.Chr.
  • IJzertijd II na ~900 v.Chr.

Volgens sommige archeologen maakt de tiende eeuw reeds deel uit van IJzertijd II. IJzertijd I was een tijd van verandering en politieke versnippering. Gedurende IJzertijd II ontstonden er weer grotere staten. Wat technologie betreft kunnen ook de hieropvolgende perioden als 'ijzertijd' beschouwd worden. Pas met het aanbreken van de Moderne Tijd is er sprake van een werkelijk ingrijpende verandering van het economisch leven.

Vanaf 1200 v.Chr. hebben archeologen in enkele belangrijke steden brandlagen vastgesteld. Zo is Ugarit, tot dan de belangrijkste havenstad, door een brandcatastrofe vernietigd. In Ugaritische teksten is sprake van groepen schepen die de kust aanvielen. Ook andere grote steden werden verwoest.
Gedurende het grootste deel van de twaalfde eeuw bleef Palestina een Egyptische provincie. De Feniciërs ontwikkelden in deze periode hun Fenicische alfabet.

Situering[bewerken]

In de Vroege IJzertijd deed zich vrij plots een onbekend fenomeen voor, dat historisch in verband wordt gebracht met het opdagen van de Zeevolken vanuit het noorden, mogelijk zelf voortgedreven door mislukte oogsten en massale hongersnood in de nasleep van de vulkaanuitbarsting van Thera. De grootmachten Egypte en het Hettitische koninkrijk raakten verzwakt en ontregeld, en in het plotse machtsvacuüm vestigden de Fenicische stadstaten zich als belangrijke zeemachten.

Er was dus sprake van een radicale en tamelijk plotselinge verandering van de politieke verhoudingen. Deze wordt verklaard door het min of meer gelijktijdig optreden van ecologische, economische en sociale veranderingen. Tussen 1200 en 900 heerste in Voor-Azië en Noord-Afrika een ander, droger klimaat. Een reeks hongersnoden in het Egeïsch gebied, in Anatolië en Palestina was hiervan het gevolg. Dit bracht de migratiestromen op gang. Voedselschaarste komt vaker in de regio voor; zelden is het gebied door een dergelijke langdurige droogte getroffen.

De slechte oogsten en het militair geweld hadden een ongunstig effect op de economie. De internationale handel in luxeartikelen nam sterk in omvang af. Koper en tin werden schaars, wat de vraag naar ijzer deed toenemen. Ook de regeringen, die het economisch leven beheersten, zagen hun inkomsten teruglopen, waardoor het centraal gezag verzwakt werd. Buitenlandse invallers namen hun kans waar.
Palestina bestond gedurende IJzertijd I uit kleine politieke eenheden, stadstaten, die met elkaar rivaliseerden.

Inval van de Zeevolkeren en Egyptisch verval[bewerken]

Tawosret speelt de sistrum in de Amada tempel, Nubië.

In Egypte bekleedden van 1188 tot 1182 v.Chr. Aziaten hoge posities aan het Egyptisch hof. Maar na de dood van koningin Tawosret Meryamun (19e Dynastie van Egypte) verviel het land tot chaos. Aziaten beschadigden enkele Egyptische tempels en beelden, alvorens te worden uitgewezen door Sethnacht, de eerste farao van de twintigste dynastie, wiens leger hen daarbij over de grenzen joeg. Dit zou misschien de achtergrond kunnen vormen van de Exodus onder leiding van Osarseph (Mozes).[15]

Langs de kuststrook van de Levant vond vermoedelijk een migratiegolf plaats in de richting van het zuiden van Palestina. Daarbij kunnen de Kanaänieten in het noorden en westen tijdelijk zijn verhuisd.[16] Ook op Cyprus vestigden zich invallers. De migranten waren vermoedelijk afkomstig uit Turkije en het Egeïsch gebied. De migranten moeten in tamelijk grote groepen binnengevallen zijn. Schattingen zijn niet te geven. Ook in Egyptische bronnen worden vijanden vermeld die probeerden de Nijldelta binnen te dringen. Deze invallers worden door historici de 'Zeevolken' genoemd. Ook de Filistijnen (de Peleset in Egyptische bronnen) behoren hiertoe.

Het is mogelijk dat de verhalen over migratie en oorlog in "Exodus" en "Jozua" teruggaan op in het collectief bewustzijn voortlevende herinneringen aan de gebeurtenissen van deze tijd.

In 1187 v.Chr. kwam er een poging tot invasie van Egypte door de Zeevolken, waaronder P-r-s-t, de Filistijnen[17]. Bij tegenaanvallen van de farao werd het deel van Kanaän, dat later Israël en Juda werd, vernietigd. Nadien mochten deze volken (Filistijnen, Tjekker en mogelijk ook Denyen) zich aan de kustweg vestigen ("De weg van de Filistijnen"). Gaza, Ashdod, Ekron, Gath en Ashkelon waren de vijf Filistijnse steden. Ze tonen archeologisch verband met de Myceense cultuur. Zij namen de lokale Kanaänitische cultuur aan, maar Indo-Europese invloed blijkt uit een aantal Filistijnse woorden.[18]

Egypte overheerste Palestina nog tot het eind van de twaalfde eeuw v.Chr. Onder de twintigste dynastie was het aanvankelijk nog een grootmacht. Spoedig trad echter verval in. Na ~1130 is Egyptische aanwezigheid in Kanaän niet meer aantoonbaar. Rond 1200 kwam er ook een eind aan het rijk van de Hittieten, die tot dan toe Syrië hadden beheerst. Terwijl de Levant tijdens de Bronstijd lange tijd was overheerst door buitenlandse machten, kwam daar nu tamelijk plotseling een eind aan.

Opdeling van Kanaän[bewerken]

De verzwakking van de grootmachten maakte de weg vrij voor de opkomst van onafhankelijke stadstaten en kleine rijkjes. In Palestina kunnen we drie sterke groepen onderscheiden. In Fenicië herwonnen de oude stadstaten hun vrijheid. Byblos, Sidon en Tyrus waren van hen de belangrijkste. In het zuiden van Syrië en het noorden van Palestina ontstonden Aramese koninkrijken, waaronder Hamath en Damascus. Een derde groep waren de Filistijnse stadstaten langs de kust, zoals Gaza en Ekron.

Tussen 1200 en 1100 v.Chr. werd het grootste gedeelte van zuidelijk Kanaän door de Israëlieten ingenomen. Het deel dat nog duidelijk onder Kanaänitische vlag bleef, werd door de Oude Grieken aangeduid met de Griekse naam Fenicië, dat ‘purper’ betekent, in verband met de beroemde kleurstof die er werd gewonnen. Veel later (6e eeuw v.Chr.) zou Hecataeus aangeven dat de oude naam van Fenicië χνα was, een naam die Philo van Byblos vervolgens in de mythologie opnam als eponiem voor de Feniciërs: “Khna, dat later Phoinix werd genoemd”.

Bloei van Fenicië[bewerken]

Rond 1150 v.Chr. plunderden Doriërs het Griekse schiereiland en verwoestten er de Myceense centra. De val van de Myceners liet Fenicië toe nu vrij het handelsverkeer via de zee te beheren en uit te bouwen, waardoor het zijn autonomie in stand hield. Interne strubbelingen in Egypte onder Ramses VI zorgden voor de Egyptische terugtrekking uit Beth Shan, de Jordaanvallei, Megiddo en Gaza. Intussen was Sidon samen met Tyrus en Arvad een van de belangrijkste havensteden, die schatting aan Assyrië betaalden.

Stadstaten als economische vestiging[bewerken]

Het gezag in de Fenicische steden steunde op drie machtsbasissen: de tempel met de priesteressen, een raad van ouderen, en een koning. Byblos werkte zich spoedig als centrum op van waaruit zij de Mediterrane en Erythreïsche (Rode Zee)routes domineerden. In deze stad werd ook de eerste inscriptie in het Fenicisch alfabet gevonden (op de sarcofaag van Ahiram (ca. 1200). Maar tegen 1000 v.Chr. had zij haar eerste plaats moeten ruilen met Tyrus en Sidon.

Fenicische kolonies[bewerken]

Volgens de oude Griekse bronnen werden al heel vroeg Fenicische kolonies ingeplant zoals die van Cádiz (1110 v.Chr.) en ook Lissabon, al zijn er geen archeologische aanwijzingen die zulke vroege datum staven. Mogelijk waren het toen nog maar rudimentaire haltes, die pas later tot steden uitgroeiden[19].

Tyrus aan de leiding[bewerken]

Een Grieks trireem naar Fenicisch voorbeeld.

Het begin van een lange hegemonie van Tyrus werd gemarkeerd onder het bewind van Hiram (969-936 v.Chr.), die een rebellie in de Tunesische kolonie Utica neersloeg. Ittobaal regeerde van 887-856 over Fenicië tot in Beiroet en deels ook Cyprus. Carthago werd in 814 v.Chr. gesticht door Pygmalion (880-774). Door Feniciërs en buitenlanders werden degenen die tot de verenigde stadstaten van Fenicië hoorden “Sidonia” of “Tyria” genoemd. Feniciërs en andere Kanaänieten werden “Zidoniërs” of “Tyriërs” genoemd in de tijd dat de ene Fenicische verovering op de andere volgde.

Alfabet en schrift[bewerken]

Intussen ontwikkelden de Feniciërs om praktische redenen het Fenicisch alfabet, om daarmee hun handelssysteem administratief op de vlotste manier te kunnen beheren. Het schrift op zich was al enkele millennia eerder in Mesopotamië ontwikkeld en ook hier overgeleverd, maar de Fenicische wijze van noteren zou de basis worden voor het Griekse alfabet, evenals het Aramese/Hebreeuwse, Arabische en tal van andere alfabetten. De lettertekens vertoonden grote overeenkomst met die van het Proto-Sinaïtisch, dat al eerder genoemd werd.

Fenicische geschreven bronnen zijn grotendeels verdwenen, omdat zij op papier en perkament waren. Enkel een schrijver als Sanchuniathon wordt in latere werken geciteerd, alhoewel Sallustius en Augustinus van Hippo melden dat de Feniciërs een zeer uitgebreide literatuur bezaten. Wat we van hen weten komt vooral van hun buren, de Grieken en Hebreeën. “Landbouw” was een werk van de Fenicische schrijver Mago.

Er ging een grote invloed uit van de Feniciërs op andere groepen rond de Middellandse Zee, zoals de Grieken, die later hun commerciële rivalen werden. Volgens de Bijbel werkte koning Hiram I samen met Salomon bij een expeditie naar de Rode Zee en bij de bouw van de tempel. De tempel van Salomon zou geheel volgens het Fenicisch concept zijn gemaakt en aldus een goed voorbeeld zijn van hoe de oude tempels er uitzagen. Feniciërs uit het gebied dat later Syrië werd, werden ook Syro-Feniciërs genoemd.

Een historiografisch probleem: de Exodus en de 'verovering' van Kanaän[bewerken]

De Hebreeuwse Bijbel bevat een aantal verhalen die niet op de historische werkelijkheid blijken terug te gaan en vooral een ideologische achtergrond hebben.

Het verhaal van de uittocht uit Egypte en de verovering van het Beloofde Land speelt in het joodse gedachtegoed een centrale rol. Hiervan wordt verhaald in de Bijbelboeken "Exodus", "Numeri" en "Jozua". Mozes zou het volk Israël uit Egypte hebben bevrijd; onder leiding van Jozua zou veertig jaar later een groot deel van Kanaän zijn veroverd.

Volgens "Exodus" en "Numeri" telde het volk Israël dat Mozes volgde zo'n 600.000 strijdbare mannen. Vrouwen en kinderen meegerekend zou de totale bevolking op basis van dat cijfer meer dan twee miljoen zielen hebben geteld. De bevolking van Egypte wordt in deze periode geschat op ongeveer drie miljoen inwoners. Een dergelijke massale uittocht of migratiestroom wordt in geen enkele Oud-Egyptische bron vermeld; evenmin is er enige archeologische aanwijzing van een dergelijke massale migratie gevonden, terwijl men dat redelijkerwijs mag verwachten, indien het verhaal op waarheid zou berusten.

Ook Strabo en Tacitus rapporteren over een uittocht, zij het elk op hun eigen manier, en veel kleinschaliger dan in de Bijbel wordt gesuggereerd, en zonder vermelding van een tijdstip.

Middeleeuws schilderij van Jean Fouquet van het Bijbelse verhaal over de val van Jericho.

Bijbels verhaal: Jozua[bewerken]

Toen Aäron en ook Mozes in de woestijn waren omgekomen, heeft Jozua het leiderschap van het volk van Israël overgenomen. Onder zijn commando vond de invasie van Kanaän plaats, beginnend bij Jericho dat geheel werd geplunderd en platgebrand[20]. De opdracht werd duidelijk geformuleerd. Het was uitdrukkelijk de bedoeling Amorieten, Kanaänieten, Hettieten enz. vooruit te drijven vanuit het zuiden: “hun altaren zult gij omverhalen, hun gewijde stenen verbrijzelen en hun gewijde palen omhouwen, want gij zult niet buigen voor een andere god”[21]. Bij opstandigheid werden zware straffen toegepast waaronder steniging.[22]. Heber was een Keniet, die de oorlogsplannen van de Israëlieten aan de Kanaänieten verried, mogelijk om hen te misleiden. Jaël was zijn echtgenote. Zij doodde Sisera de legeraanvoerder van Jabin, de koning van Kanaän, toen die in haar tent ‘vluchtte’ en er daarna in slaap viel.[23].

Kanaän ten tijde van het Oude Testament.

Later bepaalde de wet dat de Israëlieten van hun erfelijk bezit steden moesten afstaan aan de Levieten, zodat die er (alleen) konden wonen, evenals weidegronden eromheen [24]. De wet voorzag verder dat andere Israëlieten een Leviet die binnen hun poorten woonde 'niet aan zijn lot overlieten'. Ook werd de vrijheid van de vrouw en haar recht op erfenis en zelfstandige bezittingen door steeds meer wetten van de Levieten aan banden gelegd. Bepaalde tempelrituelen werden als losbandigheid bestempeld en verboden op straf van steniging. De asherahs werden op last van de Levieten overal bij de tempels omgehakt.

De verovering van Kanaän door de Israëlieten in de 12e eeuw v.Chr. bleef ettelijke jaren duren, zeker tot ver in het noorden in zuidelijk Libanon de steden Gibeon, Hazor en Baäl Gad onder de berg Hermon waren vernield. Het Koninkrijk Israël (‘Twaalfstammenrijk’) dat aldus ontstond in 1020 v.Chr. met als eerste koning Saul hield stand tot na de regering van koning Salomo in 928 v.Chr. Daarna werd het na inwendige twisten het ‘Tienstammenrijk’ Samaria, terwijl zich zuidelijker het koninkrijk Juda afsplitste als het ‘Tweestammenrijk’. Het noordelijk gedeelte van het vroegere Kanaän werd Fenicië.

Kritiek op de Bijbelse verovering[bewerken]

De hierboven gegeven beschrijving van het verschijnen van het volk Israël in Palestina is een weergave van het zogenaamde Conquest Model. Tegenwoordig geldt deze visie, die vrijwel geheel aan de Bijbel ontleend is, als achterhaald. Er zijn nauwelijks nog historici die dit 'veroveringsmodel' verdedigen. Het is onmogelijk gebleken deze theorie in overeenstemming te brengen met de aan de archeologie ontleende gegevens.[25] Het wordt waarschijnlijker geacht dat de Israëlieten afstammen van de Kanaänieten. In de tijd waarin de Bijbel de verovering van Kanaän situeert, zouden deze Israëlieten de heuvels zijn gaan bevolken terwijl de Kanaänieten (later Feniciërs genoemd) achterbleven in de kustvlakte.

Tiende eeuw[bewerken]

Archeologen zijn het niet met elkaar eens wanneer in Palestina IJzertijd II begint. Sommigen rekenen de tiende eeuw voor Christus nog tot IJzertijd I; anderen laten IJzertijd II al rond 1000 v.Chr. beginnen. Het verschil in periodisering hangt nauw samen met de opvatting die men heeft wat betreft de historiciteit van het koninkrijk van de koningen David en Salomo.

Conform de traditionele Bijbelse visie[bewerken]

In het Bijbelboek "II Samuel" wordt beschreven hoe David door verovering een koninkrijk creëert in Palestina. Zijn zoon Salomo zou zelfs geregeerd hebben over een rijk dat zich uitstrekte van de Eufraat tot de grenzen van Egypte. Beide vorsten zouden veertig jaar hebben geregeerd.
Volgens de Bijbelse chronologie regeerde David van ~1060 tot ~1020. Deze datering wordt op basis van gegevens ontleend aan Mesopotamische geschriften algemeen afgewezen. In plaats daarvan wordt de regering van David gewoonlijk gedateerd van ~1000 tot ~960 en de regering van Salomo van ~960 tot ~920. Het herhaald gebruik van het symbolische getal veertig heeft veel historici aan de betrouwbaarheid van de traditie doen twijfelen.

Saul zou hebben geregeerd in de heuvels van Samaria en in gebieden aan de overzijde van de Jordaan. In de Bijbel wordt zijn oorlog met de Filistijnen in het kustgebied en de Vallei van Jizreël beschreven. Volgens I Samuel 31 vond hij hierbij de dood op het slagveld.
De relatie tussen Saul en David was gecompliceerd. Aanvankelijk was David een generaal die diende onder Saul. In "II Samuel" wordt beschreven hoe David eerst koning wordt van Juda, en vervolgens ook van Israël. Pas daarna zou David Jeruzalem hebben veroverd op de Jebusieten. Dit wordt vervolgens zijn hoofdstad.
Dat David wordt opgevolgd door zijn zoon Salomo komt als een verrassing. Een aantal oudere broers zou voortijdig zijn gestorven. In "I Koningen" wordt Salomo een belangrijke rol toegedicht in de internationale handel en hij zou in Jeruzalem een tempel gebouwd hebben.

Volgens de Bijbel volgde na Salomo's dood de splitsing in het noordelijke koninkrijk Israël en het zuidelijke koninkrijk Juda, waarschijnlijk wegens een interne machtsstrijd.

Kritiek op de Bijbelse historiciteit[bewerken]

Volgens de Bijbelse overlevering omvatte het rijk van David en Salomo zowel het latere koninkrijk Israël als het latere koninkrijk Juda. Pas na de dood van Salomo zou dit 'verenigd koninkrijk' uiteen zijn gevallen. In de rest van Voor-Azië is sprake van opkomende monarchieën ná de politieke versnippering van IJzertijd I. Indien de Bijbelse overlevering de ontwikkeling correct weergeeft, wijkt de ontwikkeling in Palestina dus af van de ontwikkeling in de regio als geheel.

Er is over de periode tussen de zestiende en de achtste eeuw v.Chr., ondanks vele opgravingen en onderzoekingen, maar heel weinig gevonden. Er zijn dan ook weinig historische of archeologische bewijzen voor het bestaan van een krachtige monarchie onder de koningen Saul, David en Salomo. Sommige wetenschappers - zoals Israel Finkelstein en Neil Asher Silberman - hebben op grond van archeologische gegevens van de laatste dertig jaar kritische kanttekeningen bij de historiciteit van de Bijbelse gegevens geplaatst. Volgens hen hebben de grote rijken van David en Salomo niet bestaan en dient de geschiedenis tot en met Salomo volledig herschreven te worden.[26] Volgens beide onderzoekers is de geschiedenis van de oude Israëlieten als volgt verlopen:

  • Tot 1005: Het hoogland van Kanaän werd geleidelijk bevolkt in de late bronstijd door een groep mensen, de Hebreeën of Israëlieten, die geen varkensvlees aten. Er is in die periode geen aanwijzing voor een vijandige overname van buiten; de Israëlieten stammen af van de Kanaänieten.
  • 1005-931: De grote rijken van de koningen David en Salomo hebben in de overgeleverde vorm niet bestaan: het land was dunbevolkt en kon niet genoeg belasting opbrengen om een leger in stand te houden.
  • 931-724: Tot in de late 7e eeuw voor Christus waren de Israëlieten polytheïstisch. De aan Salomo toegeschreven bouwwerken waren van koning Omri en zijn nazaten, die polytheïstisch waren en Israël tot grote bloei brachten; Juda was in die periode een arme landbouwstaat. In 724 wordt Israël ingelijfd in het Assyrische rijk en houdt op te bestaan.
  • 724-586: Het koninkrijk Juda beleefde een grote bevolkingstoename door vluchtelingen uit Israël toen dit door de Assyriërs veroverd werd, en het bloeide op onder Manasse dankzij een lucratieve olijfoliehandel. Het monotheïsme werd gecultiveerd vanuit Jeruzalem, en kwam tot een culminatie onder koning Josia, die (vergeefs) het zwaard opnam tegen de grootmacht Egypte, toen die staat in 609 tegen Babylon optrok. In 586 werd Juda ingelijfd in het Babylonische rijk.

Hun kritiek is echter niet onomstreden; de tijdrekening die Finkelstein en Silberman hanteren zou niet de enige mogelijke zijn.[27]

IJzertijd II[bewerken]

Situering[bewerken]

Gedurende IJzertijd I nam de bevolking van Palestina toe. Vermoedelijk leefden er aan het eind van de tiende eeuw meer dan 100.000 mensen in het gebied. Ook in IJzertijd II bleef de bevolking toenemen. Kort voor 700 bereikte de groei een hoogtepunt. Noll schat de bevolking aan het eind van de achtste eeuw op 400.000. Daarna begon de bevolking enigszins terug te lopen; de oorlogen met Assyrië eisten hun tol.
Verreweg het grootste deel van de bevolking van Palestina had altijd op het laagland gewoond: de smalle kustvlakte en de vruchtbare vallei van Jizreël. In IJzertijd II begon ook de bevolking in de heuvels van Samaria toe te nemen. Voor het eerst werd een groot deel van de heuvels bewerkt. Wellicht woonden er in de achtste eeuw ongeveer 100.000 mensen in de heuvels ten noorden van Jeruzalem. Dit droeg in belangrijke mate bij aan de opkomst van een regionale staat.[28]

De Fenicische en Filistijnse stadstaten bleven ook in deze periode een factor van betekenis. In Syrië hadden zich ook een aantal stadstaten gevormd, waar de macht in handen was van een Aramese, dan wel Hittitische elite. Nieuwkomers waren de koninkrijken Israël, Juda, Ammon en Moab. Verreweg de machtigste staat in Voor-Azië was Assyrië, dat een op expansie gerichte politiek voerde. Het probeerde zowel Babylonië als Syrië te veroveren. Evenals in de Late Bronstijd was dit zowel om strategische redenen als om de lucratieve handelsroutes met het Middellandse Zeegebied te beheersen. Om zich tegen Assyrië teweer te stellen sloten de staten in Syrië en Palestina coalities. Het zou twee eeuwen duren voordat Assyrië erin slaagde de regio te onderwerpen.

Kaart van Palestina rond 830 voor Christus.

██ Koninkrijk van Juda

██ Koninkrijk van Israël

██ Filistijnse stadstaten

██ Fenicische stadstaten

██ Koninkrijk van Ammon

██ Koninkrijk van Edom

██ Konininkrijk Aram-Damascus

██ Arameeërs

██ Arabische stammen

██ Nabateeërs

██ Assyrische Rijk

██ Koninkrijk Moab

Israël en Juda[bewerken]

In de heuvels van Samaria vormde zich een nieuwe politieke macht. Volgens Assyrische bronnen heerste hier in de negende eeuw het geslacht Bit Humri. De Bijbel noemt de koningen Omri, Achab, Achazja en Joram. In de 9e eeuw wordt het Koninkrijk Israël een sterke macht onder koning Omri. Enkele generaties later ontstond een vergelijkbaar staatje rond Jeruzalem. De in Jeruzalem heersende dynastie wordt onder andere in een inscriptie Bet Dawîd, het Huis van David, genoemd. In 722 v.Chr. valt koninkrijk Israël in handen van het Nieuw-Assyrische Rijk; In de negende eeuw was het rijk van de Assyriërs immers tot een machtige staat uitgegroeid. Het koninkrijk Juda hield langer stand en kende een hoogtepunt onder Josia aan het einde van de 6de eeuw.

Israël[bewerken]

1rightarrow blue.svg Hoofdartikel Koninkrijk Israël
Omriden[bewerken]

In 881 v.Chr. werd Omri koning van Israël. Omri was aanvankelijk commandant van het Israëlitische leger tijdens de heerschappij van de vorige koning Ela tot aan diens dood.

De vermelding Omri koning van Israël op de stèle van de Moabitische koning Mesa

Omri is de eerste koning van zowel Israël als Juda die ook in documenten van andere staten genoemd wordt. Zijn politiek was erop gericht de belangrijke handelsweg dwars door het huidige Jordanië te beheersen, de oeroude karavaanroute, die de Koninklijke Weg genoemd werd. Daartoe was Omri er niet voor teruggeschrokken om het koninkrijk Moab te onderwerpen.

Omri stabiliseerde ook zijn politieke grenzen en herstelde de betrekkingen met het politieke Jeruzalem door het uithuwelijken van zijn kleindochter Atalia aan de koning van Juda in het zuiden. Hij regelde ook een huwelijk van zijn zoon Achab met Izebel van Tyrus, waarmee hij een belangrijke handelsovereenkomst verzegelde met Fenicië in het noorden.

Omri werd geconfronteerd met een netwerk van religieuze belangen dat zich van over de zuidgrens uitspreidde met zijn hoofdzetel in de jahweïstisch geworden tempel in Jeruzalem. De invloed van de Levieten was aanzienlijk want zij hadden van in het begin hun stempel op de politieke en ook militaire situatie gedrukt en gingen daar ook mee door. Zij waren het die middels hun profeten bepaalden wie de wereldlijke macht kreeg en op welke voorwaarden hij die kon uitoefenen. Om de religie buiten de macht van de priesters te houden had Omri een drietal belangrijke maatregelen voorzien. Ten eerste werd het bouwen van altaren op hoge plaatsen, en van tempels volgens de oude cultus, uitdrukkelijk weer toegelaten en zelfs aangemoedigd. Priesters werden vervolgens ook buiten de familie van de Levieten aangeduid, die tot dan zichzelf een erfrecht op deze functies hadden weten te bezorgen. En tenslotte werden ook nog tempels voor de Kanaänitische god Baäl bijgebouwd. Het waren drie maatregelen die uiteraard erg negatief bekeken en becommentarieerd werden vanuit het koninkrijk Juda, met name bij monde van de profeten. In feite was geen enkele van deze maatregelen echter nieuw. Ze waren ook reeds in zekere mate van toepassing geweest onder het bewind van Jerobeam I. Maar Omri bleek op alle gebied een goed strateeg te zijn.

Omri zat stevig genoeg in het zadel om het koninkrijk Israël bij zijn dood aan zijn zoon Achab na te laten. Hiermee slaagde hij erin een dynastie te vestigen, die dan ook die van de Omriden wordt genoemd. Zijn nakomelingen heersten niet alleen voor de volgende veertig jaar over Israël, maar ook kort nog over Juda. In Assyrische inscripties wordt Israël nog lang na zijn dood "Land van Omri" genoemd.

In 850 v.Chr. maakt koning Achab, zoon van Omri, een asherah (heilige boom) op aanraden van zijn echtgenote Izebel, de dochter van de koningin van Sidon, die samen met de koning als hogepriesteres voor Astoreth en Baäl diende.[29]. In de laatste regeringsjaren van Achab en Izebel was de oppositie tegen hun liberale religieuze politiek voortdurend aangewakkerd door een van de vroege joodse profeten, Elia. Achab stierf in een veldslag. Koningin-moeder Izebel bleef derhalve de macht achter de schermen uitoefenen terwijl twee van hun jonge zonen kort achter elkaar over het koninkrijk Israël regeerden. Koning Joram volgde zijn broer Achazja op die na een val was overleden. Kort na zijn troonsbestijging kwam de Moabitische koning Mesa, wiens rijk schatplichtig was aan Israël, in opstand tegen Joram. Samen met koning Josafat van Juda en de koning van Edom, trok Joram op tegen Mesa. Ze moesten zich echter al snel terugtrekken of werden verslagen (naargelang de bron). Mesa richtte een stele op die overwinning op Israël herdacht.

Met de assyriologie komen voor het eerst onafhankelijke bronnen van tijdgenoten naar voren ter controle van de bijbelse historie van die tijd. Zo komen bijvoorbeeld de namen van koningen als Omri, Achab, Jehu in de Assyrische bronteksten voor. En de verslagen sluiten wederzijds op elkaar aan (mits de nodige respectievelijke overdrijvingen of weglatingen). Op de stèle van Mesa, een gedenksteen van de koning Mesha van Moab, die herinnert aan zijn strijd tegen Israël, meer bepaald tegen Achab, zoon van Omri, wordt deze koning eveneens vernoemd. De stele is gemaakt in 830 v.Chr., maar herinnert aan feiten van enkele decennia eerder. Het is een grote plaat van basalt, later in drie stukken teruggevonden, en nu bewaard in het Louvre:

Wat Omri betreft, koning van Israël, hij vernederde Moab vele jaren... En zijn zoon volgde hem op en ook hij zei: 'ik zal Moab vernederen'. Zo sprak hij in mijn tijd, maar ik overwon hem en zijn huis, terwijl Israël onderging voor immer.
Einde Omriden-dynastie en verzwakking Israël[bewerken]

Ondertussen werd de haatcampagne jegens Izebel door de opvolger-leerling van Elia, Elisa, voortgezet. Elisa organiseerde een militaire coup tegen de koninklijke familie en riep legeraanvoerder en strijdwagenrijder Jehu tot koning uit 'in naam van de Heer'. De hele koninklijke familie (een 70 tal leden) werd daaropvolgend uitgemoord. Jehu riep daarna al de Baälpriesters en vereerders in hun tempel in Samaria bijeen voor een 'offer', maar liet allen afslachten en de tempel met de grond gelijk maken. Deze gewelddadige gebeurtenissen leidden voor het koninkrijk Israël een episode van riskante zwakte in voor de daarop volgende vijftig jaar. Ook in koninkrijk Juda duurde het een hele tijd vooraleer er stabiel bestuur werd ingesteld.

Zwarte obelisk (British Museum) toont Jehu knielend, de grond kussend aan de voeten van Salmanasser III.

Salmanasser III trok in 841 v.Chr. opnieuw naar Syrië maar nu ook naar Noord-Israël, en verwoestte er volgens zijn inscripties talloze steden. Hij vorderde schatten van Tyrus, Sidon en "Jehu, zoon van Omri" (dat wil zeggen van het huis van). Onder het bewind van Achab, die een alliantie met Assyrië had aangegaan, was Israël nog gelijkwaardig bondgenoot. Onder Jehu werd het aan Assyrië onderhorig gemaakt, zoals blijkt op de afbeelding die Salmanassar III liet maken op de zwarte obelisk.

Juda[bewerken]

1rightarrow blue.svg Hoofdartikel Koninkrijk Juda

In de 9e eeuw was Juda een armere staat vergeleken met zijn buren, waaronder Israël onder de Omriden. In 918 v.Chr. was farao Sjosjenq I (waarschijnlijk is Sisak de Hebreeuwse naam) met een strafexpeditie door Palestina getrokken en had zowel in Juda als in Israël, waar hij Megiddo plunderde, verwoestingen aangericht. Sjosjenqs zegetocht staat op de tempel in Karnak afgebeeld.

Omstreeks 842 v.Chr. regeerde koningin Athalia in Jeruzalem. Atalja was de kleindochter van de Israëlitische koning Omri en dochter van zijn opvolger Achab en Jezebel. Haar huwelijk met de Judese koning Joram bezegelde een vredesverdrag tussen Israël en Juda. Na de dood van Joram volgde ze haar man op als koningin van Juda. Als kleindochter van de hogepriesteres en priester in Sidon, in de ogen van veel Kanaänieten, vooral de vrouwen, het legitieme recht om deze functie uit te oefenen. Als Fenicische, en dochter van Izebel, was zij vereerster van Baäl, die in Israël al vereerd werd, en voerde zij de oude cultus ook in Jeruzalem, hoofdstad van Juda, in. Zij kreeg dezelfde weerstand van joodse fanaten als Izebel in Israël en tijdens een bezoek aan koning Joram van Israël werd Achazja echter net als haar moeder Izebel door Jehu van Israël, volgeling van de profeet Elisa, vermoord.

Ook koning Achaz (ca. 735-727) volgde de oude religieuze cultus. Net als in Israël, trekken de profeten, waaronder de Leviet Jesaja, sterk van leer tegen de praktijken van de oude polytheïstische cultus. Ten tijde van het bewind van Achaz van Juda werd Israël veroverd door de Assyriërs. Jesaja waarschuwt voor de ondergang van het koninkrijk als de koningen de 'ware God' niet eerbiedigen.

De zoon van Achaz, Hizkia, voerde een duaal beleid tegenover de Assyriërs. Naar buiten toe toonde Juda zich als een loyale vazal van Assyrië, maar tegelijkertijd bereidde Hizkia de hoofdstad van Juda, Jeruzalem, voor op een beleg. Hij versterkte de stadsmuren en liet een 533 meter lang ondergronds kanaal (de Hizkia-tunnel) aanleggen van de bij de stad gelegen Gihon-bron naar de ook door hem aangelegde Vijver van Siloam binnenin de stad. De bouw van dit kanaal was voor die tijd een technisch meesterwerk. Toen in 704 v.Chr. de Babyloniërs tegen de Assyriërs ten strijde trokken, steunde Hizkia de opstand tegen de Assyriërs, tezamen met andere Syrische vorsten en in de hoop op steun van Egypte. De Assyrische koning Sanherib ondernam hierop een veldtocht tegen de Syriërs en veroverde het zuiden van Palestina (701 v.Chr.) voordat Egyptische hulp kon arriveren. Op deze veldtocht verwoestte Sanherib de Judese stad Lachis. Hierna stuurde Sanherib een leger af op Jeruzalem om ook die stad te belegeren. Deze belegering werd echter afgebroken. In de Bijbel wordt gesproken van de totale vernietiging van het leger van Sanherib door een engel van God waardoor Sanherib zich genoodzaakt zag huiswaarts te keren. Volgens de Griekse geschiedschrijver Herodotus werd het leger van de Assyriërs getroffen door een muizenplaag en een andere theorie is dat Sanherib het beleg staakte nadat Hizkia hem goud en zilver had betaald. Assyrische bronnen, die uit archeologische opgravingen zijn gevonden, bevestigen deze theorie.

Tijdens zijn bewind stelde Hizkia religieuze veranderingen in. Hij speelde onderdanigheid aan de Assyrische grootvorst en bracht tegelijk religieuze hervorming in gang om insluipend heidendom uit te roeien. Hij schafte de verering van de Assyrische goden af en concentreerde zich op de verering van JHWH. De zoon van Hizkia, Manasse richtte opnieuw asherim op, net als zijn zoon Amon die hem na vijfenvijftig jaar regeren opvolgde. Volgens de Bijbel was de regeringsperiode van Manasse zowel op nationaal politiek als op religieus gebied een vervolg op dat van zijn grootvader, koning Achaz. Onder Manasse werden de asherim die door voorganger Hizkia waren vernietigd weer opgericht ter ere van de moedergodincultus en werd de verering van JHWH, die zijn vader had ingevoerd, opnieuw ongedaan gemaakt. Profeten als Jesaja en Micha, voerden oppositie tegen het beleid van koning Manasse en werden daarvoor zwaar vervolgd. Jesaja zou hierbij ten slotte om het leven zijn gebracht (2 Koningen 21, Jeremia 2).

Koninkrijk Juda onder Josia[bewerken]
Jeruzalem, oud en nieuw

Onder Josia begon Juda met het verzamelen en redigeren van de Bijbelse geschriften en werden de lokale rituelen fel bestreden. Dit gebeurde nadat bij restauratiewerkzaamheden van de Tempel van Jeruzalem een boekrol met daarin een oude wettekst gevonden was (tegenwoordig denken veel wetenschappers dat het om het Bijbelboek Deuteronomium gaat of om een oude wettekst die later het Bijbelboek Deuteronomium werd). Vooral de profeet Jeremia maakte zich hier sterk voor. Hierdoor werd het geloof in God gecentraliseerd en verdwenen veel lokale religies. Het verzamelen en redigeren werd pas voltooid ten tijde van de Babylonische ballingschap.

In de Bijbel wordt regulering van het geloof beschreven in het boek Koningen. Omstreeks 630 v.Chr. haalt de Levitische priester Hilkia, die koning Josia diende, het ‘gerei’ dat voor Asherah en Baäl was gemaakt uit de tempel in Jeruzalem[30]. Omstreeks 620 v.Chr. kwamen vrouwen in de tempel nog ritueel weeklagen om Tammuz, de zoon-minnaar van de Godin, zoals wordt vermeld in het boek Ezechiël. Professor Widengren bevestigt dat deze rituele rouw om Tammuz in Israël plaatsvond net zoals in Mesopotamië. In Jeremia’s tijd, omstreeks 620 v.Chr., beklaagden opstandige vrouwen zich over het optreden van Josia en verkondigden openlijk dat zij van plan waren om de ‘Koningin van de Hemel’ te blijven vereren. Hoewel het bevel tot de vernietiging van kunstvoorwerpen dat van de Levieten uitging er waarschijnlijk toe heeft geleid dat in zuidelijk Kanaän minder archeologische vondsten zijn gedaan dan in de rest van het Nabije Oosten, is er in de andere landen waarin Hebreeën woonden of waar ze mee in contact waren, zoals Egypte, Babylonië, Sinaï en het noorden van Kanaän, wel een reusachtig aantal bewijsstukken van wijd en zijd vereren van de vrouwelijke godheid opgegraven.

Tijdens het bewind van Josia kon Juda aanvankelijk profiteren van de tijdelijke zwakheid van de grote mogendheden. Het Assyrische Rijk raakte langzaam in verval en het Babylonische Rijk was nog niet sterk genoeg om de leidende rol van Assyrië in de regio over te nemen. Josia veroverde gebied dat tot de verovering van Israël door Assyrië bij Israël had gehoord.

Later bond Josia de strijd aan met Egypte. In 609 v.Chr. probeerde Josia het oprukkend Egyptisch hulpleger van Necho voor Assyrië te stoppen, maar zijn leger werd verslagen. Hij sneuvelde in deze slag bij Megiddo en dit betekende het einde van Juda's onafhankelijkheid. Juda kreeg van Egypte een zware belasting (schatting) opgelegd. Eljakim, de zoon van Josia, werd door de Egyptenaren tot nieuwe koning benoemd en hij kreeg van de Egyptenaren de naam Jojakim. Na deze interventie, bemoeiden de Egyptenaren zich niet meer met de interne politiek in Juda. Egypte had inmiddels de oorlog tegen de Babyloniërs verloren (Slag bij Karkemisch). Niet veel later vielen de Babyloniërs onder leiding van koning Nebukadnezar Juda binnen en veroverden het.

Volgens de Bijbelse traditie: opsplitsing koninkrijk Israël[bewerken]

In "I Koningen" wordt beschreven hoe het Bijbelse rijk van David en Salomo na de dood van Salomo uiteenvalt. De officiële aanleiding voor het uiteenvallen van de eenheidsstaat zou een twist zijn geweest over de zware belastingen die koning Salomo hief om zijn vele bouwprojecten zoals de tempel, en zijn leger te bekostigen. De noorderlingen (eigenlijke Israëlieten) vroegen Salomo's opvolger Rehabeam belastingvermindering, maar dit verzoek werd afgewezen. Hierop scheidden de tien Israëlitische stammen uit het noorden zich af en stelden een eigen koning, genaamd Jerobeam aan, een vroegere populaire generaal van Salomo. Door de splitsing viel het eerste rijk uiteen in het Juda en Israël. Koningin Maächa en Rechabeam bleven als vazalvorsten van Juda aan de macht tot 915 v.Chr. Tijdens de onrust en instabiliteit die volgde, begonnen ook weer de overvallen en invasies van de buurlanden, die al in de tijd van de Richteren gebruikelijk waren.

Deze voorstelling van zaken wordt niet langer algemeen aanvaard.

Babylonische tijd[bewerken]

In 587 of 586 v.Chr. werd Jeruzalem belegerd, ingenomen en verwoest door Nebukadnezar II, de koning van Babylon. Daarmee kwam er een eind aan het koninkrijk Juda. In het Bijbelboek "Klaagliederen" worden de verwoestingen op indringende wijze beschreven. De val van Jeruzalem is een waterscheiding in de geschiedenis van het Joodse volk.
Ongeveer in dezelfde tijd werd een begin gemaakt met de belegering van de stad Tyrus, die toen nog op een eiland voor de kust lag. Volgens sommige bronnen zou het beleg dertien jaar hebben geduurd. Uiteindelijk werd er een compromis gesloten: voortaan zou Tyrus schatting betalen aan de koning van Babylon.

Babylonische ballingschap van Juda[bewerken]

Nebukadnezar viel Juda binnen en deporteerde een aantal inwoners: dit wordt de Babylonische ballingschap genoemd. Het gebeurde nadat Nebukadnezar Jeruzalem voor de tweede keer bezette. De eerste keer had hij orde op zaken gesteld en een einde gemaakt aan het koningschap van de al te jonge koning Jojachin. Die was toen uit zijn functie ontzet en vervangen door Sedekia (Willibrordvertaling: Sidkia). Maar ook Sedekia bleek niet in staat eenheid onder de Joden te bewaren en bij de tweede bezetting maakte Nebukadnezar een definitief einde aan het zelfstandig voortbestaan van Juda. De Babyloniërs slechtten de muren en de tempel werd verwoest. Wat van de tempel overbleef werd met de grond gelijk gemaakt en een deel van de bevolking, waaronder vooral de religieuze en politieke vooraanstaanden, werd meegevoerd en lange tijd in ballingschap gehouden. In 586 v.Chr. eindigde daarmee het koninkrijk Juda. James Pritchard noemt dit gebeuren een allerbelangrijkste gebeurtenis voor Israël, wegens de stempel die de wegvoering van de Joodse intelligentsia naliet op het jodendom. Vanaf het einde van Josia's koninkrijk spreekt men eerder over Joden als volk in plaats van Israëlieten omdat de verschillen tussen de 12 stamvaders verwaterden door de centralisatie onder Josia en de impact van de Babylonische ballingschap (zie Joodse diaspora).

De joden in Babylon mochten daar wel hun geloof blijven belijden en genoten binnen hun isolement een betrekkelijke vrijheid. Zij maakten daar dan ook gebruik van om zich mentaal, religieus en politiek te organiseren en hun identiteit te bevestigen. Toen is waarschijnlijk het Hebreeuws alfabet ontstaan. In Babylon kwam de joodse intelligentsia in aanraking met het Zoroastrisme; zij voelde zich erdoor gestaafd tot haar eigen opvatting van het monotheïsme. Gedurende deze tijd kwam het merendeel van de joodse heilige schriften tot stand, die alle gecentreerd waren rond het exclusieve geloof in de ene mannelijke God JHWH, in tegenstrijd tot de alom heersende religieuze praktijken in de wijde omgeving en in het thuisland, waarmee zij al eerder in botsing waren gekomen.

Dit alles gebeurde in een periode waarin meerdere volken op zoek waren naar bevestiging van hun identiteit. Ook in Babylon zelf werd een geheel nieuwe mythologie geschreven, met de uitgesproken vechtlustige en mannelijke stormgod Marduk aan het hoofd van het pantheon. Hij is trouwens geen onbekende in de Bijbel waarin hij Merodach wordt genoemd.

De politieke, sociale en religieuze omstandigheden in de periode van de Babylonische ballingschap hadden een enorme invloed op de verdere geschiedenis van de hellenistische en de joods-christelijke wereld.

Perzische tijd[bewerken]

Het Perzische Rijk rond 500 voor Christus.

Het Perzische Rijk was aanzienlijk groter dan de rijken die daarvoor over delen van Voor-Azië hadden geheerst. Het strekte zich uit van Thracië tot de Indus. Het was hoofdzakelijk koning Cyrus (Kuruš) (559-530 v.Chr.) die het rijk grondvestte. Zijn opvolger was Cambyses. In de vijfde eeuw regeerden de koningen Darius I, Xerxes, Artaxerxes I en Darius II. In de vierde eeuw regeerden Artaxerxes II, Artaxerxes III, Arses en Darius III.

Cyrus was een bekwaam veldheer, die zijn tegenstanders dikwijls verraste door zijn snelle troepenverplaatsingen. In 539 v.Chr. werd Babylon door de Perzen veroverd. Babylon, in die tijd de grootste stad ter wereld, werd verdedigd door de kroonprins Belsazar (of Balthazar). Met de ruggensteun van Babylonische partizanen kostte het Cyrus II weinig moeite om af te rekenen met het leger van Belsazar, waarna hij zijn intrede in de stad vierde, verwelkomd door vele inwoners die ontevreden waren over de religieuze politiek van de laatste Babylonische koningen. Sindsdien voerde Cyrus ook de titel 'koning van Babylonië'. Cyrus sneuvelde in het noordoosten van Iran, tijdens een veldtocht tegen nomaden uit Centraal-Azië.
Cambyses, de opvolger van Cyrus, veroverde Egypte. In de Griekse geschiedschrijving wordt Cambyses als een gewelddadige tiran afgeschilderd; andere bronnen tonen juist zijn verdraagzaamheid. In 522 kwam hij onder geheimzinnige omstandigheden om het leven.

Anders dan de Assyriërs en de Babyloniërs voordien was het nieuwe Perzische gezag opmerkelijk tolerant en stond het open voor personen uit de overwonnen volkeren om in het Perzisch bestuur opgenomen te worden. In 538 laat Cyrus II van Perzië de eerste ballingen terugkeren Juda en wordt joodse tempel in Jeruzalem heropgebouwd.

De tolerantie blijkt ook uit het feit dat mensenrechten al door Cyrus werden omschreven en de status van wet verkregen. Een en ander had mogelijk een religieuze achtergrond: Cyrus zou namelijk een aanhanger van het Zoroastrisme zijn geweest. Maar vermoedelijk werd zijn tolerantie mede bepaald door praktische omstandigheden. Cyrus schonk aan al zijn vijanden genade. Na zijn machtsovername stuurde hij onverwijld naar de verschillende gebieden de godenbeelden en andere religieuze voorwerpen terug, die door de Babylonische koningen vroeger waren geroofd en naar de hoofdstad gesleept. In dit verband kregen ook de Joden de uit de tempel geroofde voorwerpen terug. Velen die destijds verbannen waren, kregen toestemming om naar hun vaderland terug te keren, onder hen ook duizenden Israëlieten, waarmee een einde kwam aan de "Babylonische ballingschap". Volgens de Bijbel wordt Jeruzalem in 445 herbouwd onder Nehemia.

Ook Fenicië behoorde sinds 539 tot het Perzische Rijk. In 343 v.Chr. nam de stad Sidon deel aan een Egyptische opstand. Als vergelding verwoestte Artaxerxes III deze stad. Daarna onderwierp hij Egypte en ook Cyprus. Anderzijds sloeg hij met bezorgdheid de snelle opkomst van het Macedonische koninkrijk gade. Amper tien jaar later begon Alexander de Grote zijn zegetochten. In 332 verwoestte hij Tyrus nadat de havenstad, als enige in Fenicië, tegen zijn leger weerstand had geboden. Alle mannelijke inwoners werden gekruisigd, en de vrouwen en kinderen als slaven verkocht. Dat betekende het definitieve einde van Fenicië. Van 323 tot 146 v.Chr. was Ashkelon opnieuw de belangrijke Palestijnse havenstad in de Hellenistische periode.

Hellenistische tijd[bewerken]

Alexander de Grote[bewerken]

In de loop van de vierde eeuw begon het Perzische Rijk ontbindingsverschijnselen te vertonen. Dit maakte de weg vrij voor het spectaculaire succes van Alexander de Grote. Philippos II, koning van Macedonië, had reeds plannen gemaakt om Perzië binnen te vallen. Doordat hij in 336 v.Chr. werd vermoord, was het zijn zoon Alexander die het waagstuk uitvoerde. De veroveringstocht van Alexander is een van de spectaculairste expedities uit de militaire geschiedenis. In ongeveer tien jaar veroverde Alexander het gehele Perzische Rijk tot aan de rivier de Indus.

Alexanders dood in 323 v.Chr. wordt beschouwd als het begin van de periode van het Hellenisme. De Griekse taal was gedurende deze periode de lingua franca van Zuidwest-Azië. Van Macedonië tot in Egypte en van Zuid-Italië tot in het noordwesten van India werd door de elite en door soldaten Grieks gesproken en werd de Griekse cultuur verspreid.

Het rijk van Alexander de Grote bij zijn dood (323 v.Chr.).

Na Alexanders dood volgden enkele decennia van grootschalige oorlogen, waarbij een aantal generaals van Alexander, de 'diadochen', probeerden een zo groot mogelijk deel van het rijk voor zichzelf te bemachtigen. In het begin van de derde eeuw bestond het voormalige Macedonische Rijk uit een aantal koninkrijken. De belangrijkste rijken in het hellenistisch cultuurgebied waren het rijk der Seleuciden in Syrië en dat der Ptolemaeën in Egypte. Aanvankelijk hoorde Palestina bij het rijk van de Ptolemaeën, maar na het einde van de vijfde Syrische Oorlog met de Slag bij Panium) in 200, werd het ingelijfd door de Seleuciden. Antiochus IV Epiphanes van de Seleuciden heerste toen over een groot gebied van het Midden-Oosten, met als kerngebied het huidige Syrië, waarvan ook Palestina, de Libanon en delen van het huidige Irak deel uitmaakten. Hij voerde nadien nog diverse oorlogen tegen de rivaliserende Ptolemaeën in Egypte, die hij bijna wist te verslaan. Ingrijpen van de Romeinen, die met hun vloot naar Alexandrië waren overgestoken, dwong Antiochus echter onverrichter zake terug te keren naar Syrië.

Nabateeërs[bewerken]

In 169 v.Chr. stichtte de oude stam der Nabateeërs een koninkrijk in het zuiden van wat intussen Jordaans grondgebied is. Hun hoofdstad was Petra, dat tevens een belangrijke stop op diverse karavaanroutes was. In deze periode worden nog een aantal nieuwe bouwwerken opgetrokken, in de kenmerkende Hellenistische stijl, die steeds een vermenging is van plaatselijke invloeden en de Klassiek Griekse. Petra is daar een voorbeeld van. De Nabateeërs gaan de karavaanroutes tussen Jemen, Mesopotamië, Syrië, Fenicië en Egypte beheersen en hun rijk breidt uit in de Negev-woestijn (o.a. Avdat), tot het zuiden van het hedendaagse Syrië (Bosra) en de Hedjaz.

Makkabeese opstand en Joodse onafhankelijkheid[bewerken]

In 168 v.Chr. beval Antiochus IV om het altaar van Baäl Hasjamaïm (het Syrische equivalent van Zeus) op te zetten in de joodse tempel te Jeruzalem. De Joodse priester Mattathias en zijn zoon Judas Makkabeüs leidden toen de furieuze joden in een opstand tegen de Seleuciden. Antiochus, woedend over het verzet van de joden, voerde daarop persoonlijk zijn leger aan en liet duizenden joden ombrengen. Voor zijn wreedheid noemden ze hem al snel Antiochus Epimanes (grieks voor de gek). Antiochus overleed aan een ziekte op het hoogtepunt van de strijd. Ook Judas sneuvelde in de strijd. Zijn broer Simon wist, zo'n twee decennia na de dood van Antiochus IV, uiteindelijk onafhankelijkheid voor de Joodse staat te verkrijgen. Hij stichtte de Hasmonese dynastie, die tot 63 v.Chr. in Judea aan de macht zou blijven. Na de dood van Antiochus IV werd het rijk van de Seleuciden lange tijd door interne twisten verscheurd wat een verklaring kan zijn voor de uiteindelijk geslaagde opstand van de Joden.

Romeinse tijd[bewerken]

Hasmoneeën[bewerken]

In de tweede eeuw voor Christus kwamen in Palestina de Hasmoneeën aan de macht. In dezelfde periode begon het Romeinse Rijk ook het oostelijk deel van het Middellandse Zeegebied onder zijn heerschappij te brengen. Daarbij maakten zij handig gebruik van interne twisten.

Toen in de eerste eeuw diverse leden van de familie der Hasmoneeën verwikkeld waren in onderlinge strijd, opende dat de deur voor de Romeinen. In 63 v.Chr. belegerde Pompeius Jeruzalem. Nadat de stad was ingenomen werd het Joodse koninkrijk een Romeinse vazalstaat onder Hyrkanus II. Van 40 tot 37 maakten de Parthen er de dienst uit, waarna het weer door de Romeinen werd heroverd. Zij installeerden koning Herodes de Grote, de laatste der Hasmoneeën. In 30 v.Chr. werd ook Egypte een Romeinse provincie. In 4 v.Chr. wordt Palestina verdeeld. Galilea en Perea vormen een vazalstaat onder Herodes Antipas, Judea is tot 6 na Chr. een vazalstaat onder Herodes Archelaüs, vervolgens een Romeinse provincie onder de naam Judea.

Tijdens het bewind van keizer Augustus rond de jaartelling wordt Jezus Christus van Nazareth geboren, die de basis vormde voor het christelijk geloof. Ergens in de periode 26-36 is Jezus gekruisigd en gestorven in Jeruzalem.

Joodse Oorlog[bewerken]

De triomftocht van de Romeinen op de binnenzijde van de boog van Titus te Rome

In 66 begint de Joodse Oorlog tegen de Romeinen. Het Joodse verzet wordt neergeslagen door de Romeinen onder leiding van Vespasianus en Titus. In 70 wordt de joodse Tempel in Jerusalem verwoest. In 73 ten slotte viel de laatste Joodse vesting, Massada.

Tijdens de Kitosoorlog, een opstand van de Joodse diaspora, blijft het relatief rustig in Palestina. De situatie in Palestina blijft voor de Romeinen echter ingewikkeld. Onder Hadrianus' bewind was het nodig Legio VI Ferrata permanent in Judea te stationeren, waarmee de latere Bar Kochba-opstand werd neergeslagen. In 130 besluit keizer Hadrianus Jerusalem, op dat moment in ruïnes, herop te bouwen. Als in 132 blijkt dat Hadrianus op de ruïnes van de Joodse tempel een tempel voor Jupiter wil bouwen, breekt de Tweede joodse Opstand uit. De opstand wordt neergeslagen door Sextus Iulius Severus in opdracht van keizer Hadrianus en Judea wordt onderdeel van de provincie Syria-Palaestina. Op de puinhopen van Jeruzalem sticht keizer Hadrianus de stad Colonia Aelia Capitolina, gewijd aan Jupiter Capitolinus. Het wordt voor Joden verboden zich in de nieuwe stad te vestigen. Dit gebod bleef tot aan de vierde eeuw van kracht. De Joodse bevolking concentreerde zich nadien in Galilea.

In 337 wordt het Romeinse Rijk gesplist in een West- en een Oost-Romeins Rijk. Palestina behoort tot het oostelijke deel wat later bekend werd als het Byzantijnse Rijk.

Palestina aan het einde van de 4e eeuw.

In 390 wordt Romeinse provincie Syria-Palaestina opgesplitst in drie delen: Palaestina Prima met als hoofdplaats Caesarea), Palaestina Secunda met hoofdplaats Scythopolis) en Palaestina Tertia met Petra) als hoofdplaats. In 395 wordt het christendom de staatsgodsdienst in Oost-Romeinse Rijk en verslechtert de juridische positie van de Joden.

Middeleeuwen[bewerken]

In 638 valt Omar ibn al-Chattab, de tweede kalief, Jeruzalem binnen en wordt het Byzantijnse bestuur beëindigd. Van 661 tot 750 regeren de Arabische Omajjaden vanuit Damascus. Op de tempelberg, de plaats waar de joodse Tempel stond wordt de Al-Aqsamoskee gebouwd en in 705 wordt er de Rotskoepel voltooid.

Vanaf 969 valt de regio onder invloed van het Egyptische kalifaat van de Fatimiden. In de 11e eeuw rukken de Seltsjoeken, een Turks volk uit het huidige Turkmenistan, op naar het Midden-Oosten. In 1055 veroveren ze de hoofdstad van het rijk der Abassiden, Bagdad. Na de Slag van Manzikert waarbij de Byzantijnse legers verslagen werden, worden ook Syrië en Palestina in 1071 veroverd op de Fatimidische khaliefen van Egypte. Niet veel later, in 1097, wordt de regio veroverd door de kruisvaarders. Jeruzalem wordt ingenomen in 1099 en het Latijnse Koninkrijk van Jeruzalem wordt gesticht. In 1187 verovert sultan Saladin (Salah al-din al-ayyoubi) Jeruzalem in de Slag bij Hittin. Saladin sticht de Ayyubis in Caïro. In 1250 plegen de Mamelukken (soldatenslaven) echter een staatgreep en vermoorden de Ajjoebische sultan. De Mongoolse legers vallen binnen in het noorden van Palestina in 1260, maar worden verslagen door het Mamelukse leger. De Mamelukse sultan Khalil verovert na een bloedig beleg het laatste kruisvaarderbolwerk in Akko in 1291. Zo voltooiden de Mamelukken het werk van Saladin en verdrijven ze de laatste kruisvaarders uit de Levant. Hun rijk strekte zich uit tot Oost-Turkije. Tot 1516 wordt Palestina geregeerd vanuit Caïro.

Ottomaanse periode[bewerken]

In 1516 wordt Palestina in het Ottomaanse Rijk opgenomen en vanuit Constantinopel bestuurd. In 1799 verovert Napoleon kortstondig de kuststreek. Tussen 1832 en 1840 bestuurt Pasha Mohammed Ali (Egypte) tijdelijk Palestina, daarna nemen de Ottomanen het weer over. In 1871 wordt Jeruzalem een autonome sandjak.

Naar het einde van de 19e eeuw toe, ontwikkeld het zionisme zich meer en meer in Europa en in 1878 wordt de eerste zionistische nederzetting gesticht: Petach Tikwa. In 1880 wordt Jeruzalem de grootste stad, met binnen de stadsgrenzen een joodse meerderheid. Van 1882 tot 1903 is er een eerste grote migratiegolf van Joden (25.000) naar Palestina, op de vlucht voor pogroms in Oost-Europa (voornamelijk Rusland). In 1882 begint de Franse baron Edmond de Rothschild zionistische activiteiten in Palestina financieel te steunen.

In 1887-1888 wordt Palestina door de Ottomanen verdeeld in drie districten of sandjaks: Jeruzalem (direct onder bestuur van Istanbul), Akko en Nablus (onder bestuur van de vilajet van Beiroet). In 1892 wordt de eerste spoorlijn van Palestina aangelegd tussen Jaffa en Jeruzalem. In 1896 publiceert Theodor Herzl, een journalist van Oostenrijks-Hongaarse afkomst, Der Judenstaat (de Jodenstaat) die de totstandbrenging van een Joodse staat bepleit, zonder het specifiek over Ottomaans Palestina te hebben. In datzelfde jaar begint de JCA (de Joodse Vereniging van de Kolonisatie) zionistische vestigingen in Palestina te helpen, naast projecten in Noord- en Zuid-Amerika, waaronder in het bijzonder de Verenigde Staten, Argentinië en Brazilië.

Het eerste zionistische congres in Zwitserland geeft in 1897 het Programma van Bazel uit "waarin ze vragen om een thuis voor de Joden in Palestina" en vestigt er de WZO (Zionistische Wereld Organisatie). In 1901 wordt door het vijfde zionistische congres het Joods Nationaal Fonds opgezet om land in Palestina te verwerven en te ontginnen, onder andere door de aanleg van bossen om erosie tegen te gaan en wegenbouw om gebieden voor stedelijke bevolking te ontsluiten. Van 1904-1914 spreekt men van de tweede golf (rond de 40.000) van Joodse immigranten uit voornamelijk Rusland en Polen die het totaal aantal Joden op 85.000 brengt (dat is 6% (?) van de bevolking).

Brits Palestina[bewerken]

Tijdens de Eerste Wereldoorlog geeft het Verenigd Koninkrijk de Balfour-verklaring uit.

De in rood gemarkeerde grenzen van de Joodse staat, zoals gedurende de Vredesconferentie van Parijs (1919) door de zionisten is voorgesteld

Hierin zeggen de Britten steun toe voor de vestiging van een Joods nationaal tehuis in Palestina. Nadien veroveren zij onder leiding van generaal Edmund Allenby de Levant op het Ottomaanse rijk. Op 3 januari 1919 werd de zogenaamde Faisal-Weizmann-overeenkomst ondertekend door Faisal I die in 1920 voor een korte tijd koning van het Arabische Koninkrijk Syrië was, en Chaim Weizmann (de eerste president van Israël) als onderdeel van de Vredesconferentie van Parijs. Het was een kortstondige overeenkomst van Arabisch-Joodse samenwerking voor de ontwikkeling van een Joods nationaal tehuis in Palestina en een Arabische natie in een groot deel van het Midden-Oosten.

Het Verenigd Koninkrijk krijgt op de Conferentie van San Remo in 1920 van de Volkerenbond het mandaat over het Mandaatgebied Palestina. Het mandaat bevat de verklaring om in Palestina de vestiging van een Joods nationaal tehuis te bewerkstelligen, waarbij bepaald wordt dat niets gedaan mag worden dat inbreuk maakt op de burgerlijke en godsdienstige rechten van bestaande niet-Joodse gemeenschappen in Palestina.[31]. In 1921 wordt Transjordanië, het gebied ten oosten van de Jordaan, van Palestina afgescheiden hoewel het formeel wel deel van het Mandaatgebied Palestina blijft uitmaken.[32] Het staat aanvankelijk nog onder Brits gezag, maar Abdoellah, zoon van Hoessein van Mekka, wordt tot emir over Transjordanië benoemd. Door de Volkerenbond wordt goedgekeurd dat de mandaatbepalingen omtrent de vestiging van een Joods nationaal tehuis slechts zullen gelden voor Palestina ten westen van de Jordaan, dus Joodse immigratie naar Transjordanië wordt niet toegestaan.[33] Transjordanië zal in 1946 ook formeel onafhankelijk worden en later Jordanië heten. In 1923 draagt het Verenigd Koninkrijk de Golanhoogten over aan het Franse mandaatgebied Syrië.

Als gevolg van de massale Joodse immigratie verliezen steeds meer Arabische agrariërs hun grond, mede doordat Arabische grootgrondbezitters[34] hun grond verkopen aan Joodse inwoners zonder rekening te houden met de Palestijnen die deze grond al generaties lang bebouwden. Massale verpaupering is het gevolg.[35] In 1929 vindt een bloedbad in Hebron plaats, waarbij 67 Joden door Arabische inwoners worden vermoord. De Arabische bevolking komt in opstand tegen het Britse gezag en tegen de Joodse immigratie.

De Arabische bevolking komt in opstand tegen het Britse gezag en tegen de Joodse immigratie. In 1936 breekt de Arabisch-Palestijnse opstand uit. De opstand wordt geleid door het Arabisch Hoge Comité, voorgezeten door Amin al-Hoesseini, de hoogste leider der Arabieren in Palestina in de jaren 20, 30 en 40. Honderden Joden worden door Arabieren gedood. Duizenden Arabieren komen om, in vuurgevechten met de Britse politie of als gevolg van aanslagen door zionistische organisaties als de Irgoen. De Arabische opstand heeft verstrekkende gevolgen voor de toekomst. Tienduizenden Arabieren, behorend tot de elite van de bevolking, ontvluchtten het land of vertrokken vrijwillig.[36][37][38] De Joden van Palestina ontwikkelen uit hun milities een eigen leger en politie, de eerste Joodse organisaties van die soort in ruim 1800 jaar. In 1937 beperkt het Verenigd Koninkrijk de Joodse immigratie en landaankoop (het verdelingsplan-Peel). In het MacDonald White Paper uit 1939 stelt het Verenigd Koninkrijk zelfbestuur voor Palestina binnen tien jaar in het vooruitzicht en beperkt de Joodse immigratie. In het licht van de opflakkerende conflicten wordt het concept van Joods zelfbestuur door het Verenigd Koninkrijk verlaten.

In 1940 wordt Palestina gebombardeerd door de Italiaanse luchtmacht met als doel Groot-Brittannië en haar Gemenebest-naties te treffen. De luchtaanvallen waren vooral gericht op Tel Aviv en havenstad Haifa.

Op 29 november 1947 neemt de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties resolutie 181 aan, met de aanbeveling Palestina te verdelen in een Joodse en een Arabische staat.

Het VN-delingsplan voor Palestina (1947)
Geel: Arabische staat (42,9%)
Oranje: Joodse staat (56,4%)
Wit: Internationaal statuut (0,7%)
De staat Israël na de oorlog van 1948/`49.
Ruim 77% van Palestina zoals dat tot 1948 onder het Britse mandaat bestond is in Israëlische handen. De overige 23% is door Jordanië en Egypte bezet.[39]

Jeruzalem moet een internationaal statuut krijgen. De Joodse staat zou 56,4% van Palestina beslaan, de Arabische staat 42,9%.[40] De Joden van Palestina accepteren het verdelingsplan, terwijl de Arabieren van Palestina en daarbuiten het unaniem als grof onrecht van de hand wijzen. Na het bekend worden van de resolutie breekt in Palestina opnieuw een burgeroorlog uit.

Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Arabisch-Israëlische Oorlog van 1948 voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Van 2 april tot 14 mei 1948 voeren Joodse strijdkrachten het Plan-Dalet uit om het in het verdelingsplan aan de Joodse staat toegewezen gebied alsmede de Joodse bevolkingsconcentraties daarbuiten veilig te stellen en een corridor naar Jeruzalem te verwezenlijken in anticipatie op een aanval van Arabische legers. In geval van gewapend verzet diende de bevolking uit de staat worden verdreven en de desbetreffende Arabische dorpen worden verwoest. Als er geen verzet was konden de bewoners in de Arabische dorpen blijven, onder militair bewind.[41] De Israëlische geschiedkundige Ilan Pappé stelt dat het plan tot doel had zo veel mogelijk Palestijnen te verdrijven. De historicus Benny Morris alsmede de Palestijnse historicus Issa Khalaf stellen dat het Plan Dalet niet de verdrijving van Palestijnen tot doel had, maar dat het een logisch gevolg van een oorlog is geweest.[42][43] Circa 250.000 Arabieren vertrekken of worden op de vlucht gejaagd. Op 14 mei 1948, de dag dat het Britse Mandaat ten einde komt, roept het Joods Agentschap de onafhankelijke staat Israël uit.

Als gevolg van deze operaties escaleert de oorlog tussen de Arabieren en de Joden. Nu mengen ook legereenheden uit vijf Arabische buurlanden zich in de strijd. De stroom van Arabisch-Palestijnse oorlogsvluchtelingen zwelt aan tot circa 750.000. Meer dan 400 Arabische dorpen worden ontvolkt en verwoest. De eerste Arabisch-Israëlische Oorlog duurt van 1948 tot 1949. Een van de Palestina binnentrekkende Arabische landen, Jordanië, bezet de gehele Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem. De bevolking van Jeruzalem verdeelt zich volgens etnisch-religieuze lijnen: veel Arabieren trekken weg uit westelijke delen van de stad. De Joodse wijk van oostelijk Jeruzalem wordt wekenlang door het Jordaanse legioen bestookt en uiteindelijk geheel ontruimd waarbij de mannen in krijgsgevangenschap naar Jordanië worden meegenomen. Joden mogen de voor hen heilige plaatsen waaronder de Klaagmuur niet langer bezoeken. Israël richt hoge betonnen muren op om de Joodse bevolking van West-Jeruzalem te beschermen tegen beschietingen vanuit het door Jordanië bezette oostelijke stadsdeel. Egypte verovert de Gazastrook en houdt dit gebied bezet tot 1967.

Na deze oorlog beslaat de staat Israël ruim 77%[39] van de oppervlakte van Palestina zoals dat tot 1948 onder het Britse mandaat bestond. De overige 23% wordt door respectievelijk Jordanië en Egypte bezet en 18% van de oppervlakte van het oorspronkelijke Mandaatgebied Palestina (inclusief Transjordanië) waarin volgens de bepalingen van de San Remo conferentie en de Volkenbond in 1920 het Joods Nationaal Tehuis zou moeten worden gevestigd.[44]

Ruim 800.000 Joden vluchten of vertrekken onder invloed van Israëlische immigratiecampagnes vanaf 1948 uit Arabische landen, waarvan circa 600.000 naar Israël trekken.[45][46]

Na 1948[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Geschiedenis van Israël voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
1rightarrow blue.svg Zie Geschiedenis van de staat Palestina voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Oorlogen met de buurlanden[bewerken]

De 'Westelijke Jordaanoever' wordt in 1950 eenzijdig geannexeerd door Jordanië. Tijdens de Zesdaagse Oorlog in 1967 verovert Israël de Westelijke Jordaanoever op Jordanië, de Gazastrook en het Sinaï schiereiland op Egypte en de Golanhoogten op Syrië, na een militaire escalatie waarin Egypte de internationale waterwegen in de Rode Zee had geblokkeerd en de VN-vredesmacht van Egyptisch grondgebied in de Sinaï-'bufferzone' weggezonden.

De Jom Kipoeroorlog begon op 6 oktober 1973 op de Joodse heiligste dag Jom Kipoer, toen Egypte en Syrië een gecoördineerde aanval uitvoerden op Israël, in een poging om hun in 1967 door Israël bezette grondgebied te heroveren. Ook Algerije, Irak, Koeweit, Libië, Marokko, Saoedi-Arabië, Soedan en Tunesië stuurden soldaten, tanks en/of gevechtsvliegtuigen naar de strijd. De oorlog eindigde eind oktober 1973 na het aannemen van resolutie 338 van de Veiligheidsraad met een wapenstilstand.

Intifada en Oslo-akkoorden[bewerken]

Tijdens de eerste intifada van 1988 tot 1993 komen Palestijnen in opstand tegen de Israëlische bezetting. Deze opstand eindigt met de Oslo-akkoorden.

Op 15 november 1988 wordt in Algerije de Palestijnse staat uitgeroepen met Oost-Jeruzalem als hoofdstad[47]. In totaal erkennen 90 landen de onafhankelijkheidsverklaring. Nederland en België erkennen de staat Palestina niet.

De autonome gedeelten van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook vormen sinds 1994 de Palestijnse Autoriteit, conform de Oslo-akkoorden uit 1993. Volgens de verdragen tussen de PLO en de Israëlische regering blijven de nederzettingen of koloniën, Israëlische dorpen en steden die sinds 1967 in deze gebieden zijn gebouwd, tezamen met het grootste deel van de Palestijnse gebieden (Area C, zie Gouvernementen van Palestijnse Autoriteit) voorlopig onder Israëlisch gezag[48]

Van 2000 tot 2005 is er een tweede opstand van de Palestijnen. Als aanleiding hiervoor wordt door Palestijnen het bezoek van premier Ariel Sharon aan de Tempelberg genoemd.

Erkenning Palestina[bewerken]

Ecuador, Brazilië, Argentinië en Uruguay erkenden in december 2010 Palestina als zelfstandige staat.[49] Erkenning door vele andere landen volgde. In december 2011 was de staat Palestina erkend door 130 landen.[50] Palestina werd op 31 oktober 2011 toegelaten als lidstaat van de UNESCO.[51]

In 2012 VN erkennen Palestina als niet-lidstaat. De uitslag van VN resolutie 67/19 [52] was als volgt; 138 leden stemden voor de statusverhoging van Palestina, onder andere Frankrijk, Italië, Spanje, België en Zwitserland; negen leden stemden tegen, waaronder Canada, Israël, Micronesië, Palau, Panama en Verenigde Staten en 41 leden, waaronder Duitsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk, onthielden zich van stemming.[53][54][55]

Bibliografie[bewerken]

  • Ahlström, G.W. (1993): The history of ancient Palestine from the Palaeolithic period to Alexander's conquest, with a contribution by G.O. Rollefson, ed. by D. Edelman, Sheffield Academic Press, Sheffield, ISBN 1-85075-367-9.
  • Campbell, Joseph: (1962): The Masks of God: Oriental Mythology, Secker and Warburg
  • de Vaux, Roland (1965): Ancient Israel,
  • Dever, William G.: Did God Have A Wife? Archaeology And Folk Religion In Ancient Israel
  • Dever, William G.: Who Were the Early Israelites and Where Did They Come From?
  • Ergener, Reşit (1988): Anatolia land of Mother Goddess, Hitit publication Ankara, ISBN 975 7521 02 7
  • Finkelstein, Israel en Silberman, Neil Asher (2006): De Bijbel als mythe - Het andere verhaal van de archeologie, 2e druk, vertaling Bram Moerland, 448 pagina's, Uitgeverij Synthese - Den Haag, ISBN 9062719511
  • Godley, A. D. (1920), (rev 1926), (2004): The Histories of Herodotus - 4 volumes van Loeb Classical Library, Harvard University Press. ISBN 0-674-99130-3
  • Gray, J. (1964): The Canaanites, London, Thames & Hudson
  • Hutchinson, R.W. (1962): Prehistoric Crete, Penguin,
  • Lewis, Bernard (2002): The Arabs in History, Oxford University Press, USA; 6New Ed edition
  • Josephus, Flavius Antiquitates Judaicae, Geschiedenis van de Joden., trad. comm. F.J.A.M. Meijer - M.A. Wes, 3 vol., Baarn, 1997-1998. ISBN 9026314159, ISBN 9026314558, ISBN 9026314566
  • Kenyon, Kathleen (1957) Digging Up Jericho, London. (also published in Dutch, Hebrew, Italian, Spanish and Swedish editions).
  • Kenyon, Kathleen (1960) Excavations at Jericho - Volume I Tombs Excavated in 1952-4, London.
  • Kenyon, Kathleen (1965) Archaeology in the Holy Land, second edition, London.
  • Kenyon, Kathleen (1965) Excavations at Jericho - Volume II Tombs Excavated in 1955-8, London.
  • Kenyon, Kathleen (1966) Amorites and Canaanites, [Schweich Lectures Series, 1963], London: Published for the British Academy by Oxford University Press.
  • Kerrigan,Michaël; Alan Lothian, Piers Vitebsky (1998) Midden-Oosterse Mythen, De eerste Heldendichten, Time-Life books BV, Amsterdam, ISBN 9053902147
  • Kramer, prof. Samuel Noah, Wilson prof. J.A., Wright, dr. G. Ernest, en Saggs H.W.F., 1974: Dagelijks leven in de Bijbeltijd, National Geographic Society, De Haan, ISBN 90-228-31310
  • Lloyd, S. (1956): Early Anatolia, Penguin.
  • Lloyd, S. (1967): Early Highland Peoples of Anatolia, Thames and Hudson.
  • Magnussen, M. 1978: Graven in Bijbelse Bodem - Archeologie van de landen van de Bijbel, Westland, Schoten, ISBN 9024670209
  • Moorey P.R.S., Boardman John, Gray Basil, prof. Oates David, 1975: Byblical Lands, Elsevier SA, Lausanne.
  • Moran, William L. (1992) The Amarna Letters, Baltimore: Johns Hopkins University Press, ISBN 0-8018-4251-4
  • Moscati, Sabatino (1999): The World of the Phoenicians, Phoenix Giant, London, ISBN 0-75380-746-7
  • Naerebout, F.G. en Singor, H.W. (1995): De Oudheid. Grieken en Romeinen in de context van de wereldgeschiedenis, derde druk, Ambo, Amsterdam.
  • Noll, K.L. (2001): Canaan and Israel in antiquity. An introduction, Sheffield Academic Press, Londen/New York.
  • Patai, Raphael (1967): The Hebrew Goddess, Wayne State University Press, (1990): derde editie, ISBN 0-8143-2271-9
  • Riemschneider, Margarete; Bossert, Helmuth Th. (Ed.) (1958): De wereld der Hethieten - Grote culturen der Oudheid, Uitg. Mij. Holland, Amsterdam
  • Redford, D.B. (1992): Egypt, Canaan, and Israel in ancient times, Princeton University Press, Princeton (NJ).
  • Schott E. (1972): Das Goldhaus unter König Snofru (Göttinger Miszellen 3), Göttingen
  • Schoors, A. (1986): Berseba: de opgraving van een bijbelse stad, Uitg. J.H. Kok, Kampen, ISBN 902422778x
  • Smith, Mark S. The Early History of God: Yahweh and the Other Deities in Ancient Israel (Biblical Resource Series)
  • Soggin, J. Alberto "A History of Israel from the Earliest Times to the Revolt of Bar Kochba AD 135"
  • Tubb, Jonathan N. Canaanites (Peoples of the Past, 2)
  • Wood,Bryant G. "Dating Jericho’s Destruction: Bienkowski Is Wrong on All Counts" in Biblical Archaeology Review 16:05, Sep/Oct 1990

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Noten
  1. a b K.L. Noll (2001): Canaan and Israel in antiquity. An introduction, Sheffield Academic Press, London/New York, p. 87.
  2. Nigel Goring-Morris (1998): 'Complex hunter/gatherers at the end of the Paleolithic (20,000-10,000 BP)', in:The archaeology of society in the Holy Land, Continuum International Publishing Group, ISBN 9780826469960, p. 141ev.
  3. Noll, Canaan and Israel in antiquity, p. 88.
  4. Bijbel
  5. Dan Captures the City of Laish, Richteren 18
  6. E. Schott: Das Goldhaus unter König Snofru (Göttinger Miszellen 3), Göttingen 1972 p. 31-36
  7. Lloyd S. Early Highland Peoples of Anatolia. Early Anatolia.
  8. Moscati, Sabatino, The World of the Phoenicians
  9. Hutchinson, R.W., Prehistoric Crete, Penguin, 1962, maakt gewag van sterke banden met Minoïsch Kreta, op basis van een slangenkoker opgegraven in de Filistijnse tempel van Ashtoreth: "Enkele van de meer interessante voorbeelden van slangenkokers komen echter helemaal niet uit Kreta, maar uit plaatsen op Cyprus en uit Filistia uit de Late Bronstijd. Een andere koker, gedateerd tijdens de regering van Ramses II (ca 1292-1225) toont twee slangen die rond en in de koker naar binnen kronkelen..." Deze archeoloog baseert zich ook op vondsten van Arthur John Evans
  10. HUTCHINSON, R.W. (1962): Prehistoric Crete, Penguin
  11. K.L. Noll (2001): Canaan and Israel in antiquity. An introduction, Sheffield Academic Press, Lond0n/New York, p. 106.
  12. Kenyon, Kathleen DUJ
  13. Samuel Noah Kramer, J.A. Wilson, G. Ernest Wright en H.W.F. Saggs, 1974: Dagelijks leven in de Bijbeltijd, p. 85.
  14. G.W. Ahlström (1993): The history of ancient Palestine from the Palaeolithic period to Alexander's conquest, Sheffield Academic Press, Sheffield, pp. 282-285.
  15. Ptolemaeïsche Manetho (Egyptisch historicus) die door Josephus wordt aangehaald
  16. Farras Abdelnour, Trade at Ugarit In The 13th Century BC, 21 september 1998
  17. inscripties van Ramses III in Medinet Haboe
  18. Medinet Haboe-inscripties van Ramses III
  19. Moscati, Sabatino, The World of the Phoenicians, 1965
  20. Bijbel (Joz. 6:21)
  21. Bijbel (Exod. 34:11-15)
  22. Bijbel (Levit. 24:14)
  23. Richteren 4-17
  24. Bijbel (Num. 35:2)
  25. Noll, Canaan and Israel in antiquity, pp. 157-158.
  26. De Bijbel als mythe - Het andere verhaal van de archeologie, Israel Finkelstein en Neil Asher Silberman, vertaling Bram Moerland, 2006 (2e druk), 448 p., Synthese - Den Haag, ISBN 90-6271-951-1
  27. Zie onder anderen William G. Dever, What Did the Biblical Writers Know and When Did They Know It? What Archaeology Can Tell Us about the Reality of Ancient Israel, Grand Rapids (Mich.), 2001. ISBN 0-8028-4794-3
  28. Noll, Canaan and Israel in antiquity, p. 199,200.
  29. Bijbel (Kon. 16:32)
  30. Bijbel (II Kon. 23:4-14)
  31. Mandaattekst. In de preambule staat onder meer: "... zijn overeengekomen dat de Mandataris [= de Britse regering] verantwoordelijk moeten zijn om de verklaring uit voeren ten gunste van de vestiging van een nationaal tehuis voor het Joodse volk in Palestina waarbij duidelijk begrepen wordt dat niets mag worden gedaan dat inbreuk zou kunnen maken op de burgerlijke en godsdienstige rechten van de bestaande niet-Joodse gemeenschappen in Palestina, of op de rechten en politieke status die Joden in enig ander land genieten."
  32. Artikel 25 van het Mandaat [1] noemt het gebied ten oosten van de Jordaan als deel van het mandaat maar als niet toepasselijk voor de stichting van een Joods nationale tehuis.
  33. Jewish-Transjordanian Relations 1921-48: alliance of bars sinister, Yoav Gelber, London, Routledge (1997), pp 6-15 ISBN 0-7146-4675-X
  34. Report of the Palestine Royal Commission (The Peel commission Report) - Chapter IX - The Land - his Majesty's Printing Office, 1937
  35. M. Yazbak, "From Poverty to Revolt: Economic Factors in the Outbreak of the 1936 Rebellion in Palestine", Middle Eastern Studies, 36(3) (2000), pp. 93–113.
  36. Benny Morris
  37. Why Did The Palestinians Leave? - W Khalidi
  38. The Palestinian Exodus in 1948 - S. Glazer - 1980, In dit werk worden beide visies beschreven
  39. a b "The United Nations Partition Plan", laatste paragraaf, Middle East Research and Information Project
  40. "The Palestine Question, a brief history", United Nations, New York 1980
  41. MidEast Web Historical Documents - Plan D
  42. Benny Morris: Israels secret wars, 1991 blz. 102-103
  43. Issa Khalaf: Politics in Palestine: Arab Factionalism and Social Disintegration, 1939- 1948, 1991
  44. Gabriel G. Tabarani (2008): Israeli-Palestinian Conflict: From Balfour Promise to Bush Declaration, p. 62
  45. Jewish Refugees from Arab Countries, Jacqueline Shields, Jewish Virtual Library
  46. The Forced Migration of Jews from Arab Countries, Peace Review, maart 2003
  47. Algiers Declaration of a Palestinian State, 1988
  48. The Israeli-Palestinian Declaration of Principles: A Framework for Future Settlement, Artikel 14 en annex II
  49. Ecuador erkent Palestijnse staat, Trouw, 25 december 2010
  50. Iceland Recognizes Palestine Website IJslands ministerie van buitenlandse zaken, 15 december 2011
  51. General Conference admits Palestine as UNESCO Member Website UNESCO, 31 oktober 2011
  52. Website VN, 30 november 2012
  53. Website Reuters, 30 november 2012
  54. Palestijnse Autoriteit - Verenigde Naties (en) New York Times, 30-11-2012, bezocht 1-12-2012
  55. Erkenning Palestina een feit Al Yaqeen, 30-11-2012