Geschiedenis van de Joden in Frankrijk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Joodse gemeenschap in Frankrijk bedraagt tussen de 500.000 en de 600.000 mensen. De meeste gemeenschappen bevinden zich in de stedelijk gebieden van Parijs, Marseille, Toulouse, Lyon en Straatsburg.

Eerste Joden in Frankrijk[bewerken]

De olielamp van Orgon is de oudste materiële vondst die de aanwezigheid van Joden in Gallië aantoont

De Joodse aanwezigheid op het grondgebied dat nu Frankrijk is, gaat terug tot het begin van onze jaartelling en is één van de oudste Joodse gemeenschappen in Europa. De eerste Jood die in Gallië geleefd heeft, zou Herodes Archelaüs zijn geweest, de zoon van Herodes de Grote (vazalkoning van Palestina), die door keizer Augustus(63 v.Chr.-19) verbannen werd naar Vienne in het jaar 6. Overblijfselen, vooral gevonden in de Rhônevallei, bevestigen de Joodse aanwezigheid in de 1e eeuw. De oudste vondst betrof een olielamp versierd met een kandelaar met zeven armen en gevonden in 1967 in Orgon.

Tot de 6e eeuw bouwden de Joden synagogen in de grootste Romeinse administratieve centra, gelegen langs de handelsroutes zoals Marseille, Arles, Uzès, Narbonne, Clermont, Orléans, Parijs en Bordeaux. Ze genoten op basis van de Romeinse wet hetzelfde aanzien als hun medeburgers. Ze onderhielden goede banden met de Galliërs, ook na de kerstening van Gallië.[1]

Op het einde van de 6e eeuw verkeerden de Joden in Gallië in verschillende situaties: bisschop Gregorius van Tours (538-594) beschreef in 576 de totale vernieling van de synagoge van Clermont en de daaropvolgende bekering van joden.[2] In Parijs daarentegen werd koning Chilperik I (539-584) geadviseerd door de Jood Priscus, die de bekering weigerde.[3]

Het karolingische rijk[bewerken]

In de periode 751 - 987 (Onder de Karolingische vorsten) leefden de Joden in goede verstandhouding met Franken. Zo hadden ze toegang tot hoge posten; Karel De Grote beval een Jood edelstenen op te halen in Palestina. Een andere Jood, genaamd Isaak, werd met twee ambassadeurs in 797 naar Hâroun ar-Rachîd (763-809), de kalief van Bagdad gestuurd.[4] Hij keerde in 802 terug naar Aken met geschenken, waaronder een olifant.[5]

Het Karolingische rijk telde verscheidene Joodse gemeenschappen die over hun eigen scholen beschikten en de bescherming van de keizers genoten.[6] Alcuinus (ca. 735-804) en Hrabanus Maurus (ca. 780-856) raadpleegden geleerde Joden in het kader van hun bijbelstudies en Sdéchias, de geneesheer van Karel de Kale (823-877) was een Jood.[7] Lodewijk de Vrome(778-840) eiste een strikte bescherming van de Joden omwille van hun handelsactiviteiten.[8]

In de 8e eeuw verliep de handel tussen de Westerse wereld en het Midden-Oosten vrijwel uitsluitend via Joden. Ze vormden de enige link tussen de islam en rooms-katholieken na de verovering van Spanje door de Moren.[9] Er wordt aangenomen dat de Joodse handelaars (Radhanieten) uit de Rhône-vallei reizigers waren die meerdere talen spraken en op die manier de contacten onderhielden tussen deze twee culturen.[10]

Halverwege de 9e eeuw probeerde de katholieke kerk via concilies de vrijheid van de Joden te begrenzen en het idee te verspreiden dat Joden steeds in staat zijn tot bedrog. In Bordeaux werden de Joden beschuldigd van de overgave van de stad aan de Vikingen in 848.[11] Hincmar van Reims(ongeveer 806-882) beschuldigde de Joodse geneesheer van Karel de Kale hem te hebben vergiftigd.[12]

De eerste Capetingers (987-1096)[bewerken]

Eerste vervolgingen[bewerken]

Het vrij rustige leven van de Joden onder de Karolingers leidde tot de groei van Joodse samenlevingen in steden als Toulouse, Carcassonne, Chalon-sur-Saône, Sens en Metz.[13] Maar de macht van de Karolingische vorsten brokkelde snel af en het lot van de Joden hing af van de wil van de plaatselijke gezagsdragers. In 987 besteeg Hugo Capet, eerste vorst van de Capetingers de Franse troon. In de 11e eeuw zien we de eerste Jodenvervolgingen.

In 1010 stelde Alduin, bisschop van Limoges de Joden van zijn bisdom de keuze tussen zich bekeren of verbanning. In Normandië beval de hertog Robert I de uitroeiing van alle Joden die zich niet bekeerden tot het christendom. Deze bedreiging leidde tot diverse zelfmoorden onder de Joodse bevolking.[14] Een vooraanstaande Jood uit Rouen, Jacob B. Jekuthiel, vroeg aan de paus bescherming voor de Joden in Normandië. De paus stuurde een dignitaris in een poging de praktijken een halt toe te roepen.[14]

Adhémar van Chabannes schreef in 1030 dat westerse Joden hun oosterse geloofsgenoten waarschuwden voor een op handen zijnde aanval tegen de Saracenen. Rond die tijd werd het heilig graf van Jezus ontheiligd door de Saracenen en ingericht als een islamitische tempel. Twintig jaar later schreef Rodulfus Glaber(circa 980- circa 1046) dat de Joden van Orleans een brief hadden meegegeven met een bedelaar die bestemd was voor de Joden uit het nabije Oosten. De brief zou de aanzet zijn geweest tot de vernieling van het heilige graf van Jezus. Deze bekendmaking zette aan tot de vrijwel volledige verdrijving en slachting van de Joodse bevolking in het koninkrijk Frankrijk.[14]

In de andere gebieden die nu tot het huidige Frankrijk behoren, werden de Joden beter behandeld. In het graafschap Champagne, dat tot 1316 niet bij Frankrijk hoorde, leefde een welvarende intellectuele Joodse gemeenschap in Troyes. Ook vermelden geschiedschrijvers "gouden jaren" voor Joodse samenlevingen in Narbonne, Lunel en Montpellier.[15]

Joodse literatuur in Frankrijk[bewerken]

Rashi volgens een Nederlandse houtsnede uit de 16e eeuw

In Champagne werd de Joodse bevolking met rust gelaten en dit liet de Joodse schrijvers toe om een rijke Joodse literatuur na te laten. Deze bestond in hoofdzaak uit liturgische poëzie waarin het lijden van Joodse geloofsgenoten en de onoverwinnelijkheid van hun thuisland (het huidige Israël) beschreven werd. Vele teksten bevatten bijbelstudies, eenvoudige interpretaties van bijbelse teksten bij voorkeur geïnspireerd door de Midrasj. Maar het is vooral de Talmoed en zijn commentaren Misjna en Gemara die het meest bestudeerd, gecopiëerd en beschreven werden. De Joodse schrijvers waren zo talrijk in die streek dat er enkelen uitweken naar Duitsland om aldaar onderricht te geven. [16]

De beroemdste geleerde van het begin van de 11e eeuw, Rabbenou Guershom (9601028) leefde tussen Metz en Mainz. Hij was één van de eerste Asjkenazische wetsgeleerden. Hij verbood de polygamie en het scheiden van je vrouw zonder wederzijdse toestemming. Hoewel hij veel goede leerlingen had, waaronder Eliahou du Mans, bleek Rasji (1040-1105) zijn geestelijke opvolger te zijn. Rasji, ook Rasji van Troyes genoemd domineerde de tweede helft van de 11e eeuw. Hij wordt tot op vandaag gezien als één van de belangrijkste figuren in de Joodse culturele geschiedenis. Hij wordt ook de eerste Franse intellectueel genoemd.[17] Als rabbijn stichtte hij de Talmoedschool van Troyes die vrijwel onmiddellijk zeer beroemd werd.

Eerste Kruistocht en de 12e eeuw[bewerken]

In de 11e eeuw had Rodolfus Glaber de Joden van Orléans ervan beschuldigd de vernietiging van het heilig graf in Jeruzalem veroorzaakt te hebben. Deze geschriften hadden - niettegenstaande hun ongeloofwaardigheid - fatale gevolgen voor vele Joodse gemeenschappen.[14] De eerste kruistocht, geleid door Peter de Kluizenaar, leidde eveneens tot een ware catastrofe voor de Joodse bevolking.[18] De kruisvaarders sloten de Joden van Rouen op in een kerkgebouw en verplichtten ze zich te dopen. Wie weigerde werd afgeslacht. Dit bloedbad wordt in de Joodse liturgie herdacht als Gzeirot Tatnav (גזירות תתנו). De Joden van Orléans en Limoges werden eveneens verjaagd uit hun huizen.[19] Een nog groter bloedbad vond plaats in de Rhônevallei: duizenden Joden werden door kruisvaarders vermoord, gehele gemeenschappen werden uitgeroeid. In Straatsburg werden de Joden in 1146 aangevallen door de monnik Radulph.[20]

In de eerste helft van de 12e eeuw ontwikkelden zich bij de christenen twee hardnekkige antisemitische beschuldigingen. Enerzijds het idee dat Joden zich bezondigden aan rituele moorden en anderzijds dat ze grof geld verdienden aan woekerpraktijken. De beschuldiging van rituele moorden ging ervan uit dat de Joden regelmatig de kruisiging van Christus herdachten en daarbij christenen doodden. Deze verdachtmakingen waren eind 12e eeuw zeer frequent en leidden onder andere tot de veroordeling van 31 Joden tot de brandstapel in Blois (26 mei 1171).[21]

In die tijd was het de katholieken verboden intrest te vragen op een uitgeleend bedrag. Dit was dus een exclusieve dienstverlening van de Joden. Ze waren de bankiers van zowel de rijken als de armen. De beschuldiging van woeker liet vele kredietnemers toe hun openstaande schuld te ontlopen.[22] Niettegenstaande deze vijandigheden hadden de Joden van de 12e eeuw toch een actief spiritueel leven. Er ontstonden tossafistische scholen in Champagne, zoals in Ramerupt rond de kleinzoon van Rachi, Rabbenou Tam. Er is eveneens sprake van bloeiende scholen in Bourgogne, Parijs en in Normandië. In Troyes werden bijeenkomsten georganiseerd voor rabbijnen uit Frankrijk en uit de Rijnvallei. Er stonden twee Joodse synagoges in Troyes.[23]

Ook in het Zuiden van Frankrijk kende men in de 12e eeuw een welvarende Joodse samenleving, die werd beschreven door de vooraanstaande Joodse familie Ibn Tibbon.[24] Desondanks was er toch sprake van beperkte antisemitische acties. In de Elzas sprak men van vele "brave en rijke" Joden in Straatsburg. De kerk hing een geringschattend beeld op van de plaatselijke Joden.[25]

Uitdrijvingen en terugroepingen[bewerken]

Onder Filips II van Frankrijk[bewerken]

uitdrijving van de Franse Joden door koning Filips II van Frankrijk (miniatuur uit een Frans manuscript uit 1321)

Op het einde van de 12e eeuw ontwikkelde zich in Parijs een groeiende economische activiteit waaraan de Joodse bevolking participeerde. De christelijke bevolking werd vlug jaloers op de Joden en Filips II van Frankrijk (koning van 1180 tot 1223) aanhoorde deze aanklachten. Hij beschouwde ze als gevaarlijke concurrenten voor de nieuwe commerciële klasse. Op 10 maart 1182 vaardigde hij een koninklijk besluit uit dat de Joden beroofde van al hun bezittingen en ze dwong het grondgebied te verlaten. De synagogen werden omgedoopt tot kerken, de goederen van de Joden werden verdeeld onder de adel en hun corporaties. Filips II installeerde dus een door wet bepaald uitdrijvingsmodel dat doorheen de geschiedenis nog vele malen herhaald zal worden. De Joden verhuisden naar nabijgelegen gebieden, net buiten het koninklijke domein, naar Champagne of naar Bourgondië, maar ook naar het Zuiden in de Provence. Deze eerste uitdrijving leerde de Joodse gemeenschap om niet te investeren in onroerend goed maar veeleer in goederen die vlot te verhuizen zijn zoals juwelen en geld.[26]

Filips II van Frankrijk liet in 1198 de Joden terugroepen. De reden hiervoor was de noodzaak om mensen te hebben die geld uitleenden om zo de economie te voeden en vervolgens hogere bijdragen voor de schatkist te innen. Er werd immers een speciale belasting geïnd op geldtransacties.[27] Voor deze terugkeer werd een overeenkomst gemaakt met Theobald III van Champagne (1176-1204)[28] die voorzag in de wederzijdse uitwisseling van Joden. De koning maakte van de Joden horigen van de kroon en onthield ze van de kerkelijke bescherming. Zodoende waren ze compleet ondergeschikt aan de koninklijke wil en die van zijn landsheren.[29] In het begin van de 13e eeuw nam de kerk veel hardere standpunten in dan de koning. Paus Innocentius III (1160/1161–1216) protesteerde in 1205 tegen de bescherming die de Franse koning bood aan de Joden. De paus verkondigde zelfs dat de kruisvaarders hun schulden tegenover Joden niet hoefden terug te betalen. Filips II verzette zich tegen deze pauselijke maatregel.[30]

Vertrek van de Joden uit Languedoc[bewerken]

Op het einde van de 12e eeuw kenden de Joden van Languedoc en van het graafschap Toulouse een rustige tijd die ertoe leidde dat ze een rijk intellectueel leven kenden.[31] De pauselijke legaat die de Albigenzische Kruistocht kwam leiden verweet de graaf van Toulouse niet alleen een lakse houding tegenover de Katharen maar evenzeer een te vriendelijke omgang met de Joodse bevolking. De Joden werden echter niet even hard aangepakt als de Katharen maar het graafschap Toulouse viel in 1271, na de dood van Alfons van Poitiers (1220–1271), onder het centrale gezag van de Franse koning. Vanaf dan ondergingen de Joden in Languedoc dezelfde wreedheden als hun geloofsgenoten in het Franse rijk onder Lodewijk IX (1214–1270), bijgenaamd Lodewijk de Heilige. Ze werden verplicht een gekleurd lintje te dragen en werden regelmatig gedwongen het grondgebied te verlaten. Vele Joden vluchtten naar de Provence, een gebied dat toen onder het gezag van het huis Anjou stond.[32]

Onder Lodewijk VIII en Lodewijk IX[bewerken]

Onder Lodewijk VIII (1187-1226) en vooral Lodewijk IX (1215–1270) werd de positie van Joden hoofdzakelijk bepaald door de groeiende invloed van de kerk zonder dat het belang van de kroon mag onderschat worden. In een verordening van Lodewijk VIII in 1223, werd bepaald dat de uitstaande schulden aan de Joden binnen de 3 jaar moesten terugbetaald worden. De landsheren stonden in voor de inning van die schulden en behielden de intresten.[33]

Lodewijk IX zette deze politiek ten aanzien van de Joden verder. Hij beval in 1230 verschillende landsheren de Joden te verbieden leningen met intrest uit te schrijven. Deze maatregel doet vermoeden dat de verordening van 1223 niet correct opgevolgd werd. Vier jaar later ging de koning nog verder door te bepalen dat één derde van de nog openstaande schulden aan Joden niet hoefde terugbetaald te worden. Hij verbood de mogelijkheid om christenen te vervolgen of gevangen te nemen omdat ze hun schulden aan Joden niet terugbetaalden. Zo verhinderde hij dat christenen nog goederen of onroerend goed moesten verkopen om hun schulden in te lossen. Op die manier gaf de koning een dodelijke slag aan de Joodse praktijk van geld ontlenen tegen intrest.[34]

Het proces van de Talmoed[bewerken]

Joden werden in 1269 verplicht een geel lintje te dragen

Joden die zich bekeerd hadden tot het christendom beweerden dat in de Joodse heilige geschriften de christenen beledigd werden. Nicolas Donin (?-1287) uit La Rochelle was één van hen. Hij was aanvankelijk bij de rabbijn Yehiel van Parijs in de leer geweest en vervolgens door hem geëxcommuniceerd. Na zijn bekering ging hij in het klooster bij de orde der franciscanen. Hij schreef paus Gregorius IX (circa 1170-1241) een brief waarin hij de Talmoed beschreef als beledigend voor de christenen. In 1239 ontving hij van de paus een bul waarin werd opgeroepen deze boeken op te sporen en te verbranden.[35] Dit resulteerde in het proces van de Talmoed: deze boeken werden eerst in beslag genomen in 1240 en na diverse debatten verbrand op de Place de Grève in Parijs in het bijzijn van le Prévôt des marchands de Paris (vertaling: leiders van de koopmansgilde) en de geestelijkheid in 1242.[36] Er volgden nog talrijke verordeningen tegen de Joden uitgeschreven door Lodewijk de Heilige. Zo verplichtte hij de Joden in 1269 tot het dragen van een lintje ( la rouelle), een strikte toepassing van een maatregel uit het Vierde Lateraans Concilie uit 1215.[37]

Onder Filips III van Frankrijk (1270-1285)[bewerken]

De troonbestijging van Filips de Stoute veranderde niets aan de uittocht van de Joden uit het koninkrijk. Ze bleven onderworpen aan vele discriminerende maatregelen die via diverse verordeningen opgelegd werden. [38] Op politiek vlak speelden zich twee belangrijke gebeurtenissen af : zijn oom Alfons van Poitiers (Poissy, 1220 – Tarquinia, 1271), graaf van Poitiers en Toulouse stierf en deze gebieden vielen terug onder het gezag van de Franse koning. De Joden van Toulouse en Aquitanië ondergingen vanaf dan hetzelfde lot als de Joden uit het koninkrijk.[39] In 1274 stond Filips de Stoute het graafschap Venaissin af aan de Heilige Stoel. De Joden aldaar mochten in dit graafschap blijven tot aan de Franse Revolutie. Onder Filips de Stoute ondergingen de Joden in het koninkrijk de ingevoerde inquisitie die bedoeld was om de Albigenzen te verdrijven of te bekeren. Paus Clemens IV (Saint-Gilles-du-Gard,?-Viterbo,1268) beval in zijn bul Turbato Corde dat de Joden die zich -na hun bekering tot het Christendom- terug bekeerden tot het Jodendom overgeleverd werden aan de inquisiteurs.[40] In 1278 begroeven de Joden van Toulouse een christen die zich bekeerd had tot het Jodendom op hun Joodse kerkhof. Voor deze daad van proselitisme werd hun rabbijn Isaac Malès veroordeeld door de inquisitie tot de brandstapel.[41]

Onder Filips de Schone : vervolgingen, berovingen en uitdrijvingen[bewerken]

Illustratie van Paolo Uccello, Galerie nationale des Marches in Urbino. De Jood en zijn familie werden verraden door het bloed dat onder de deur naar buiten liep.

Filips de Schone (Fontainebleau, 1268 – Fontainebleau, 1314) was zonder twijfel de meest repressieve koning van Frankrijk voor de Joden. Bovendien was zijn vrouw, Johanna I van Navarra (1273-1305) de gravin van Champagne, een regio waar de Joden een grote welvarende gemeenschap hadden die altijd beschermd werd door de graven van Champagne. Al vanaf 1288 werden dertien Joden veroordeeld tot de brandstapel door de Inquisitie en dit voor een vermeende moordzaak[38]. Twee jaar later was er het «Miracle des Billettes». [N 1] Een Jood werd beschuldigd van het ontheiligen van een gezegende hostie en veroordeeld tot de brandstapel. Filips de Schone had van bij zijn troonsbestijging al vrij snel belangstelling voor de Joodse gemeenschap en de manier waarop hij er voordeel kon uithalen. Toen zijn vrouw in 1284 beschikking kreeg over Champagne verplichtte hij de Joden tot het betalen van 25.000 pond om hun rechten te behouden in de provincie. In de jaren die volgden beschermde hij hen tegen de kerk om zo zijn inkomsten te vrijwaren[42]. In 1292 werd een nieuwe belasting ingevoerd voor de Joden. In 1295 liet hij ze allemaal aanhouden, hun geld en hun waardevolle goederen werden in beslag genomen en ze hadden 8 dagen de tijd om dit terug te kopen. Datgene wat overbleef werd verkocht ten voordele van de schatkist[38]. Nieuwe belastingen volgden elkaar snel op en toen de Joden deze niet meer konden betalen werden hun kredietnemers verplicht om versneld hun schulden aan de Joden terug te betalen. Toen in 1306 de schatkist andermaal leeg was besloot de koning ‘de kip met de gouden eieren te slachten’ , zoals de ‘’Jewish Encyclopedia’’ het beschrijft. Hij liet op 22 juli 1306 alle Joden oppakken en opsluiten. Ze kregen te horen dat ze veroordeeld waren tot een ballingschap en kregen een maand de tijd om het grondgebied te verlaten. Al hun bezittingen werden eigendom van de koning. Dat het hem echt om het geld te doen was wordt geillustreerd door het feit dat hij burgers opriep verdoken bezittingen op te sporen. Wie nog zaken rapporteerde werd beloond met 20 procent van de opbrengst. Bovendien eiste hij de openstaande bedragen op van de burgers die nog schulden hadden bij Joden. De koning nam drie maanden voordat de verkoop van de Joodse bezittingen gepland was al maatregelen die moesten verhinderen dat er betaald zou worden met gesnoeide munten. Het aantal Joden die emigreerden wordt op honderdduizend geschat [43]. De poëet Geoffroi de Paris beschreef deze Exodus in zijn kroniek ‘’Chronique rimée’’, waarin hij aangaf dat Joden betrouwbaarder waren in geldzaken dan christenen. Kroniekschrijver Jean de Saint-Victor beschreef de omstandigheden waarin de Joden hun uittocht deden. Velen stierven onderweg van uitputting en ontbering. Van sommigen werd nog geld geëist voordat ze hun tocht konden verder zetten. In tegenstelling tot de eerdere uittocht onder Filips II van Frankrijk moesten de Joden nu veel verder vluchten omdat het Franse grondgebied groter was geworden. Historicus Siméon Luce schrijft over een economische ramp voor Frankrijk[44]. Daaraan kon de terugroeping van 1315 weinig veranderen. Het Joodse leven in het Frankrijk van de middeleeuwen kende hier zijn einde.

Periode 1315–1394[bewerken]

Het terugroepen van de Joden in 1315[bewerken]

Het terugroepen van de Joden in 1315 gebeurde op vraag van het volk, althans volgens de schriftelijke verordening van Lodewijk X van Frankrijk(1289-1316). Hij riep Joden terug, vermoedelijk om er terug inkomsten uit te halen, zoals zijn vader deed. Hij beloofde ze hun oude woonplaatsen terug te geven en hun openstaande schuldvorderingen konden ze terug innen en daarvan mochten ze één derde behouden. Ze mochten echter geen geld meer uitlenen. Deze maatregelen bleven twaalf jaar geldig[45]. Er was in Frankrijk nog een beperkte groep Joden gebleven, diegenen die zich onder druk tot het christendom hadden bekeerd. Het waren zeer twijfelende gelovigen en ze onderhielden nog contacten met hun familie in ballingschap [45]. De Joden zouden 122.500 livres betaald hebben voor dit privelege. De terugtocht was echter beperkt. Het vermoeden is dat zeer vele Joodse eigendommen verdoken bleven voor de machtshebbers. [46].

De Joden in Elzas in de 14e eeuw[bewerken]

Het verbranden van Joden in Straatsburg (1349)

De Joodse gemeenschap van Elzas, die toen niet bij Frankrijk hoorde, groeide in het begin van de 14e eeuw zeer snel aan, mede door de aangroei van vluchtende Joden uit het Franse rijk. [47] In Colmar werden de Joden beschermd door de keizer en zijn troepen en dit lokte vele Joden toen er in 1336 toch anti-Joodse sentimenten opdoken. [48] Anders verging het de Joden toen eind 1348 de pest in alle hevigheid uitbrak in Europa. De Joden werden op vele plaatsen beschuldigd van het vergiftigen van waterputten en bronnen. De Joodse arts Balavignus gaf in Straatsburg het bevel een hele Joodse wijk grondig op te ruimen en alle afval te verbranden uit voorzorg voor de epidemie. Hij baseerde zich hiervoor op het boek Leviticus uit de Hebreeuwse bijbel. Het gevolg was dat ratten en vlooien naar omliggende wijken en steden verhuisden en dat de pest daar hard toesloeg. De arts werd beschuldigd van het besmetten van deze streken. Na wrede martelingen bekende de man en de gehele Joodse bevolking van Straatsburg werd uitgeroeid in februari 1349. Ook de Joden van Colmar ondergingen eenzelfde lot. [48] Deze wreedheden hebben ertoe geleid dat de Joodse gemeenschap in de Elzas naar het platteland vluchtte; ze bleven voor 4 eeuwen weg uit de steden.

Franse Revolutie[bewerken]

Frankrijk was het eerste land in Europa dat de Joodse bevolking emancipeerde, tijdens de Franse Revolutie. Ondanks deze wettelijke gelijkheid bleef antisemitisme een heet hangijzer, zoals blijkt uit de Dreyfus-affaire aan het einde van de 19e eeuw.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Tijdens de Holocaust werd een kwart van de Joodse bevolking om het leven gebracht. Desondanks woont in Frankrijk momenteel de grootste Joodse gemeenschap van Europa. De meeste Joden in Frankrijk zijn Sefardische en Mizrachi Joden.

Externe links[bewerken]

Voetnoten en referenties[bewerken]

Voetnoten[bewerken]

  1. Op Pasen 1290 zou de Jood Jonathas een hostie opgeëist hebben in ruil voor de kleren van een oude vrouw die hij in onderpand hield. Jonathas zou dan een inkerving in de hostie gemaakt hebben en het bloed (van Christus) liep eruit. Hij wierp hem vervolgens in kokend water dat in rood bloed veranderde. De oude vrouw zou het publiek opgepookt hebben en dit leidde tot zijn arrestatie. Hij werd veroordeeld tot de brandstapel en met zijn in beslag genomen goederen liet Filips de Schone la Chapelle du Miracle (de kapel van het mirakel) bouwen (volgens het artikel Rue des Archives, Dictionnaire historique des rues de Paris, uitgeverij Editions de Minuit, 1985 ). Het ontheiligen van een hostie was in de middeleeuwen een regelmatig voorkomende beschuldiging tegen niet-katholieken. Dit incident werd Miracle des billettes genoemd, een verwijzing naar de straat waar deze Jood en zijn vrouw woonden. Deze legende werd onder andere door een middeleeuws toneelstuk overgedragen en kende veel bekendheid in Duitsland.

Referenties[bewerken]

  1. (en) Jewish encyclopedia: Roman-Gallic Epoch
  2. Être juif dans la société française, Beatrice Philippe, uitgeverij Montalba, 1979
  3. (fr) Wikisource
  4. (en) Jewish encyclopedia: under Charlemagne
  5. Être juif dans la société française, hoofdstuk: Des origines à l'an 1000, Beatrice Philippe, uitgeverij Montalba, 1979
  6. La France avant la France (481 - 888) (p. 462), Geneviève Bührer-Thierry & Charles Mériaux, uitgeverij Belin, 2010
  7. La France avant la France (481 - 888) (p. 463), Geneviève Bührer-Thierry & Charles Mériaux, uitgeverij Belin, 2010
  8. (en) Under Louis le Débonnaire
  9. Mahomet et Charlemagne (p. 128), Henri Pirenne, uitgeverij Les presses Universitaires de France, 1992
  10. (en) Under Louis le Débonnaire
  11. La France avant la France (481 - 888) (p. 463), Geneviève Bührer-Thierry & Charles Mériaux, uitgeverij Belin, 2010
  12. La France avant la France (481-88) (p. 463), geneviève Bührer-Thierry en Charles Mériaux, uitgeverij Bélin, 2010
  13. Être juif dans la société française, hoofdstuk « De l'an 1000 à l'expulsion de 1394 », Béatrice Philippe, uitgeverij Montalba, 1979
  14. a b c d (en) Persecution of Jews in Limoges and Rouen
  15. (fr) artikel van Jean-Claude COHEN: Les communautes juives d'Avignon et du comtat Venaissin au XIIIième siècle
  16. (en) Franko-Jewish Literature
  17. Dictionnaire des mots français venant de l'hébreu (p. 68), Patrick Jean-Baptiste, uitgeverij Seuil, 2010
  18. Etre Juif dans la société Française (hoofdstuk « De l'an 1000 à l'expulsion de 1394 »), Beatrice Philippe, uitgeverij Montalba, 1979
  19. (en) JE, The Crusades
  20. (fr) Grand rabbin Max Warchawski. Histoire des Juifs de Strasbourg
  21. (en) Blood Accusation
  22. >(fr) [http:// http://www.histoiredesjuifs.com/articles.php?lng=fr&pg=1339 hoofdstuk: à partir de 1096]
  23. (en) JE, Synods
  24. Etre Juif dans la société Française (p. 40), Beatrice Philippe, uitgeverij Montalba, 1979
  25. Etre Juif dans la société Française (p. 306), Beatrice Philippe, uitgeverij Montalba, 1979
  26. Etre Juif dans la société Française (hoofdstuk « De l'an 1000 à l'expulsion de 1394 »), Beatrice Philippe, uitgeverij Montalba, 1979
  27. Etre Juif dans la société Française, hoofdstuk « De l'an 1000 à l'expulsion de 1394 », Beatrice Philippe, uitgeverij Montalba, 1979
  28. Etre Juif dans la société Française, p. 308, Beatrice Philippe, uitgeverij Montalba, 1979
  29. (en) JE, Recalled by Filip Augustus
  30. (en) JE, Innocent III
  31. Etre Juif dans la société Française, p. 44, Beatrice Philippe, uitgeverij Montalba, 1979
  32. (en) JE, Policy of Alphonse of Poitiers
  33. (en) JE, Under Louis XIII and Saint Louis
  34. (en) JE, Under Louis XIII and Saint Louis
  35. (en) Burning of Talmud, in Encyclopedia Judaica, op de website van Jewish Virtual Library
  36. (en) JE, Disputations Between Jews and Christians en Burning of the Talmud.
  37. (en) JE, Increased Restrictions Under St. Louis
  38. a b c (en) JE, Under Philip the Bold and Philip the Fair
  39. (en) JE, Policy of Alphonse of Poitiers
  40. Histoire des Juifs en France, Hoofdstuk 3, Bernhard Blumenkranz, uitgeverij Privat, 1972
  41. (en) JE, Relations with the Inquisition
  42. (en) JE, Blood Accusation and Host Desecration
  43. Histoire des Juifs en Françe, Hoofdstuk I, 2, Bernhard Blumenkranz, uitgeverij Privat, 1972
  44. (en) JE, Exil of 1306
  45. a b Les juifs dans le moyen age: historisch essay (p. 157-158) door Georges-Bernard Depping, 1834
  46. (en) JE, Return of the Jews to France, 1315
  47. Histoire des Juifs en Françe, Hoofdstuk I, 2, Bernhard Blumenkranz, uitgeverij Privat, 1972
  48. a b Grand rabbin Jacky Dreyfus. Histoire des Juifs de Strasbourg