Geschiedenis van de Nederlandse Antillen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Geschiedenis van Nederland

Tijdlijn - Bibliografie


..Naar overzeese gebieden

Portaal  Portaalicoon  Nederland
Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis

De Nederlandse Antillen werden aan het eind van de 15e eeuw ontdekt door Alonso de Ojeda en in 1634 door de West-Indische Compagnie op de Spanjaarden veroverd. In de loop der tijden zijn de eilanden enige malen in handen geweest van andere Europese mogendheden en hebben zij - in wisselende samenstellingen - verschillende bestuursvormen gekend. Vanaf 1854 was dit Curaçao en Onderhorigheden genoemd. Aan deze koloniale status kwam een eind toen op 15 december 1954 het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden na acht jaar onderhandelen ondertekend werd door Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen.

Op 25 november 1975 werd Suriname een onafhankelijke staat en bestond het Koninkrijk der Nederlanden uit Nederland en de Nederlandse Antillen.

Per 1 januari 1986 verwierf Aruba de status aparte. Dit hield in dat Aruba de status van Land binnen het Koninkrijk verkreeg. Tegelijk is afgesproken dat Aruba op 1 januari 1996 onafhankelijk zou worden. In 1994 is, op verzoek van Aruba, het vooruitzicht op onafhankelijkheid voor Aruba geschrapt.

Op 2 november 2006 is er een akkoord gesloten tussen Nederland, Curaçao en Sint Maarten, waarbij die eilanden een status aparte binnen het Koninkrijk krijgen vergelijkbaar met Aruba. Eerder waren al afspraken gemaakt waarbij Saba, Sint Eustatius en Bonaire Nederlandse gemeenten worden met een burgemeester, wethouders en een gemeenteraad. Nederlandse wetgeving zal daar in de plaats komen van de Antilliaanse. De mensen daar mogen stemmen voor de Tweede Kamer en het Europees Parlement. Curaçao en Sint Maarten behouden hun eigen wetgeving. Er komt een gemeenschappelijk hof van justitie voor Nederland, Curaçao en Sint Maarten. Nederland neemt de schulden van de Antillen (4 miljard gulden) over. In ruil daarvoor mogen de eilanden geen leningen meer afsluiten. Het was de intentie dat de Nederlandse Antillen als Land binnen het Koninkrijk aan het einde van 2008 zou worden ontbonden, uiteindelijk is dit op 10 oktober 2010 een feit.

Bonaire[bewerken]

De eerste bewoners van Bonaire waren de Caiquetio (indianen) die het eiland vanaf Venezuela bereikten rond 1000 n. Chr. Restanten van deze indianen zijn onder andere te vinden in de vorm van rotstekeningen in de buurt van Onima aan de oostkust van Bonaire.

In 1499 landden Alonso de Ojeda en Amerigo Vespucci als een van de eerste Europeanen op Bonaire. Zij namen het eiland voor Spanje in bezit. Omdat Bonaire geen goud had en niet geschikt was voor de landbouw zagen de Spanjaarden geen noodzaak een kolonie te stichten. De lokale indianen werden afgevoerd om als slaven te dienen in plantages in Zuid-Amerika. In 1526 introduceerden de Spanjaarden vee op Bonaire. Als gevolg hiervan komen ezels (of buriku) en geiten (of kabritu) er in het wild voor.
Ondertussen ontstond een kleine gemeenschap op het eiland in het plaatsje Rincon, dat in een vallei tussen de heuvels veilig was voor piraten. De mensen uit deze gemeenschap waren vooral veroordeelden en krijgsgevangenen.

In 1633 veroverde Nederland Bonaire op de Spanjaarden. Het kwam onder het gezag van Wouter van Twiller, gouverneur van de nieuwe Nederlanden, en kwam onder bestuur van de West-Indische Compagnie. Deze importeerde een kleine hoeveelheid slaven voor landbouw (voornamelijk hout en maïs) en zoutwinning. Slaven die in de zoutwinning werkten, verbleven in slavenhutjes bij de zoutpannen, nauwelijks hoger dan 2 meter. Deze hutjes zijn nog steeds te zien op Bonaire. De slavernij is in 1863 afgeschaft.

In het begin van de negentiende eeuw verloor Nederland de heerschappij over de Antillen tweemaal aan Groot-Brittannië. Toen de eilanden in 1816 definitief aan Nederland werden toegewezen, bouwde de Nederlandse overheid Fort Oranje in Kralendijk om het eiland te beschermen. De kenmerkende vuurtoren in het fort is gebouwd in 1868. Zout was inmiddels de grootste bron van inkomsten voor het eiland. De productie was zo groot geworden dat er vier obelisken gebouwd werden om de schepen naar de zoutpannen te leiden.

In de twintigste eeuw werd ten slotte de haven vernieuwd en werd een vliegveld, Flamingo Airport, aangelegd. In 1936 kregen mannen stemrecht. Gedurende de Tweede Wereldoorlog diende Bonaire als concentratiekamp voor gevangen Duitsers en Nederlandse nazi's. Onder koningin Juliana werden de Antillen in 1954 een autonoom deel van het Koninkrijk der Nederlanden.

Curaçao[bewerken]

Prekoloniale geschiedenis[bewerken]

De vroegste sporen van menselijke bewoning op Curaçao zijn te vinden te Rooi Rincón. Het betreft een abri, een schuilplaats in de rotsen van zogenaamde meso-indianen, met een afvalhoop van schelpen. Het gaat om artefacten: enkele krabbers en vormloze steensplinters die voor verschillende doelen gebruikt kunnen zijn. De dateringen liggen tussen 3480 en 2325 v.Chr.. Vergelijkbare resten zijn gevonden bij Kintján en bij Tafelberg.

Resten van aardewerk uit de neo-indiaanse periode zijn gevonden bij Knip en San Juan. De dateringen liggen tussen 450 en 1405 na Christus. Het materiaal behoort tot de Dabajuroid-cultuur. Ook zijn er rotstekeningen.

Tegen het einde van de 15de eeuw woonden op Curaçao Arowakken. Tegenwoordig deelt men deze voormalige Indiaanse bewoners in bij de Taíno. De Taíno leefden in kleine nederzettingen met tot ongeveer 40 inwoners. De dorpjes lagen vaak in de buurt van de zuid- en westkust, bij een bron van drinkwater. De latere Taíno leefden van kleinschalige verbouw van onder meer cassave, van visserij en het verzamelen van schelpdieren, en van jacht op klein wild. Daarnaast dreven zij handel met Indianen van andere eilanden en van het vasteland. Woonplaatsen zijn gevonden bij onder andere Knip en Santa Barbara.

Wetenschappelijke aandacht voor de eerste bewoners van de Nederlandse Antillen was er al vroeg. Zo voerde de amateur A.J. van Koolwijk in de 19e eeuw veldverkenningen uit. Ook inventariseerde hij de rotstekeningen op het eiland. Sindsdien hebben velen zich beziggehouden met de vroegste bewoners van Curaçao.

Spaanse periode[bewerken]

Curaçao werd in 1499 "ontdekt" door de Spanjaard Alonso de Ojeda. Op dat moment woonden er naar schatting ongeveer 2000 Taíno op het eiland.

Op 6 juni 1508 benoemde de toenmalige Spaanse koning (Ferdinand II van Aragon) Ojeda tot gouverneur van Nieuw-Andalusië, de drie eilanden hoorden hierbij. In 1515 werden vrijwel alle Taíno als slaven weggevoerd naar Hispaniola. In 1519 werd er een actie opgezet die de bewoners van de eilanden moest bekeren tot het Christendom. Ook slavenhandel bleef de eilanden niet bespaard. De Spanjaarden vestigden zich definitief op het eiland in 1527. Het eiland werd echter bestuurd vanuit een van de Spaans-Venezolaanse steden. De Spanjaarden importeerden veel exoten naar Curaçao. Paarden, schapen, geiten, varkens en rundvee werden vanuit Europa of een van de Spaanse koloniën op het eiland geïntroduceerd. Ook diverse uitheemse bomen en planten werden door de Spanjaarden aangeplant.

Dat was vaak een kwestie van trial and error. Vandaar dat zij ook gewassen en landbouwmethoden van de Taíno leerden kennen en gebruiken. Parallellen op andere Caraïbische eilanden zijn uit bronnen bekend. De Spaanse kolonisatie van de eilanden werd door de Spanjaarden niet als een succes ervaren. Niet alle ingevoerde exoten hadden even veel succes. Met het vee ging het in het algemeen goed; de Spanjaarden lieten het vee los lopen in de kunuku en op de savannes. Het vee werd gehoed door Taínos en Spanjaarden. Schapen, geiten en rundvee deden het relatief het beste. Volgens historische bronnen waren er duizenden op het eiland. Met de landbouw ging het daarentegen beduidend slechter. Omdat de opbrengsten van de Curaçaose agricultuur teleurstellend waren; de zoutpannen geen hoge opbrengst hadden en er geen edelmetalen te vinden waren, noemden de Spanjaarden het eiland een "isla inutile", een nutteloos eiland.

Na verloop van tijd nam het aantal Spanjaarden dat op Curaçao woonde af. Daarentegen stabiliseerde het aantal Indiaanse bewoners zich. Vermoedelijk vond er door natuurlijke aanwas, terugkeer en kolonisatie, zelfs bevolkingstoename van de Taíno plaats. In de laatste decennia van de Spaanse bewoning werd Curaçao gebruikt als een grote veehouderij. Spanjaarden woonden dan rond Santa Barbara; Santa Ana en in dorpjes op het westelijke deel van het eiland. Taíno woonden voor zover bekend verspreid over het eiland.

De Nederlandse West-Indische Compagnie veroverde de eilanden na een oorlog van acht jaar. In 1634 veroverde Johan van Walbeeck Curaçao en in 1636 Bonaire en Aruba. In deze periode was de Tachtigjarige Oorlog nog gaande. Met deze actie van Van Walbeeck werden de Spanjaarden voorgoed van de eilanden verdreven.

De West Indische Compagnie[bewerken]

De West-Indische Compagnie (WIC) tekende in augustus 1634 de overgave met de Spanjaarden bij San Juan. De ongeveer 30 op het eiland aanwezige Spanjaarden en een groot deel van de Taíno werden door de Nederlanders naar Venezuela gebracht en aan wal gezet. Ongeveer 30 Taíno-gezinnen mochten op het eiland blijven wonen. De reden voor de inval en verovering was, dat de WIC op zoek was naar een uitvalsbasis voor handel en kaapvaart. Curaçao lag gunstig ten opzichte van de Spaanse koloniën op het vasteland. Ook had het de beste haven tot dan toe bekend in het Caraïbisch gebied. Daarnaast zocht de WIC naar een goede bron van zout. Zowel op de kust van Venezuela als op Bonaire waren goede zoutpannen te vinden. Op Curaçao zelf was campechehout (een grondstof voor een natuurlijke verf), vee, kalk en brandstof te vinden.

Na de verovering consolideerde de WIC zijn aanspraken, door fortificaties te bouwen. Omdat drinkwater van levensbelang was werd in 1634-1635 een fort gebouwd bij de waterbron aan de noordoostkant van de Sint Annabaai. Dit fort bestond uit aarden wallen met een palissade en enkele stukken geschut. Rondom het fort werden voetangels gestrooid. In 1635-36 werd begonnen met de bouw van Fort Amsterdam op Punda. De eerste bouwfase werd onder leiding van admiraal Johan van Walbeek aangelegd in de vorm van een vijfpuntige ster en bestond uit een kern van aarde en koraal. Hiertegen werd een schil opgetrokken van met klei gemetseld koraal. Later werd deze schil opgetrokken uit metselwerk.

In de eerste drie jaren waren de leefomstandigheden voor de WIC'ers slecht. Voor voedsel en bouwmateriaal was men grotendeels afhankelijk van import uit Europa. De toevoer was zeer onregelmatig; er kon meer dan een half jaar voorbijgaan zonder aanvoer. Gevolg was dat veel loslopend vee werd gevangen en geslacht. Ander voedsel ging op rantsoen. Water moest vanaf de bron naar de Punda gebracht worden. Soldaten en oversten sliepen in uiterst eenvoudige behuizing; zeildoek werd opgespannen op een aantal palen. Een deel van de soldaten werd door barre woonomstandigheden, slechte voedselvoorziening en het harde werk maar vooral door de eentonigheid en verveling ontevreden. Er leek muiterij op handen, maar dit werd door verhoging van rantsoenen en drankuitgave afgewend. Van Walbeek schreef naar de Heren XIX, dat hij aanraadde om de salarissen en rantsoenen te verhogen, omdat de soldaten niet waren aangenomen om fortificaties te bouwen.

Consolidatie[bewerken]

De Spanjaarden smeedden plannen om Curaçao te heroveren op de Nederlanders. Informatie over troepenmacht, fortificaties, buitenposten, voedselvoorraad en ammunitie werd verzameld op drie manieren. Indianen die op Curaçao woonden werden ontvoerd en verhoord. WIC-ers die zout kwamen halen op de kust van Venezuela werden gevangengenomen en verhoord. Ten slotte stuurden Spanjaarden spionnen naar Curaçao. Twee landingsplaatsen lagen voor de hand: Piscaderabaai en het Spaanse Water. Het Schottegat was te goed verdedigd. De Spanjaarden brachten hun plannen ten uitvoer en voeren uit met een aantal schepen. Deze zijn door een storm afgedreven en hebben Curaçao nooit bereikt. Voor de WIC een geluk; de Spaanse troepenmacht was sterker en had vermoedelijk gewonnen.

De Heren XIX in Amsterdam waren vanaf 1634 verdeeld over de toekomst van Curaçao. De fortificaties en manschappen hadden veel geld gekost en de opbrengsten waren mager. Toch werd Curaçao aangehouden, vermoedelijk meer een gevolg van besluiteloosheid dan van een beredeneerd besluit. Na verloop van tijd bewees Curaçao zijn waarde voor de WIC. Na het verlies van Brazilië in 1654 werd Curaçao steeds belangrijker. Door de gunstige geografische positie was zowel handel op Terra Fierme (Venezuela) als op andere Caraïbische eilanden mogelijk. Ook onderhield men contacten met koloniën in Noord-Amerika, waaronder Nieuw-Nederland.

De Curaçaose bevolking groeide gestaag, mede door de komst van Sefardische Joden uit Brazilië. Ook stelde de WIC Curaçao open voor planters; Europeanen die zich wilden vestigen om landbouw te bedrijven. Ook soldaten die hun tijd uitgediend hadden waren welkom om te blijven. Vanzelfsprekend was het doel om voldoende voedsel voor de Curaçaose bevolking te produceren. Daarnaast wilde de WIC ook, dat planters handelsgewassen gingen verbouwen. Hiertoe behoorden onder meer indigo, katoen, tabak, Turkse tarwe (sorghum) en suikerriet. De oudste tuinen (boerderijen) worden vermeld vanaf het begin van de Nederlandse aanwezigheid; de eerste plantages werden aangelegd vanaf rond 1650. Hato, Savonet, St. Barbara, Santa Maria, Piscadera, Groot en Klein Sint Joris en San Juan zijn er enkele van. Een deel van de plantages bleef in bezit van de WIC.

Curaçao

Slavenhandel en vrijhaven[bewerken]

In 1665 begon de WIC met slavenhandel. De slaven werden aangevoerd uit West-Afrika en werden op Curaçao aan land gebracht, waar ze na de "middle passage" enige tijd kunnen aansterken. De slaven werden verhandeld op een plaats die nu Asiento heet, en ook op de plantage Zuurzak. Al snel ontstond hier de belangrijkste regionale slavenmarkt. De WIC leverde slaven tegen zeer scherpe prijzen en concurreerde zo de Engelse, Franse en Portugese handelaren de markt uit. Slaven werden door handelaren gekocht en vervolgens verscheept naar diverse bestemmingen in Midden-Amerika en Zuid-Amerika. Een relatief klein deel van de aangekomen Afrikanen bleef achter op Curaçao. De meesten hiervan kwamen terecht op een van de plantages. Een deel werd door handelaren en ambachtslieden gekocht en bleven zo in de omgeving van Willemstad. Willemstad ontstond in de tweede helft van de 17e eeuw en lag direct naast het fort, op het huidige Punda. In de 18e eeuw werden ook (pak)huizen op Otrabanda gebouwd. Vanwege de vrije geschutslinies waren er wel regels verbonden aan de bouw van huizen op Otrabanda.

De WIC maakte Curaçao tot vrijhaven en verkreeg hierdoor een sleutelpositie in de internationale handelsnetwerken. Mede hierdoor werd Curaçao in de 17e eeuw een van de welvarendste eilanden in het Caraïbisch gebied. Dit leidde tot kwaad bloed bij andere mogendheden, met name Engeland en Frankrijk. Zodoende werd Curaçao in 1713 korte tijd belegerd door de Franse kaapvaarder Jacques Cassard, die zich ten slotte liet afkopen. Cassard had overigens geen schade aan bezit of bewoners van het eiland toegebracht.

In de 18e eeuw probeerde Curaçao zijn handelspositie te consolideren. De handel op Venezuela en andere Spaanse koloniën werd echter verhinderd door de Spaanse kustwacht. Deze was speciaal aangesteld om de illegale handel vanuit Venezuela in tabak en cacao een halt toe te roepen. De Engelsen en Fransen werden in het Caraïbisch gebied steeds sterker. De positie van Curaçao nam mede door deze factoren in belang af. Ook was van belang, dat Curaçao niet geschikt was voor de grootschalige verbouw van suikerriet, katoen, tabak of andere tropische plantagegewassen. Pogingen daartoe werden eind 17e en begin 18e eeuw gestaakt. Andere eilanden, zoals Barbados, genereerden wel grote inkomsten door plantagelandbouw. De landbouw van Curaçao richtte zich op voedselvoorziening voor de eigen bevolking. Desondanks werd een deel van het voedsel geïmporteerd. Slavenhandel bleef de belangrijkste bron van inkomsten voor Curaçao, niet het minst vanwege de concurrerende prijzen van de slaven.

Nederlandse kolonie[bewerken]

Na het faillissement van de WIC in 1791 werd Curaçao een echte Nederlandse kolonie. Van bezit van een consortium van private aandeelhouders van de WIC werd Curaçao een deel van het koninkrijk. In 1795 kwamen de slaven op Curaçao in opstand. De opstand stond onder leiding van Tula, een slaaf die een centrale rol speelt in de geschiedenis van Curaçao, de opstand werd na een korte periode neergeslagen. In 1800 werd Curaçao bezet door de Engelsen, die in 1803 door de plaatselijke bevolking werden verdreven. In 1807 veroverden de Engelsen het eiland opnieuw. Sinds 1816 valt Curaçao onder Nederlands bestuur. Om de bestuurskosten te verlagen werden de West-Indische koloniën in 1828 teruggebracht tot één kolonie met een Gouverneur-Generaal in Paramaribo. In 1845 kwam men hier gedeeltelijk op terug omdat het besturen van de eilanden vanuit Suriname niet goed werkte. Vanaf dat jaar waren er weer twee West-Indische koloniën:

In 1830 verboden de Engelsen de internationale handel in slaven. Dit leidde ertoe dat de handel in slaven economisch onaantrekkelijk werd. In 1863 werd de slavernij in Curaçao afgeschaft. De lokale economie raakte in het slop. Veel voormalige slaven vonden het moeilijk om op Curaçao in hun broodwinning te voorzien. Curaçaoënaars emigreerden in groten getale naar plaatsen zoals Cuba om daar in suikerplantages te werken.

Tot in het begin van de 20e eeuw leefde Curaçao van handel, landbouw en visserij. Het economische tij keerde in 1914 toen grote aardoliereserves in Venezuela werden ontdekt. Shell vestigde meteen een olieraffinaderij op het eiland, overigens op Asiento - dezelfde plaats waar eerder in slaven gehandeld werd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog speelde het eiland een belangrijke rol bij de levering van brandstof voor de geallieerde troepen.

In 1954 verkreeg Curaçao samen met de andere Nederlandse Antillen politieke autonomie. In de jaren veertig en vijftig bracht de raffinaderij toegenomen welvaart en modernisering voor het eiland, maar de welvaart was ongelijk verdeeld. De pas ontstane Curaçaose arbeidersklasse werd steeds ontevredener met de loonpraktijken van de Koninklijke Shell. Ook was de deelname van de Afro-Curaçaose bevolking aan het politiek proces nog beperkt. Op 30 mei 1969 brak een arbeidersopstand uit bij de ingangspoort van de Shell raffinaderij. Tijdens de opmars naar de binnenstad werd onder andere de vakbondsleider Wilson Godett neergeschoten en staken woedende arbeiders panden in Punda en Otrabanda in brand. Nadat de lokale regering Nederlandse mariniers hadden laten overvliegen om de orde te herstellen, werd er flink gewerkt om de overheid te 'Antillianiseren'. In de jaren tachtig verliet Shell Curaçao. De olieraffinaderij wordt vanaf dat moment door het eilandgebied verhuurd aan de Venezolaanse staatsoliemaatschappij PDVSA.

Nalatenschap van het verleden[bewerken]

Op Curaçao zijn veel overblijfselen van het koloniale verleden. Het duidelijkst is dat terug te zien in de bijzondere architectuur van 17e- tot vroeg-20e-eeuwse panden in Willemstad.

Vanwege de aard en dichtheid van de gebouwen staat een gedeelte van de binnenstad van Willemstad op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Ook zijn er landhuizen en voormalige plantagehuizen tot monument verklaard.

Nuvola single chevron right.svg Zie ook: Plantagehuisje

Saba[bewerken]

Saba zou in 1493 ontdekt zijn door Columbus; er woonden toen indianen. Columbus noemde het eiland San Cristóbal. Dit werd afgekort als S.†bal en als Saba gelezen. Het werd kort na 1636 door de gouverneur van Sint Eustatius voor de West Indische Compagnie in bezit genomen. In 1635 leed een Engels schip schipbreuk bij Saba; de overlevenden waren vermoedelijk de eerste Europese bewoners. Daarnaast stamt de bevolking af van Afrikaanse slaven, Schotten, Ieren en Zeeuwen. Saba wisselde vaak van "eigenaar". Het was in bezit van Frankrijk, Spanje, Nederland en Engeland. In 1816 kwam het definitief bij Nederland.

In 1938 werd begonnen met het aanleggen van een weg. Tot dan waren er op het steile eilandje alleen trappen, en volgens Nederlandse ingenieurs was het onmogelijk hier een weg te bouwen. De aanleg begon onder leiding van de plaatselijke timmerman Josephus Hassell, een autodidact op het gebied van wegenbouw. In 1947 was de weg klaar, en arriveerde de eerste auto op het eiland. Tegenwoordig is de weg zo'n 14 kilometer lang.

In 1963 is op de noordelijke punt van Saba (Flat-Point) een vliegveldje aangelegd. Het heeft de kortste landingsbaan voor commercieel vliegverkeer ter wereld (400 meter). In 1965 verscheen de eerste televisie op het eiland. Elektriciteit, opgewekt met een generator, was er toen al wel, maar niet dagelijks. Dat was pas het geval in 1970.
In 1969 werd de toen 23-jarige Joseph Richardson administrateur van Saba. Hij was de eerste niet-blanke administrateur op de Nederlandse Antillen.

Saba was tot 1983 onderdeel van het eilandgebied Bovenwindse Eilanden, waar ook Sint Eustatius en Sint Maarten toe behoorden. In 1983 kreeg het een zelfstandige status als eilandgebied en een eigen zetel in de Staten.

Sint Eustatius[bewerken]

Haven van Sint Eustatius

Columbus zette Sint Eustatius in 1493 voor het eerst op de kaart. In 1636 werd het door de Nederlanders in bezit genomen. De Fransen hadden in 1629 al een fortje gebouwd maar dat ook weer spoedig verlaten. De Zeeuwen bouwden op dezelfde plek een nieuw fort: het huidige Fort Oranje. Sint Eustatius werd een belangrijke doorvoerhaven; het meest winstgevende bezit van de West-Indische Compagnie (WIC). Het werd toen wel The Golden Rock genoemd. In 1779 legden meer dan 3000 schepen uit Europa, Amerika en Afrika aan op de rede van Oranjestad. Soms arriveerden er meer dan 20 schepen op een dag. Op de rede konden 200 schepen tegelijkertijd liggen. Aan het eind van de 18e eeuw woonden er zo'n tienduizend mensen.

Toen de Amerikanen hun vrijheidsstrijd tegen de Engelsen begonnen, leverden de Nederlanders hen wapens via Sint Eustatius. Het Amerikaanse schip, de USS Andrew Doria, dat op 16 november 1776, met de nieuwe Grand Union vlag in top, de Gallows Bay kwam binnen zeilen, kreeg in opdracht van commandeur Johannes de Graaff 11 saluutschoten van Fort Oranje. Hiermee was Nederland het eerste land ter wereld dat (de facto) de Verenigde Staten erkende als onafhankelijke mogendheid. De Engelsen verklaarden hierop Nederland de oorlog (Vierde Engelse oorlog), en namen Sint Eustatius in. Vanaf 1816 was Sint Eustatius weer Nederlands bezit, maar de voertaal bleef Engels. Tot 1983 was Sint Eustatius onderdeel van het eilandgebied Bovenwindse Eilanden, waar ook Saba en Sint Maarten toe behoorden. In 1983 kreeg het een zelfstandige status als eilandgebied en een eigen zetel in de Staten van de Nederlandse Antillen. Op 10 oktober 2010 is Sint Eustatius een bijzondere gemeente van Nederland geworden.

Sint Maarten[bewerken]

Sinds 4000 v. Chr is het eiland bewoond, sinds ca. 800 door de Arowakken-indianen. In de 14e eeuw kwamen de Carib-indianen, die veel oorlogszuchtiger waren en aan kannibalisme deden. Zij noemden het eiland Soualiga (Zout Eiland). Het eiland zou op 11 november (Sint-Maarten) 1493 door Columbus ontdekt zijn. De Spanjaarden lieten het eiland aanvankelijk met rust. Rond 1630 vestigden Fransen en Nederlanders zich er, vooral vanwege het voorradige zout, maar zij werden door de Spanjaarden verdreven. Pas in 1644 gaven de Spanjaarden hun rechten op.
Op 23 maart 1648 tekenden Frankrijk en de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden een overeenkomst (Verdrag van Concordia), waarbij het eiland gedeeld werd. Pas in 1817 werd deze overeenkomst definitief; het eiland was toen al zo'n 16 keer van eigenaar verwisseld. Leuk detail: Bij de verdeling tussen de Fransen en de Nederlanders, zijn er 2 soldaten met ieder een paar flessen rum, op pad gestuurd. De soldaten moesten steeds een paaltje zetten met de kleur van hun vlag erop. Op het punt waar de soldaten (redelijk beschonken) samenkwamen is de grenslijn gemaakt, die tot op de dag van vandaag nog steeds zo loopt. Op 10 oktober 2010 is het Nederlandse gedeelte van Sint Maarten een autonoom land binnen het Koninkrijk der Nederlanden geworden.

Staatkundige hervormingen binnen het Koninkrijk der Nederlanden[bewerken]

Op 10 oktober 2010 (10-10-10) werd het Koninkrijk der Nederlanden hervormd. De hervormingen hadden enkel betrekking op de eilanden in de Caribische Zee en niet op het Europese deel van Nederland. Belangrijkste verandering was dat het 'land' de Nederlandse Antillen werd opgeheven. De eilanden Curaçao en Sint-Maarten kregen zelf de status van land (dezelfde status als Aruba in 1986 verwierf). De kleinere eilanden Bonaire, Saba en Sint-Eustatius werden openbare lichamen (of bijzondere gemeenten) en vallen daarmee direct onder het land Nederland.

Literatuur[bewerken]

  • Gert Oostindie, Het paradijs overzee, Leiden 2000, KITLV
  • Leo Dalhuisen, Ronald Donk, Rosemarijn Hoefte (red.), Geschiedenis van de Antillen, Zutphen, 2009.