Geschiedenis van de landbouw

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De geschiedenis van de landbouw begint bij de neolithische revolutie.

Vroeger leefden vrijwel alle mensen als jager-verzamelaars: het waren nomaden die in een gebied rondtrokken op zoek naar hun dagelijkse hoeveelheid eten en drinken. Ze maakten jacht op dieren en zochten wilde planten om te eten.

Wanneer de landbouw zijn oorsprong had is lastig te bepalen, doordat dit aan de uitvinding van het alfabet en het schrift voorafgaat. Schattingen van autoriteiten lopen uiteen van 7000 tot 10.000 jaar geleden. In het Midden-Oosten en China waren er destijds groepen mensen die zich op een vaste plaats gingen vestigen. Daar begonnen zij kuddes vee te houden en gewassen te telen. Ook werd niet alles meer voor eigen gebruik gehouden, maar er werd ook gehandeld en geruild. Dat waren de eerste boeren. De eerste graanoogsten bestonden waarschijnlijk uit primitieve soorten zoals de voorouders van tarwe, gerst, gierst, sorghum, rijst en teff. De ontdekking van de landbouw markeert de overgang van de Oude Steentijd of Paleolithicum naar de Nieuwe Steentijd of Neolithicum.

Het is waarschijnlijk dat landbouw ten minste driemaal in verschillende gebieden is ontstaan, in de Vruchtbare Sikkel gelegen in het Midden-Oosten, in Midden-Amerika en in Oost-Azië. Het ligt voor de hand dat er een geleidelijke overgang van jagen-verzamelen naar landbouw heeft plaatsgehad, waarbij sommige voedselsoorten via jagen of verzamelen en andere voedselsoorten door landbouw werden verkregen. Tegelijkertijd trad selectie op doordat de grootste zaden werden bewaard voor nieuwe uitzaai, het begin van de plantenveredeling.

De allereerste boeren bewerkten de grond met beenderen en geweien van dieren, en met primitieve sikkels met een handvat van hout of been en een blad van vuursteen. Later werd de houweel uitgevonden, een soort zware schoffel. Dit gereedschap wordt tegenwoordig nog steeds gebruikt.

Toen er nog geen machines waren, werd de energie voor werkzaamheden als het malen van tarwe en het oppompen van water geleverd door de wind, water en trekdieren zoals ezels, paarden, kamelen en ossen. Rond het begin van de jaartelling werden de windmolen en het waterrad uitgevonden, die beide gebruikt werden voor het opwekken van energie. In veel landen worden deze energieopwekkers nog steeds gebruikt.

In Europa waren er aanvankelijk vooral hak- en brandtechnieken. Bosgebied werd landbouwgrond door verbranding. Dit zorgde voor een tijdelijk bemestingseffect. De boeren hadden een semi-nomadische levenswijze; na een aantal jaar op hetzelfde grondgebied te hebben doorgebracht moesten ze verder trekken omdat de grond uitgeput was.

Vanaf de Middeleeuwen werden er nieuwe technieken ingevoerd, namelijk door Karel de Grote het drieslagstelsel en later het vierslagstelsel. Verder begonnen boeren te zoeken naar een tweede bron van inkomsten. Hierdoor ontstond de plattelandsnijverheid.

In de 19e eeuw werden de handgereedschappen en de door paarden getrokken werktuigen vervangen door machines die aangedreven werden door stoom. Die stoommachines hebben nu plaats gemaakt voor krachtige, geavanceerde machines met een dieselmotor, zoals een tractor of een maaidorser.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Bieleman, J. (1992): Geschiedenis van de landbouw in Nederland 1500-1950. Veranderingen en verscheidenheid, Meppel.
Bronnen, noten en/of referenties