Geschiedenis van het christendom

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Geschiedenis van de wereld

Theatrum Orbis Terrarum



Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis
Deel van een serie artikelen over het
christendom
Christendom
..Pijlers
..Christelijke feesten

Portaal  Portaalicoon  Christendom

De Kerkgeschiedenis of ook wel de Geschiedenis van het christendom heeft als onderzoeksobject de geschiedenis van de christelijke Kerk vanaf Pinksterdag in - wat verondersteld wordt - het jaar 30 na Christus. Gedetailleerdere behandeling van de kerkgeschiedenis kan gevonden worden in de artikelen over de respectieve stromingen (protestantisme, Lutherse Kerk enz.). Het christendom is de grootste religieuze stroming ter wereld.

Indeling[bewerken]

Indeling in 3 perioden[bewerken]

Naar analogie van de seculiere geschiedenis wordt de geschiedenis van de kerk gewoonlijk ingedeeld in drie perioden:

Periode jaartallen Beginpunt
De oude kerkgeschiedenis 30 - 590 Eerste Pinksterdag
De Middeleeuwen 590 - 1517 Gregorius de Grote wordt paus
De nieuwe kerkgeschiedenis 1517 - heden Maarten Luther maakt zijn 95 stellingen tegen de aflaat bekend

Klassieke indeling[bewerken]

Een andere klassieke indeling, van de hand van de Nederlandse kerkhistoricus Otto de Jong, wordt gehanteerd in diens handboek Geschiedenis der kerk:

  1. de vroege kerk (tot 380)
  2. de staatskerk (380-1100)
  3. de machtskerk (1100-1500)
  4. de scheurende kerk (1500-1600)
  5. de bevoogde kerk (1600-1775)
  6. de betwijfelde kerk (1775-1914)
  7. de bestreden kerk (1914-heden)
protestantisme Noord-Europa, Noord-Amerika
Reformatie 16e eeuw  
  anglicanisme Engeland
 
katholicisme westerse rite Zuid-Europa, Zuid-Amerika
Vereniging katholicisme
oude christendom Grote Schisma 11e eeuw   oosterse rite Oost-Europa, Midden-Oosten
431   451    
    oosterse orthodoxie Oost-Europa, Rusland
   
  oriëntaalse orthodoxie, Koptisch christendom Egypte
 
nestorianisme Syrië, Irak, Iran

De oude kerkgeschiedenis[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Geschiedenis van het vroege christendom voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De oude kerkgeschiedenis, ook wel de geschiedenis van de vroege Kerk genoemd, omvat de eerste zes eeuwen van onze christelijke jaartelling. In de eerste drie eeuwen zien we de opkomst van de Kerk als feitelijke grootheid.

Eerste eeuw - de apostelen en apostolische vaders[bewerken]

Apostel Paulus

Het christendom heeft zijn eerste wortels gehad in de prediking van Jezus Christus en de "nederdaling van de Heilige Geest" uit de hemel in Jeruzalem. De verkondiging van het (Evangelie) door de apostelen was het begin van de christelijke Kerk. De volgelingen (discipelen) van de verrezen Jezus vormden de eerste kerkgemeenschap. Aanvankelijk beschouwden buitenstaanders de eerste christenen als een nieuwe joodse sekte maar al snel begon deze zich te onderscheiden van het traditionele Jodendom. Volgens het boek Handelingen (10:10) kreeg Petrus een visioen waarin God hem te kennen gaf dat niemand onrein is, zoals het traditioneel Jodendom leerde. De eerste gemeente bleef wel de Thora van Mozes houden [1]. Veel tegenwoordige Messiasbelijdende Joden geloven dat dit nog steeds hoort, ook voor gelovigen uit de volkeren. Later kwam de kwestie van de besnijdenis aan bod: ook deze hoefden niet-joden niet meer te ondergaan. De zendingsreizen van de apostel Paulus, vooral in het Hellenistische deel van het Romeinse Rijk, droegen het christendom tot buiten de grenzen van het toenmalige Israël. Paulus en zijn medewerkers (Timothéus, Titus en Lukas) brachten de Boodschap van "de verrezen Heer" in alle grote steden van het Romeinse Rijk. Dit gebeurde onder meer in Antiochië, Efeze, Korinthe, Rome en Alexandrië. Vanuit de steden verspreidde de leer en de christelijke gemeente zich naar het platteland.

Volgens latere overlevering werden in de jaren '60 Paulus en Petrus in Rome ter dood gebracht. Petrus' mogelijke verblijf in Rome geldt als rechtvaardiging voor de machtspositie van de paus binnen de rooms-katholieke kerk maar is binnen het protestantisme omstreden.

Het christendom groeide omdat de christenen een boodschap van verlossing brachten die de maatschappelijke onderlaag (slaven, armen, ongewenste kinderen, prostituees, enz.) aansprak. Ook was de christelijke kerk bij uitnemendheid een instelling die zich metterdaad bekommerde om de minderbedeelden. Ook het verwerpen van de bij de Joden verplichte besnijdenis (bekering werd aantrekkelijker) en het feit dat Christenen geen politieke, economische of militaire agenda hadden maar zich integendeel vooral toelegden op spirituele zaken droeg bij tot de steile opgang van de christelijke kerk.

In Antiochië, het huidige Antakya (Turkije) aan de Orontes werden de volgelingen, de discipelen van Jezus voor het eerst christenen genoemd. Dit is te lezen in Handelingen 11 vers 26.

Van strategisch belang voor de verspreiding van het evangelie in de wereld was de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70. Door het wegvallen van Jeruzalem als religieus centrum werden andere steden in de wereld van die tijd belangrijk als centrum voor de snel groeiende kerkgemeenschap. Rome, waar Petrus en Paulus begraven lagen ging uiteindelijk domineren en groeide uit tot de centrale stad van het christendom. De bisschoppen van Rome, Alexandrië en Antiochië kregen al spoedig een bijzondere status (patriarchaat) vanwege de vermeende apostolische oorsprong.

Uit de eerste eeuw kwamen, naast het Nieuwe Testament, ook enkele andere belangrijke schriftelijke bronnen beschikbaar. Van Clemens werd een tweetal brieven bekend. Ook het onderwijs van de Twaalf Apostelen, de Didache, was een belangrijke schriftelijke bron vanuit de eerste eeuw van het christendom.

Tweede eeuw - Polycarpus en Irenaeus[bewerken]

Polycarpus

De Apostolische Vaders bouwen in de tweede eeuw verder op het werk van de apostelen. Het christendom kent een grote uitbreiding in het Romeinse Rijk maar wordt ook tegengewerkt en lokaal vervolgd. In deze eeuw zijn er veel martelaren. Bekend zijn: Ignatius van Antiochië, Polycarpus van Smyrna, Justinus Martyr (Flavia Neapolis), Blandina, Perpetua en Felicitas (Carthago).

Een van de grote figuren in de jonge kerk is Irenaeus uit Klein-Azië, die in zijn jeugd toehoorder was van Polycarpus van Smyrna.

(*) heiden: In dit artikel worden niet-christenen omwille van de eenvoud met de term "heiden" aangeduid.

Apologeten staan op. Quadratus van Athene, Aristides van Athene en Justinus de Martelaar zijn bekende verdedigers van het christelijke geloof.

Binnen de Kerk zelf ontstaat er strijd ten gevolge van het ontstaan van verschillende standpunten en inzichten.

In antwoord op deze verschillen van inzicht komt de kerk in deze eeuw tot het opstellen van een geloofsbelijdenis (de apostolische geloofsbelijdenis in 12 artikelen), tot de eerste instelling van een canon (de lijst gezaghebbende boeken van de Bijbel) en tot de instelling van het bisschopsambt. De inzichten die verworpen worden, komen als dwalingen (ketterijen) te boek te staan.

Derde eeuw - Tertullianus en Origenes[bewerken]

Catacomben

Onder keizer Decius (250 n.Chr.) moeten alle burgers van het Romeinse Rijk hun loyaliteit betonen aan de keizer en de staatsgoden. Enkele halsstarrige weigeraars worden gefolterd en gedood. De groei van de Kerk gaat echter verder.

De Kerk vindt een machtige verdediger in Tertullianus (160-220), een heidense jurist en advocaat die in 195 tot het christendom overgaat. In het Apologeticum verdedigt Tertullianus de christenen. Tertullianus stelt dat het bloed der martelaren het zaad van de Kerk is. Origenes schrijft de eerste christelijke dogmatiek.

Er ontstaan in deze eeuw drie belangrijke centra van het christelijke geloof:

  • In Carthago staat de tegenstelling tussen zonde en genade centraal. Hier is Tertullianus de belangrijkste leermeester van de Kerk. Cyprianus, een leerling van Tertullianus, geeft krachtige geestelijke leiding. Met hem komt het bisschopsambt tot ontwikkeling.

Vanuit deze drie centra ontstaan allerlei bewegingen in de vroegchristelijke Kerk. Er worden vragen gesteld aangaande de goddelijke natuur van Christus. Sommigen (onder andere Paulus van Samosata) geloven niet in de godheid van Christus. Anderen (zoals Praxeas en Sabellius) geloven niet in zijn mens-zijn. De moderne Kerk echter stelt dat Christus waar God en waar mens is.

Ook zijn er invloeden vanuit de heidense omgeving. Het neoplatonisme benadrukt de dualiteit tussen geest en stof. Het manicheïsme probeert de gnosis, oosterse religie en christendom te verenigen. Ook de mithrasverering dringt de kerk binnen. Ondanks deze spanningen blijft de Kerk terrein winnen op het heidendom.

Vierde eeuw - christendom staatsgodsdienst[bewerken]

Athanasius

Tijdens de regering van Constantijn de Grote wordt door het edict van Milaan (313) godsdienstvrijheid toegestaan en komt er een einde aan de christenvervolgingen van Diocletianus (303-305 n.Chr.) en Galerius (305-311 n.Chr.). In feite worden vanaf dat moment de andere godsdiensten benadeeld. Ten tijde van het Edict van Milaan was waarschijnlijk nog slechts 10% van de bevolking van het Romeinse Rijk christen, maar veertig jaar later was dat al ongeveer de helft. Het kortstondige streven van - vermoorde - keizer Julianus de Afvallige om de christelijke vloedgolf te stuiten, liep op een mislukking uit. Onder keizer Theodosius I wordt het christendom in 380 zodanig bevoordeeld dat we kunnen spreken van staatsgodsdienst. Vanaf 392 worden alle andere godsdiensten verboden.

Ook is de vierde eeuw de tijd van grote oecumenische concilies waar belangrijke besluiten worden genomen over de leer. In 325 wordt het Concilie van Nicea bijeengeroepen en in 381 dat van Constantinopel. Hier spreekt de kerk zich onder andere uit over de ware leer. Arius ontkende de godheid van Christus. Athanasius van Alexandrië zet zijn stempel op het theologisch denken en levert een belangrijke bijdrage tot de bestrijding van arianisme en de formulering van de leer van de Triniteit. Deze leer wordt vastgelegd in de Geloofsbelijdenis van Nicea. Uitgesproken wordt dat God één is in Wezen en drie in Personen. Hiermee belijdt de Kerk de drie-eenheid van God. Dit wordt een vaststaand, blijvend geloofspunt voor de Kerk.

In deze eeuw breidt de Kerk zich uit naar Perzië, Armenië en Noord-Europa.

Naast Athanasius zijn de drie grote Cappadociërs (Basilius de Grote, Gregorius van Nazianze en Gregorius van Nyssa) belangrijke theologen in deze periode. Hun werk geeft de Kerk een duidelijke formulering van de Triniteit.

Vijfde eeuw - Augustinus en de eerste kerkelijke schisma's[bewerken]

Augustinus van Hippo

De vijfde eeuw wordt beheerst door de definitieve ondergang van het West-Romeinse Rijk. In 410 wordt Rome door Alarik I ingenomen en geplunderd. In 476 volgt de definitieve ondergang van het rijk.

In de Kerk ontstaan verschillende scholen en centra voor theologie. In het Westen oefenen Carthago, Hippo (Augustinus) en Rome invloed uit. In het Oosten zijn Alexandrië en Antiochië (Klein-Azië) belangrijke centra.

Naar aanleiding van de plundering van Rome (410) schrijft Augustinus zijn grote werk De Civitate Dei - Over de stad Gods. Er werd namelijk door sommige Romeinen beweerd dat door het afvallen van de Romeinse godsdienst door de goden als straf de stad door de 'barbaren' geplunderd was; Augustinus wilde dit weerleggen met zijn boek. Hij behoort tot de allergrootste geestelijken van de Christelijke Kerk en van de westerse cultuur. Hij drukt een onuitwisbare stempel op de christelijke Kerk. De Stad Gods is zijn belangrijkste werk. Augustinus verdedigt er het christendom tegenover heidense beschuldigingen en geeft een visie op Kerk en Staat die eeuwenlang anderen heeft geïnspireerd. De vijfde eeuw is de eeuw van Augustinus.

De vierde eeuw werd, wat de leer betreft, beheerst door de vragen rond de Drie-eenheid van God. In de vijfde eeuw draait het vooral om de Christologie. De grote vraag is hoe verhouden de twee naturen, de goddelijke en de menselijke natuur van Christus zich tot elkaar. Op het concilie van Efeze in 431 en op het concilie van Chalcedon in 451 worden hierover grote uitspraken gedaan. Christus is de Zoon van God. In Hem zijn de goddelijke en menselijke natuur - op een voor ons onbegrijpelijke wijze - verenigd. De uitspraken van Efeze worden niet geaccepteerd door de volgelingen van Nestorius. Dit leidt tot de afscheiding van de Nestoriaanse Kerk. De uitspraken van Chalcedon lijken aanvankelijk gezaghebbend voor heel de Christenheid. Toch tekenen de verschillen tussen Oost en West zich langzamerhand af. Na Chalcedon voltrekt zich een nieuw kerkelijke schisma waarbij een oosters deel van de Kerk de zogenaamde Oriëntaals-orthodoxe Kerken de nieuwe dogma's over de dubbele natuur van Jezus weigeren te aanvaarden. In 1054 zal een nog groter schisma met de overige oosterse kerken (Oosters-orthodoxe Kerken) volgen.

Tevens wordt de vijfde eeuw beheerst door de vraagstukken over de genade. De monnik Pelagius ontkent de erfzonde en belijdt dat de mens door eigen werken verlost kan worden. Augustinus bestrijdt Pelagius. Op de Synode van Carthago (418) wordt de leer van Pelagius als ketterij veroordeeld.

De Christelijke Kerk breidt zich in de vijfde eeuw uit naar Engeland en Ierland (eiland der heiligen). Vanuit Ierland wordt later het Noorden van West-Europa gekerstend.

De Middeleeuwen[bewerken]

Zesde eeuw - oecumenisch concilie van Constantinopel[bewerken]

De zesde eeuw draagt een donker karakter. Het wegvallen van het West-Romeinse Rijk en de volksverhuizingen van de Germaanse stammen hebben ook hun invloed op de geschiedenis van de Kerk. De christelijke leer wordt verder vastgelegd tijdens het Concilie van Constantinopel II (553).

Benedictus van Nursia door Fra Angelico

Benedictus van Nursia sticht het klooster van Monte Cassino en schreef voor zijn monniken een kloosterregel, de zeer invloedrijke Regula Benedicti. Hieruit ontstaan de Benedictijnen. De kloosters worden in de komende eeuwen belangrijke plaatsen binnen het christendom.

De Synode van Arausio (Orange) veroordeelt in 529 het semi-pelagianisme en onderstreept de visie van Augustinus op de vrije wil en de genade. De mens is onbekwaam tot enig goed en kan zich tot de genade van God niet voorbereiden.

Columbanus trekt naar de Vogezen. Vanuit Ierland en Engeland wordt het vaste land van Europa gekerstend. Van belang is dat aan het begin van de zesde eeuw Clovis de heerser der Franken in Reims wordt gedoopt. Het Frankische Rijk sluit zich daarmee aan bij het christendom. Dat dit niet betekende dat de gehele bevolking direct bekeerd was, blijkt bijvoorbeeld uit de vita die Gregorius van Tours schreef van Nicetius van Trier, waarin verhaald wordt van een man die per schip naar Italië reisde, als enige gelovige tussen de pagani (heidenen). Theuderik I heeft nog heidenen in hoge functies.

Deze eeuw betekent ook overwinning van de Chalcedonensische orthodoxie in de Kerk. De belijdenis van Chalcedon - dat Jezus voluit de Zoon van God is - wordt het gemeenschappelijk erfgoed voor de hele Christenheid.

De vroege kerkgeschiedenis neemt een einde met begin van het pontificaat van Gregorius de Grote in 590. Zijn biografie van Benedictus en andere boeken behoren tot de klassieke christelijke literatuur.

Zevende eeuw - Opkomst islam[bewerken]

Mohammed bij de Ka'aba

In het begin van de zevende eeuw is er het pontificaat van Gregorius de Grote (590-604). Deze paus is de stichter van de kerkelijke staat: naast geestelijk leider van de Kerk wordt de paus ook de wereldlijke heerser over de kerkelijke staat. Aan de oorsprong hiervan ligt de zogenoemde Donatio Constantini: Constantijn de Grote zou aan de paus de wereldlijke heerschappij over Rome, Italië en de westelijke provincies geschonken hebben. Paus Gregorius begint met het vastleggen van de hiërarchie binnen de Rooms-katholieke Kerk. In deze periode ontstaat de Gregoriaanse liturgie.

Belangrijk is de opkomst van de islam in Arabië. Deze religie is gebaseerd op de openbaring van de Koran aan de profeet Mohammed (570-632). Aan het einde van de zevende eeuw hebben de Arabieren het hele zuidelijke gedeelte van de Middellandse Zee, waaronder Egypte, Libya en Ifriqiya (het huidige Tunesië), veroverd. De aanvankelijk christelijke bevolking in deze gebieden gaat grotendeels geleidelijk, al of niet onder dwang, over tot de islam.

In Engeland en Ierland daarentegen bloeit de kerk. Er is zelfs sprake van een Keltische kerk. Dat de bekering langzaam gaat, blijkt wel uit de scènes en teksten op Franks Casket, een uit walvisbot gesneden kistje uit de zevende eeuw met daarop heidense taferelen.

Vele zendelingen dragen het christendom verder uit, vooral in West-Europa. In de lage landen zijn dit Willibrord en Bonifatius. De Germaanse volkeren worden deels bekeerd tot het christelijke geloof.

In 680 wordt het zesde oecumenische concilie gehouden. De orthodoxe leer wordt er bevestigd en verder uitgewerkt.

Nuvola single chevron right.svg Zie ook paulicianen

Achtste eeuw - Karolingische renaissance[bewerken]

Karel de Grote en paus Adrianus I, voorganger van paus Leo III

De achtste eeuw werd aanvankelijk gekenmerkt door een snelle opmars van de islam in Spanje en Portugal en vervolgens in de zuidelijke helft van Frankrijk. Onder leiding van de Frankische vorst Karel Martel werd in 732 die opmars definitief gestuit in de Slag bij Poitiers. Deze overwinning droeg ook bij aan de vestiging van de Karolingische dynastie. Het einde van de achtste eeuw werd staatkundig beheerst door de figuur van Karel de Grote (768-814). Hij speelde ook in godsdienstig opzicht een grote rol. Hij voerde onder andere oorlog tegen de islamitische Moren, waarbij hij gebruikmaakte van hun onderlinge verdeeldheid en een Spaanse Mark ten zuiden van de Pyreneeën vestigde als bufferzone. Hij bekeerde in het oosten de Saksen met 'tongen van ijzer', oftewel met het zwaard, tijdens de dertig jaar durende Saksenoorlogen. Op kerstdag van het jaar 800 kroonde paus Leo III Karel tot keizer van het 'West-Romeinse Rijk', waarvan vanaf 843 de oostelijke afsplitsing het Heilige Roomse Rijk genoemd zou worden. Karel steunde de paus in diens machtsstrijd tegen de Romeinse adel en in diens eigen strijd ter zee tegen de islamitische Saracenen.

In de latere eeuwen is de strijd tussen wereldlijke en kerkelijke macht een belangrijke bron van spanningen; deze zal leiden tot de investituurstrijd.

Het hof van Karel speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de theologie (hoftheoloog Alcuinus), het onderwijs en de kunsten. De kloosterscholen waren centra van beschaving en cultuur. In de kloosters werd aan Bijbelstudie gedaan en aan studie van de zeven vrije kunsten. De monniken en de kloosters speelden een belangrijke rol bij de instandhouding en de verspreiding van het christelijke geloof. Latijn was, althans in geschrift, de voertaal aan het hof en in de Kerk.

In het Oosten schreef de Griekse kerkvader, Johannes Damascenus, onder bescherming van de kalief van Damascus, zijn dogmatisch hoofdwerk en sloot daarmee de dogmatische ontwikkeling in het Oosten af.

Er ontstaat in de Kerk - tussen 730 en 843 - een strijd over afbeeldingen en beelden, het iconoclasme. In 787, tijdens het laatste oecumenische concilie, werd het vereren van beelden en afbeeldingen (iconen) toegestaan. In de Oosterse kerk gaat de beeldenstrijd echter verder.

Ook komt er discussie over de leer van de predestinatie. Godschalk van Orbais, een monnik, formuleert de leer van de dubbele predestinatie.

Bonifatius, de apostel der Saksen, wordt in 754 bij Dokkum gedood na meermaals de lokale heiligdommen te hebben geschonden.

Vanaf deze tijd worden kerken in steen gebouwd. Vooral in de bouwkunst komt er een eigen Karolingische bouwkunst. In Aken laat Karel de Grote de Paltskapel bouwen.

Negende eeuw - Pseudo-isidorische decretalen[bewerken]

In de negende eeuw (omstreeks 850) duiken de zogenoemde Pseudo-isidorische decretalen op. Deze decretalen stellen dat de macht van de priester gaat boven de macht van de vorst. De macht van de priester culmineert uiteindelijk in de macht van de paus. De paus staat dus boven de vorst. De decretalen stonden op naam van bisschop Isidorus van Sevilla (ca. 600) die encyclopedisch de wetenschap van de oudheid had samengevat. Voor een deel waren deze decretalen echt, andere stukken waren afkomstig uit de buurt van Reims en waren tegen aartsbisschop Hincmar van Reims en de Frankische koning gericht. Vooral de krachtige paus Nicolaas I (858-867) heeft handig gebruikgemaakt van deze decretalen, onder meer tegen Hincmar van Reims, Lotharius II en Photius.

Er ontstaat strijd over de leer rond het Heilig Avondmaal. Radbertus Paschasius stelt dat brood en wijn wezenlijk veranderen in het lichaam van Christus. Deze gedachte wordt later in de Rooms-katholieke Kerk aanvaard als de transsubstantiatieleer. Tegenover Radbertus Paschasius staat de monnik Ratramnus van Corbie (850). Ratramnus dacht bij de eucharistie aan Christus' mystiek lichaam dat iets anders is dan zijn historische lichaam en dat op geestelijke wijze wordt ontvangen. In deze eeuw verbreidt Johannes Scotus Eriugena een neoplatonische mystiek.

De Kerk breidt zich in deze periode verder uit naar de noordelijke delen van West-Europa. De kerstening van Denemarken en Zweden mislukt echter.

Icoon tiende eeuw Aartsengel Michaël

De spanningen tussen het Oosten en het Westen lopen in deze eeuw verder op. De Kerk in het Oosten aanvaardt in 843, op gezag van keizerin Theodora, de afbeeldingen in de kerken. Dit betekende het einde van het iconoclasme. De Kerk in het Oosten verwerpt het vasten op zaterdag en het verplichte priestercelibaat.

Tiende eeuw - Cluniacenzers[bewerken]

Abdij van Cluny

De tiende eeuw - meer bepaald de periode 875 - 950 - wordt een saeculum obscurum (een duistere eeuw) genoemd. In tachtig jaar tijd volgen 24 pausen elkaar op. Paus Johannes XII, die op 17-jarige leeftijd paus wordt, leidt een zeer zedeloos leven.

Er is sprake van ernstige mistoestanden. Simonie komt voor. De investituur wordt problematisch. Tenslotte zijn er vragen over het priesterhuwelijk.

In deze eeuw ontstaat vanuit de kloosters hervorming en opleving. In Cluny ten noorden van Lyon sticht abt Berno van Cluny de orde van de Cluniacenzers. Doel is de hervorming van het vervallen kloosterleven. De tweede abt van Cluny, Odo (abt van 927-941), verscherpt de orderegels. Het klooster wordt zeer bekend en de congregatie breidt zich uit. Spoedig telde ze 2000 kloosters. De grote paus Gregorius VII (1073-1085) is uit de orde van Cluny voortgekomen.

De kerk breidt zich in deze periode uit in Oost-Europa; in 988 bekeert Rusland zich tot het christendom.

Elfde eeuw - Het Grote Schisma en paus Gregorius VII[bewerken]

De elfde eeuw valt in de hoge Middeleeuwen.

In 1014 voegt paus Benedictus VIII het filioque officieel toe aan de geloofsbelijdenis van Nicea. De Oosterse Kerk kan zich er niet mee eens verklaren en stelt dat het Westen het credo wijzigde zonder de toestemming van een oecumenisch concilie.

In 1054 voltrekt zich het grote schisma tussen de Kerk van het Oosten en de Kerk van het Westen. De directe aanleiding daartoe waren de geschillen over enerzijds de pauselijke autoriteit en anderzijds de "filioque-doctrine". Andere minder belangrijke discussiepunten waren onenigheid over de liturgie en conflicterende claims over de jurisdictie binnen de christenheid. Deze conflictsituatie leidde tot een reeks wederzijdse excommunicaties door de vertegenwoordigers van paus Leo IX en de patriarch van Constantinopel Michaëlis Caerularius. Zo werd de scheiding van de rooms-katholieke Kerk en de Oosters-orthodoxe Kerk een feit. Pas in 1965 werden de wederzijdse excommunicaties ingetrokken.

De elfde eeuw wordt ook beheerst door de investituurstrijd. Keizer Hendrik III (1039-1056) is een krachtige hervormer uit het Frankische huis. Het pausdom en de kerk staan circa tien jaren onder zijn invloed. Hij benoemt een aantal pausen. Hij zet ze ook af. In 1059 komt er een kentering. Het conclaaf van kardinalen kiest uit zijn midden een paus.

Paus Gregorius VII

In april 1073 wordt Gregorius VII de nieuwe paus. Hij is een krachtige figuur en verbiedt de lekeninvestituur, waardoor hij in botsing komt met keizer Hendrik IV. Gregorius excommuniceert Hendrik in 1073. Deze gaat naar Canossa en verkrijgt op 25-27 januari 1077 van Gregorius absolutie. Dit is werkelijk een hoogtepunt van de pauselijke suprematie.

In deze periode ontwikkelt de Kerk instrumenten om te straffen. Zij stelt drie mogelijke straffen in:

In deze elfde eeuw worden verschillende kathedralen en kerken gebouwd onder meer de dom in Spiers, in Mainz en in Worms. De Lebuïnuskerk in Deventer en de Sint-Servaaskerk in Maastricht dateren van deze periode.

Twaalfde en dertiende eeuw - De Kruistochten[bewerken]

In 1071 versloegen de Seltsjoeken onder leiding van Alp Arslan het Byzantijnse leger bij Manzikert. In 1074 plande paus Gregorius VII een oorlog tegen de ‘ongelovigen’, met als tweede doel de hereniging van de Westerse en de Oosterse Kerk. Door de investituurstrijd werd dit plan naar de achtergrond verdrongen. In 1078 veroverden de Seltsjoeken Jeruzalem.

Paus Urbanus II (1088-99) neemt het plan van zijn voorganger weer op. Zijn motivatie was eerder religieus dan politiek. De Kerk zou voorzien in een sterke motivering terwijl de seculiere machten voor de daadwerkelijke uitvoering van het plan zouden zorgen. In 1094 vraagt keizer Alexius I van Byzantium Urbanus om huurlingen tegen de Turken. Wanneer de Byzantijnse ambassadeurs aankomen, is Urbanus bezig met de voorbereiding van het Concilie van Clermont. Daar, voor een grote massa mensen, preekt de paus op 26 november 1095 voor het eerst de kruistocht. De aanwezigen reageren enthousiast.

Tijdens de Eerste Kruistocht veroveren de kruisvaarders in 1099 Jeruzalem onder leiding van Godfried van Bouillon.

In 1113 erkent de paus de Orde van de Hospitaalridders. In 1118 wordt de Orde van de Tempeliers gesticht.

In totaal zullen in de periode tussen 1147 en 1272 nog acht andere kruistochten volgen. Geen enkele zal Jeruzalem nog bereiken. Voor het relaas hiervan wordt verwezen naar het artikel kruistochten. In 1187 wordt Jeruzalem veroverd door Saladin; de stad zal niet meer in handen van de kruisvaarders komen. Het eindresultaat van de kruistochten is niet alleen dat de Westerse en de Oosterse Kerk verder van elkaar zijn gegroeid dan tevoren maar ook dat de Westerse Kerk zich vijanden heeft gemaakt zowel bij de Joden als de moslims.

Bernard van Clairvaux

In de tweede helft van de twaalfde eeuw ligt Petrus Waldo in Lyon (Frankrijk) aan de basis van de stichting van de Waldensische beweging. Deze kan omschreven worden als een eerste protestantse Kerk die de nadruk legt op de autoriteit van de Schrift en de redding door de sacramenten verwerpt.

Bernard van Clairvaux (1093–1153) is een van de meest invloedrijke personen van de twaalfde eeuw. Hij werkt aan de hervorming van het kloosterleven. Hij is een groot prediker en de belangrijkste motivator van de Tweede Kruistocht.

Op initiatief van paus Innocentius III start in 1209 de kruistocht tegen de albigenzen in de Languedoc. Deze zal spoedig een echte veroveringsoorlog worden waarbij de godsdienstkwestie op de achtergrond raakt.

In 1216 keurt paus Honorius III de regel van de Dominicaner orde goed. In 1232 geeft paus Gregorius IX bevel aan deze nieuwe orde de taak van de inquisitie op zich te nemen. Daarmee is de inquisitie formeel bevestigd en geïnstalleerd. In 1237 belast de paus er ook de franciscanen mee. Deze inquisitie gaat een grote rol spelen in de vervolging van de albigenzen. Dit gaat door tot het begin van de veertiende eeuw.

In de twaalfde en dertiende eeuw worden in Rome vier zogenaamde concilies van Lateranen gehouden.

Thomas van Aquino (1225 - 1274) wordt dé grote leraar van de rooms-katholieke Kerk. Hij schreef onder meer "Tegen de heidenen" (Summa contra gentiles) en "Summa Theologiae". Dit laatste is het grootste theologische werk van de Middeleeuwen.

Zie ook: Arnold van Brescia - Bedelorden - Investituur -

Veertiende en vijftiende eeuw - De late middeleeuwen[bewerken]

paus Clemens V

In 1309 verhuist paus Clemens V, de vroegere aartsbisschop van Bordeaux, naar Avignon. Van 1309 tot 1376 verblijven de pausen in Avignon onder toezicht van de Franse Koning, de Babylonische ballingschap der pausen. In 1376 verhuist paus Gregorius XI terug naar Rome. Na zijn dood kiezen de kardinalen onder druk van de bevolking Urbanus VI tot paus. Dertien Franse kardinalen betwisten de omstandigheden van deze verkiezing en kiezen een tegenpaus Clemens VII die naar Avignon terugkeert. De periode 1378 –1417 noemt men het Westers schisma. Gedurende veertig jaar zijn er twee pausen. Aan dit schisma wordt een einde gemaakt tijdens het concilie van Konstanz wanneer de pausen van dat moment worden afgezet en een nieuwe paus Martinus V wordt gekozen.

John Wycliffe (1330 – 1384) is een belangrijk theoloog in Oxford. Hij stelt dat de mensheid alleen kan gered worden door het lijden van Christus. Hij en zijn volgelingen vertalen de bijbel in het Engels.

Jan Hus (1371 – 1415) in Bohemen wordt sterk beïnvloed door Wycliffe. Hij verwerpt de aflaten en stelt dat Christus het hoofd is van de kerk en niet de paus. In 1415 wordt hij veroordeeld tot de brandstapel tijdens het concilie van Konstanz.

Savonarola (1452 –1498) verzet zich in Florence tegen de misbruiken in de Kerk en legt de nadruk op de autoriteit van de Schrift. Hij wordt ter dood veroordeeld.

Erasmus (1467 - 1536) legt met zijn humanistische beweging de basis van de tolerantiegedachte.

De nieuwe kerkgeschiedenis[bewerken]

De reformatie en contrareformatie[bewerken]

De reformatie[bewerken]

Maarten Luther

In 1517 publiceerde Maarten Luther (1483 – 1546) zijn “95 stellingen”. In de protestantse heroïserende geschiedschrijving wordt beweerd, dat Luther de stellingen aan de kerkdeur in Wittenberg spijkerde, zodat dit tot "publieke daad" kon worden gestileerd. In werkelijkheid waren de stellingen bedoeld voor interne discussie. In 1520 werd Luther op de Rijksdag van Worms (1521) ondervraagd en vergeefs verzocht zijn standpunt te herroepen. Krachtens het Edict van Worms werd hij in 1521 geëxcommuniceerd en vogelvrij verklaard en werd aanbevolen zijn boeken te verbranden. Toen Luther drie jaar later een eigen kerk stichtte, werd hij door vele vorsten in Duitsland vervolgd. Keurvorst Frederik III van Saksen verleende hem echter gastvrijheid op het slot Wartburg, waar Luther de eerste Duitse vertaling van het Nieuwe Testamant, de 'Lutherbijbel' vervaardigde, op basis van de verbeterde Latijnse vertaling van Erasmus.

Johannes Calvijn (1509 – 1564) bekeerde zich in 1532 tot de protestantse Reformatie, waaraan hij zelf mede vorm zou geven. De eerste editie van zijn catechetische en dogmatische hoofdwerk, de "Institutie" kwam uit in 1536 in het Latijn: "Institutio religionis Christianae". Dit werk, waarin hij de christelijke leer samenvat, zou hij bij iedere herdruk tot aan het einde van zijn leven aanvullen en uitbreiden, in het Frans en het Latijn. De laatste uitgave bij zijn leven verscheen in 1559. Het werk bestond toen uit vier boekdelen, met in totaal 80 hoofdstukken. Het calvinisme kreeg grote invloed in Frankrijk, Schotland, (waar John Knox het calvinistische denken verspreidde), delen van Zwitserland (waar Huldrych Zwingli een leidende rol speelde) en vanaf de jaren vijftig de Nederlanden, waar de echter de wederdoper Menno Simonsz de belangrijkste protestantse denker van eigen bodem was. In de Nederlanden begon de verspreiding vanuit het zuiden. Veelal bleven de mensen hier actief lid van de rooms-katholieke Kerk, maar bezochten daarnaast Bijbelstudies; openlijk uitkomen voor protestantse sympathieën was in die tijd levensgevaarlijk.

In 1534 riep Hendrik VIII zich uit tot hoofd van de Kerk van Engeland. Om politieke redenen werd de bestuurlijke band met Rome verbroken, maar theologisch was Hendrik VIII conservatief en wars van het reformatorische gedachtegoed. Uiteindelijk leidden de invloeden van de Engelse Reformatie tot een middenweg, die zich tussen roomsgezinden en puriteinen positioneerde. De Anglicaanse Kerk verenigt dan evangelische en katholieke geloofselementen. Zij noemt zichzelf nog steeds "katholiek en hervormd". De normen van de Kerk van Engeland zijn - sinds 1559 - geformuleerd in het "Book of Common Prayer".

In 1535 nam een groep wederdopers, een radicale protestantse stroming, met geweld de macht over in Münster onder leiding van de Nederlander Jan van Leiden, die echter al snel zelf gewelddadig onderdrukt werd. Hieruit zou de vreedzame beweging van de mennonieten of doopsgezinden ontstaan.

De contrareformatie[bewerken]

In de rooms-katholieke Kerk ontstond een Contrareformatie, als reactie tegen het groeiende protestantisme. De alliantie tussen Kerk en Staat was het sterkst in Spanje en de Spaanse Nederlanden, waar wereldlijke macht en inquisitie samenwerkten ter bestrijding van de ketterijen. Dit komt het duidelijkst tot uiting tijdens het bewind van Filips II (1527-1598). Filips zag zichzelf als de leider van de contrareformatie. Voor hem bestond er geen verschil tussen de belangen van de Katholieke Kerk en die van Spanje.

In 1534 werd de orde van de Jezuïeten gesticht; zij zouden een grote rol spelen in deze contrareformatie.

Tussen 1545 en 1563 werd het concilie van Trente gehouden. Dit concilie had als doel de misstanden en misbruiken binnen de rooms-katholieke Kerk aan te pakken. Er moest ook duidelijkheid geschapen worden omtrent de door de protestanten betwiste geloofspunten. De besluiten van het concilie vatten de positie van de rooms-katholieke Kerk ten opzichte van de protestanten samen in 126 Anathema's. Men kan dit concilie beschouwen als het hart van de contrareformatie. De Kerk slaagde er in om een grote morele en intellectuele invloed te behouden in de landen die katholiek zijn gebleven.

Ontwikkeling in Duitsland en Frankrijk[bewerken]

In 1555 werd na telkens nieuwe schermutselingen in Augsburg voor grote delen van Duitsland de ReligionsFried afgesproken. De vorst van elk land zou voortaan bepalen welke religie de inwoners van zijn land moesten aanhangen, m.a.w. daar mocht de keizer zich voortaan niet meer mee bemoeien.

In Frankrijk werden de protestanten, Hugenoten genoemd, bloedig vervolgd. De hele tweede helft van de zestiende eeuw werd Frankrijk geteisterd door Hugenotenoorlogen, waarin Spanje en Engeland zich mengden aan katholieke, respectievelijk protestantse zijde. Tijdens de Bartholomeusnacht in 1572 werden duizenden Hugenoten vermoord. De Hugenotenoorlogen eindigen in 1598, toen koning Hendrik IV van Frankrijk het edict van Nantes uitvaardigde, dat een zekere mate van godsdienstvrijheid liet aan de protestanten, terwijl het katholicisme staatsgodsdienst bleef. Het edict werd echter herroepen in 1685.

Ontwikkeling in de Nederlanden[bewerken]

Ontstaansgeschiedenis van kerken in Nederland

Ook in de Nederlanden (met name in Vlaanderen) won aanvankelijk het lutheranisme en later het calvinisme aan populariteit. In 1561 stelde de Doornikse predikant Guido de Brès de Nederlandse Geloofsbelijdenis op.

In 1564 pleitte Willem van Oranje in de Staten-Generaal voor meer gematigdheid in de kettervervolging. Koning Filips II van Spanje, die in 1555 de Nederlanden had geërfd van zijn vader, keizer Karel V, wilde daar absoluut niets van weten.

In april 1566 bood het Eedverbond der Edelen aan landvoogdes Margaretha van Parma een smeekschrift aan tot schorsing van de inquisitie. Nog voordat er een antwoord kwam, begon de beeldenstorm, op 10 augustus in het huidige Frans-Vlaanderen, waarna deze zich verplaatste naar het noorden. Tijdens deze beeldenstorm kwam de reactie op het smeekschrift: De nieuwe leer werd op 23 augustus 1566 toegestaan in alle plaatsen waar voor die tijd al bijeenkomsten van de nieuwe leer gehouden waren.

In de Noordelijke Nederlanden breidde het calvinisme zich vanaf 1572 snel uit. In 1576 was het calvinisme over vrijwel heel Holland en Zeeland verspreid, en ondervond weinig weerstand vanuit de bevolking. Wegens het uitbreken van de Nederlandse Opstand rond 1568 was de koning van Spanje vooral in de Noordelijke Nederlanden niet meer in staat repressie van bovenaf vol te houden. De katholieken werden in het algemeen niet bloedig vervolgd, afgezien van aanvankelijke excessen van de weinig gedisciplineerde Geuzen, maar ze moesten zich wel schuilhouden en het calvinisme werd de officiële godsdienst van de Nederlandse Republiek. In de Zuidelijke Nederlanden bleef het katholicisme de officiële godsdienst en vele protestanten migreerden naar het noorden.

In 1578 werd de calvinistische staat Gent opgericht. Al snel omvatte deze staat een groot deel van Vlaanderen. In deze staat was géén godsdienstvrijheid. In 1584 werd dit initiatief de kop ingedrukt, en de katholieke godsdienst weer als de staatsgodsdienst hersteld. Hierbij vluchtten 15000 mensen (op een bevolking van 40000) de stad uit. Enkele jaren later was de 'ketterij' uitgeroeid in de Zuidelijke Nederlanden.

In 1618-1619 werd de protestantse synode van Dordrecht gehouden. Belangrijkste agendapunt was een uitspraak in het geschil tussen de remonstranten en contraremonstranten. De standpunten tegen de remonstranten werden weergegeven in vijf punten, die nog steeds bekendstaan onder de naam Dordtse Leerregels. Ze maken officieel onderdeel uit van de drie belijdenisgeschriften van de Nederlandse Hervormde en Gereformeerde kerken. Internationaal wordt er gesproken over het 5-puntencalvinisme ("five points of calvinism"). Op de Synode van Dordrecht werd tevens besloten de Bijbel in het Nederlands te vertalen. Deze Statenvertaling was in 1637 klaar en heeft tot 1954 algemeen dienst gedaan in Nederlandse protestantse kerken.

Zie ook: Boerenopstand - Loci communes - Godsdienstgesprekken - Gereformeerd

Na de reformatie en contrareformatie[bewerken]

In de loop van de 17e eeuw lopen de godsdiensttwisten ten einde: in 1648 eindigen de Tachtigjarige Oorlog en Dertigjarige Oorlog; in 1685 wordt het Edict van Nantes in Frankrijk herroepen. Vanaf dan is er een grotendeels nationaal bepaalde status quo in de verdeling tussen rooms-katholicisme en protestantisme. Er is vanaf dat moment in West-Europa feitelijk geen sprake meer van een 'algemene' geschiedenis van het christendom, maar er is slechts de geschiedenis van de afzonderlijke kerkgenootschappen. De geschiedenis van het protestantisme is bovendien nog eens extra gefragmenteerd doordat elk protestants land een eigen staatskerk had (en in Nederland waren er bovendien nog andere nationaal georganiseerde protestantse kerken die door de overheid gedoogd werden). Officiële contacten tussen rooms-katholicisme en protestantisme zijn eeuwenlang vrijwel geheel afwezig.

Zie:

Enkele ontwikkelingen die de afzonderlijke kerkgenootschappen overstijgen staan hieronder vermeld.

De Verlichting[bewerken]

In de zeventiende eeuw boekten wetenschappers op diverse gebieden grote vooruitgang. Onderzoekers wisselden resultaten uit die druk besproken werden. Ontdekkingen, zoals die van Galilei, wekten de indruk dat een enorme wetenschappelijke vooruitgang te verwachten was. In de achttiende eeuw wordt natuurwetenschap een soort rage. Isaac Newton ontdekt de wetten van de zwaartekracht en toont aan dat zon, maan en aarde aan deze wetten gehoorzamen. Er worden allerlei uitvindingen gedaan. Veel mensen gaan aannemen dat de menselijke rede in staat zal zijn alle problemen op te lossen en dat het tijd is om af te rekenen met domheid en bijgeloof. De achttiende eeuw wordt het tijdperk van de Verlichting. De grote "Encyclopédie" samengesteld door Diderot en d'Alembert verschijnt. Filosofen komen met nieuwe opvattingen. Voltaire pleit voor meer religieuze tolerantie en de afschaffing van de staatskerk. Rousseau keert zich tegen het absolutisme en het 'droit-divin'-principe.

De Franse Revolutie en Napoleon[bewerken]

De Franse Revolutie heeft de rol van de kerken in de samenleving teruggeschroefd maar een deel van wat door de revolutie werd afgeschaft wordt na de val van Napoleon (1815) weer ingevoerd. Globaal gezien hebben de kerken heel wat privileges moeten inleveren en is er een einde gekomen aan het kerkelijk grootgrondbezit.

Zie ook:

Ontwikkeling van de theologie[bewerken]

Vanaf de 18e eeuw ontwikkelt zich het historisch-kritisch bijbelonderzoek hetgeen geleid heeft tot de ontwikkeling van de moderne theologie.

Enkele belangrijke theologen, die hun stempel hebben gedrukt op de kerk in de twintigste eeuw dienen hier vermeld te worden: Karl Barth, Dietrich Bonhoeffer, Marie-Dominique Chenu, Yves Congar en Edward Schillebeeckx.

De oecumene in de twintigste eeuw[bewerken]

In de twintigste eeuw kwam de oecumenische beweging op en hebben de kerkgenootschappen ook officieel voorzichtige toenaderingsstappen tot elkaar gezet. Een doorbraak in 1948 was de oprichting van de Wereldraad van Kerken waar de protestantse en oosters-orthodoxe kerken lid van werden, en de rooms-katholieke kerk werd waarnemer. Een voorbeeld in Nederland van oecumene is de wederzijdse dooperkenning in de nasleep van de doop van prinses Irene. Aan het eind van de twintigste eeuw zakte het oecumenische elan weer wat weg.

Het christendom buiten Europa in de twintigste eeuw[bewerken]

Het christendom in het Midden-Oosten dat aan het begin van de 20e eeuw circa 10% van de bevolking uitmaakte kende in de 20e eeuw een grote terugval. In Turkije, Irak en de Palestijnse gebieden is het christendom bijna verdwenen, terwijl het aantal christenen in Libanon en Jordanië is gehalveerd. In Zuidelijk-Afrika en delen van Azië kende het christendom juist een sterke groei.

Huidige situatie[bewerken]

Binnen de christelijke kerk, die in de eerste eeuwen van de jaartelling één geheel vormde, zijn in de loop van de geschiedenis een viertal grote stromingen ontstaan.

Men onderscheidt:

  • De orthodoxe kerken of het zogenaamde Oosterse christendom met enerzijds de oriëntaals-orthodoxe kerken en anderzijds de oosters-orthodoxe kerken. Oorspronkelijk was dit de kerk die domineerde in het Griekssprekende Oost-Romeinse rijk. Geografisch is de oorsprong van deze kerken te situeren wat de eerste groep betreft in Armenië, Syrië en Noord-Afrika en wat de tweede groep betreft in Zuidoost- en Oost-Europa en Rusland. Ten gevolge van de emigratie uit deze landen hebben deze kerken thans wereldwijd lokale afdelingen. De Oriëntaals-orthodoxe kerken zijn ontstaan na de schisma's in de vijfde eeuw en de oosters-orthodoxe kerken na het schisma van 1054.
  • De rooms-katholieke kerk was oorspronkelijk de kerk van West-Europa. Ze werd vóór het schisma van 1054 Westerse Kerk genoemd die domineerde in het Latijnsprekende West-Romeinse Rijk. Ze heeft zich in de loop der tijd over de hele aardbol verspreid. Het centrum is nog steeds Rome.

Het christendom is met ruim 2,2 miljard aanhangers de grootste religieuze stroming in de wereld en beleeft na een periode van betrekkelijke stagnatie in de tweede helft van de twintigste eeuw weer een periode van groei. Naast de nog steeds groeiende rooms-katholieke Kerk is er een enorme toename van gelovigen binnen de protestantse kerken, vooral in Afrika, katholiek Zuid-Amerika en communistisch China. Ook in de derde wereld en rond de Stille Oceaan groeit de christelijke kerk enorm. Uitzondering is het Midden-Oosten, dat zich kenmerkt door een afname van het aantal christenen.

Evaluatie van de kerkgeschiedenis[bewerken]

In de tweeduizend jaar van hun bestaan hebben de christelijke Kerken te maken gehad met vele stromingen, hervormingsbewegingen, schisma's, en - om een kerkelijke term te gebruiken - ketterijen.

Sommigen zien in de kerkgeschiedenis de vervulling van de Bijbelse belofte van het werk van de Heilige Geest. "Hij zal de Kerk leiden."

Anderen zien de kerkgeschiedenis als een gewoon proces van historische (ver)wording. Zeker is dat de geschiedenis van de christelijke Kerken gedurende het merendeel van de tijd nauw verbonden was met de wereldlijke geschiedenis en dat wederzijdse beïnvloeding van alle tijden is.

Kerkhistorici[bewerken]

Binnen het Nederlandse taalgebied wordt het vak kerkgeschiedenis gedoceerd aan de theologische faculteiten.

Nederlandse kerkhistorici waren/zijn:

Kerkhistorische lijsten[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Handboek van de geschiedenis van het Christendom, redactie Tim Dowley, 1979, 656 p., Voorhoeve - Den Haag, ISBN 90-297-0568-X
  • Hope and Disillusionment, a basic introduction to the history of Christianity, Benno Zuiddam, Importantia, Dordrecht 2010, 250p.

  1. Handelingen 21:20