Geslacht (Nederlands)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Dit artikel gaat over woordgeslacht in de Nederlandse taal. Voor een algemene bespreking van het taalkundige geslacht, zie Geslacht (taalkunde).

Het geslacht (ook wel woordgeslacht genoemd, of met een Latijnse term genus, meervoud genera) is de eigenschap van een woord om bijbehorende woorden in de zin te beïnvloeden. Zulke beïnvloedende woorden die geslacht kennen, worden hierna als "hoofdwoord" genoemd. In het Nederlands zijn het zelfstandige naamwoorden en persoonlijke voornaamwoorden.

Algemene kenmerken[bewerken]

In het Nederlands is de geslachtsbepaling dan ook een zaak die aanleiding heeft gegeven tot veel verwarring en twist. Daarbij spelen nog twee tegenstellingen een rol:

  • die tussen het noordelijk en het zuidelijk Nederlands;
  • die tussen spreektaal en schrijftaal.

In het noorden van het taalgebied hadden in de spreektaal tot voor kort alleen overduidelijk vrouwelijke naamwoorden nog haar als bezittelijk voornaamwoord, in het zuiden hebben meer naamwoorden dat. In de Noord-Nederlandse schrijftaal wordt overigens, op grond van voorschriften zoals die in het Groene Boekje, strakker vastgehouden aan de geslachtsindeling dan het geval is in de spreektaal.

Het Nederlands zal oorspronkelijk drie geslachten gehad hebben, maar met name het Noord-Nederlands vertoont thans kenmerken van een common gender, waarin mannelijk en vrouwelijk neigen tot samenvallen. Er wordt wel gesproken van commuun geslacht of commuun genus. Dit betekent niet dat de categorieën "mannelijk geslacht" en "vrouwelijk geslacht" samenvallen; er zijn nog steeds woorden die uitsluitend mannelijk of uitsluitend vrouwelijk zijn. Maar er zijn ook vele woorden die in het werkelijk taalgebruik niet hetzij vrouwelijk, hetzij mannelijk kunnen worden genoemd. Ze worden veelal eenvoudig aangeduid als de-woorden: tot die de-woorden behoren de mannelijke, de vrouwelijke én die van commuun geslacht.

  • de dienst is mannelijk: De dienst heeft zijn nut ruimschoots bewezen.
  • de overkapping is vrouwelijk: De overkapping heeft haar (Nnl. spreektaal: z'n) nut ruimschoots bewezen.
  • de overdaad is commuun: De overdaad heeft zijn / haar negatieve uitwerking op de kinderen natuurlijk niet gemist. Bij zo'n commuun woord kan dus in de schrijftaal vrij worden gekozen; de Nnl. spreektaal zal echter z'n gebruiken, de Znl. haar, maar ook wel z'n.

Zelfstandig naamwoord[bewerken]

De woordsoorten die beïnvloed kunnen worden, zijn de bijvoeglijke naamwoorden, de voornaamwoorden, het bepalend lidwoord en enkele betrekkelijke voornaamwoorden:

  • bijvoeglijke naamwoorden krijgen soms een buigings-e als uitgang; dit wordt bepaald door het geslacht van het hoofdwoord (het geslacht van het zelfstandig naamwoord):
een groen boek (boek is een het-woord)
een groene krant (krant is een de-woord)
  • voornaamwoorden worden in de schrijftaal zodanig gekozen dat zij het geslacht van het hoofdwoord weerspiegelen.
De regering heeft haar besluit herzien, nadat zij hernieuwd advies had ingewonnen. (regering is een vrouwelijk de-woord)
De raad heeft zijn besluit herzien, nadat hij hernieuwd advies had ingewonnen. (raad is een mannelijk de-woord)
Het college heeft zijn besluit herzien, nadat het hernieuwd advies had ingewonnen. (college is een het-woord, en daarmee onzijdig)
  • Het bepalend lidwoord is hetzij de (bij zelfstandige naamwoorden met mannelijk of vrouwelijk geslacht), hetzij het (onzijdig). Daarnaast bestaan er nog in verouderd Nederlands en in staande uitdrukkingen der (vrouwelijk, commuun en meervoud) en des (mannelijk, onzijdig) met dezelfde betekenis als "van de".
In naam der wet. (commuun)
De vader des vaderlands
De burgemeester, op wiens gezag ik u dit in vertrouwen meedeel, zal over een week zijn ontslag aanbieden. (Blijkbaar is de burgemeester een man.)
De directrice, op wier gezag ik u dit in vertrouwen meedeel, zal over een week haar ontslag aanbieden.

Persoonlijk voornaamwoord[bewerken]

Het hoofdwoord (dat woord waarnaar de veranderlijke woorden zich richten) is niet altijd een zelfstandig naamwoord; het kan ook een persoonlijk voornaamwoord zijn. Dat beïnvloedt dan andere voornaamwoorden.

Zij heeft haar besluit herzien, nadat zij hernieuwd advies had ingewonnen. (bedoeld is bijvoorbeeld: "De regering".)
Hij heeft zijn besluit herzien, nadat hij hernieuwd advies had ingewonnen. (bedoeld is bijvoorbeeld: "De raad".)
Het heeft zijn besluit herzien, nadat het hernieuwd advies had ingewonnen. (bedoeld is bijvoorbeeld: "Het college".)

Diagnostiek in het Nederlands[bewerken]

Bijvoeglijk naamwoord, persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord en bepalend lidwoord variëren naar hun vorm, al naargelang van het geslacht van het hoofdwoord. We zeggen dat zij variëren in hun paradigma. Deze variaties kunnen in een schema als volgt worden weergegeven:

bijvoeglijk naamwoord
na onbep. lidwoord
persoonlijk voornaamwoord, onderwerp
enkelvoud
persoonlijk voornaamwoord, voorwerp
enkelvoud
bezittelijk voornaamwoord
enkelvoud
bepalend lidwoord

bij mannelijk hoofdwoord
(auto)
buigings-e:
een groene auto
hij
Hij rijdt hard.
hem
Ik zie hem.
zijn
Zijn banden zijn versleten.
de
de groene auto
bij vrouwelijk hoofdwoord
(fabriek)
buigings-e:
een groene fabriek
zij/ze
Zij staat leeg.
haar/ze
Ik zie haar.
haar
Haar vertrekken staan leeg.
de
de groene fabriek
bij onzijdig hoofdwoord
(land)
geen buigings-e:
een groen knollenland
het
Het herbergt twee haasjes.
het
Ik zie het.
zijn
Zijn knollen zijn aangevreten.
het
het groene knollenland

Er blijken dus weinig verschillen te zijn tussen het mannelijk en het vrouwelijk geslacht: er treedt in het Standaardnederlands alleen nog verschil op bij de voornaamwoorden. Dit maakt het voor de taalgebruiker soms moeilijk te bepalen of een woord mannelijk dan wel vrouwelijk is, anders dan in bijvoorbeeld het Duits of Frans waar ook in het lidwoord de geslachten tot uiting komen. De Duitse of Franse taalgebruiker leert dat lidwoord erbij wanneer hij de taal aanleert. Nederlandstaligen leren sedert het verschijnen van het Groene Boekje in 1995 alleen nog het verschil tussen de-woorden en het-woorden. Het onderscheid tussen "mannelijk de" en "vrouwelijk de" is met de spellingwijziging van 1948 ook uit de geschreven taal verdwenen, de "n" in het verbogen lidwoord "den" werd toen al lang niet meer uitgesproken.

De dialecten van het Nederlands maken nog wel door middel van de lidwoorden onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke woorden. In Vlaanderen bijvoorbeeld is het onbepaald lidwoord bij mannelijke woorden "ne(n)", en een dergelijk onderscheid bestaat eveneens in veel dialecten van het Limburgs.

Dit probleem doet zich niet voor wanneer het grammaticaal geslacht (het genus) samenvalt met het biologisch geslacht (de sekse of kunne): de vrouw en haar huis, de man en zijn huis. Dat biologisch geslacht is ook de aanleiding voor de benaming der geslachten geweest. Maar vele woorden ontberen, net als die in het schema, een biologisch geslacht: de aangeduide zaak is niet biologisch mannelijk, vrouwelijk of noodzakelijkerwijs onzijdig.

Volgens de ANS zijn verwijzingen met onbeklemtoonde vrouwelijke pronomina veel gebruikelijker dan met beklemtoonde.

Historie der geslachten[bewerken]

Omdat een onmiddellijk evident geslacht dus vaak ontbreekt, hebben taalgeleerden door de eeuwen heen getracht van ieder woord het geslacht te "reconstrueren". Zij spanden zich in het "oorspronkelijke" geslacht van woorden te achterhalen, maar stuitten daarbij op een aantal problemen.

  • Het begrip "oorspronkelijk" is in de praktijk nauwelijks bruikbaar. Men kan teruggaan tot een oudere taalfase, maar dat is nooit de oorspronkelijke; er ligt altijd weer een fase achter, verder terug in de tijd.
  • Vroegere taalfasen zijn gebrekkig bekend. Zo zijn van het Oudnederlands maar enkele teksten overgeleverd, en de wortels van vele woorden verdwijnen aldus in de nevelen van de tijd.
  • Woorden kunnen van geslacht veranderen. Hulpmiddelen bij de geslachtsreconstructie zijn het redeneren vanuit analogie met vergelijkbare woorden.

Het paradigma van de bepaalde lidwoorden bestaat in de gesproken Nederlands de facto uit twee vormen, de en het, waarvan de eerste voorkomt bij woorden die traditioneel 'mannelijk' en 'vrouwelijk' genoemd worden (de man/vrouw), en de tweede bij woorden van het onzijdige geslacht (het kind). Ook bijvoeglijke naamwoorden kennen maar twee verschillende vormen (een goede man/vrouw tegenover een goed kind); in vergelijking met het Duits, waar het bijvoeglijk naamwoord alle uitgangen van het verbogen lidwoord kan krijgen, is het Nederlands dus in dit opzicht eenvoudiger te noemen.

In het Middelnederlands en tegenwoordig nog in de Zuid-Nederlandse spreektaal (Vlaanderen, Brabant, Limburg) maakt men nog een indeling in de drie verschillende geslachten, wat blijkt uit verschillende lidwoorden en de verbuiging van bijvoeglijke, aanwijzende, bezittende en ontkennende naamwoorden. In eerdere fasen van het geschreven Nederlands kwamen nog verbogen vormen als den en der voor, waardoor mannelijk en vrouwelijk ook qua vorm duidelijk van elkaar te onderscheiden waren. Met het verdwijnen van deze naamvalsuitgangen werd ook het onderscheid mannelijk/vrouwelijk echter ondoorzichtig.

Regionaal gebruik[bewerken]

In de Brabantse dialecten is bijvoorbeeld het onbepaald lidwoord bij mannelijke woorden ne(n), bij vrouwelijke een, en bij onzijdige e en het bepaald lidwoord respectievelijk de(n), de en het. Ook worden in de Zuid-Nederlandse spreektaal alledaagse voorwerpen die historisch vrouwelijk zijn (het betreft hier de woorden die in de laatste 2 edities van het Groene Boekje als "m en v" worden aangeduid, zoals kast en deur) nog vaak als vrouwelijk aangeduid, al neemt ook hier de neiging tot het vervangen van "zij" en "haar" door "hij" en "hem" in de standaardtaal toe.

Het behoud van de driedeling hier stamt voort uit accusativisme. In het Middelnederlands was het onderscheid tussen de geslachten sterk dankzij het naamvalstelsel. Bij het verdwijnen van de naamvallen namen de oude accusatief- en datiefvormen in Holland de nominatiefvorm aan (nominativisme). Deze vorm maakt geen onderscheid maakt tussen mannelijke en vrouwelijke woorden (bijvoorbeeld voor het bepaald lidwoord; mannelijk: de, en vrouwelijk: de). In Brabant namen de oude nominatief- en datiefvormen de accusatiefvorm aan. Deze vorm maakt wel een onderscheid tussen beide geslachten (bijvoorbeeld; mannelijk: den, en vrouwelijk: de).

Typologie in het Nederlands[bewerken]

Hieronder wordt uiteengezet welke woorden tot welk woordgeslacht behoren. Het woordgeslacht common gender wordt in het noorden vaak als mannelijk beschouwd, al wijkt de spreektaal sterk af van de schrijftaal. In het Zuiden daarentegen heeft men nog het geslachtsgevoel behouden en maakt men nog steeds onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke woorden.

  • Moedertaalsprekers uit het Noorden van het Nederlandse taalgebied - in tegenstelling tot sprekers uit het Zuiden van het taalgebied - herkennen de geslachten vaak niet, ook als er een regel is dat een woord tot hetzij het vrouwelijk, hetzij het mannelijk genus behoort. Die regels moeten door de taalgebruikers dus uit het hoofd worden geleerd of worden opgezocht; anders kunnen de taalgebruikers ze niet toepassen. Vaak wordt ook een woordenboek of het Groene Boekje geraadpleegd. Spontane beheersing valt evenmin te verwachten als bij het gebruik van een vreemde taal, en in het gesproken Nederlands worden al helemaal andere spreekgewoonten aangetroffen.
  • Sommige woorden kunnen ook optreden als het-woord, maar daarnaast als de-woord. Soms is er dan verschil in betekenis (het eigendom, de eigendom), maar niet altijd. (het / de subsidie).

Als er wordt beweerd dat een bepaald woord vrouwelijk (of mannelijk, of onzijdig) is, kan dat slechts worden opgevat in de zin van: "Volgens de voorschriften van grammatici is dit woord in de schrijftaal vrouwelijk (of ... )" Die voorschriften volgen hieronder.

Mensen die het Nederlands pas op latere leeftijd als tweede taal leren, ondervinden nog grotere moeite met het bepalen van het onderscheid tussen de geslachten.

Woorden van het commuun geslacht[bewerken]

Tot de woorden die zowel vrouwelijk als mannelijk zijn behoren de volgende categorieën:

  • De meeste voorwerpsnamen die oorspronkelijk uitsluitend vrouwelijk waren: "bank, kast, naald, pijp".[1] In het Noord-Nederlands verbindt men bij deze categorie vaak verwijswoorden als zijn, hem enzovoorts aan bijvoorbeeld "de bank", terwijl men in het zuiden iets vaker haar, ze zegt en schrijft: Staat de bank in de weg? Schuif ze (Zuid-Nederlands) / hem (Noord-Nederlands) dan maar even opzij.
  • Algemene aardrijkskundige aanduidingen (niet namen van individuele steden enz.; zie hieronder): stad, rivier
  • Namen van hemellichamen: planeet, maan, ster.
  • Persoonsnamen die voor mannen en vrouwen kunnen worden gebruikt: baby, deugniet, arts, babbelkous. Hieronder vallen ook zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamwoorden en voltooide deelwoorden: zieke, blinde, betrokkene, gewonde

Woorden van het vrouwelijk geslacht[bewerken]

Een aantal naamwoorden in het Nederlands zijn, ongeacht de invloed van een streektaal, in de verzorgde geschreven taal altijd vrouwelijk. Tot deze woorden behoren de volgende categorieën:

  • Woorden met de inheemse achtervoegsels
-heid, -nis, -schap: "waarheid, kennis, beterschap" (woorden op -schap kunnen ook onzijdig zijn);
-de, -te: "liefde, diepte";
-ij, -erij, -arij, -enij en -ernij: voogdij, bedriegerij, rijmelarij, artsenij, razernij;
-ing, -st achter een werkwoordstam: beschaving, wandeling, winst, kunst, komst (dienst is daarentegen mannelijk, angst behoort niet tot deze klasse).
  • Woorden met de uitheemse achtervoegsels of elementen
-ie, -tie, -logie, -sofie, -agogie: familie, politie, biologie, filosofie, demagogie (maar kanarie is van een andere orde en dus mannelijk);
-iek, -ica: muziek, logica (maar lambiek is mannelijk; geen uitgang op -iek);
-theek, -teit, -iteit: discotheek, puberteit, subtiliteit;
-tuur, -suur: natuur, censuur;
-ade, -ide, -ode, -ude: tirade, planetoïde, periode, amplitude;
-age, -ine, -se: tuigage, discipline, analyse;
-sis, -xis, -tis: crisis, syntaxis, bronchitis.
  • Aanduidingen van vrouwelijke personen en dieren: "tante, nicht, merrie, teef, kip". Het biologische geslacht van datgene waaraan wordt gerefereerd is doorgaans gelijk aan het grammaticaal geslacht.
    • Soms worden aanduidingen van mannelijke personen vrouwelijk gemaakt (gemoveerd) door middel van een suffix: "dievegge, verpleegster, koningin".
    • Er zijn binnen deze groep enkele uitzonderingen die onzijdig zijn. Dit zijn veelal woorden met een bepaalde connotatie: "wijf, vrouwmens, meisje".

Woorden van het mannelijk geslacht[bewerken]

Een aantal woorden is ongeacht de streek mannelijk. Tot deze woorden behoren de volgende categorieën:

  • Woorden met de achtervoegsels -aar, -aard, -er, -erd: leugenaar, dronkaard, bakker, engerd (baker behoort tot niet deze klasse en is vrouwelijk);
  • Zelfstandig gebruikte werkwoordstammen: bloei, dank, groei, schrik, slaap, raad
  • Enkele woorden met het achtervoegsel -dom die niet onzijdig zijn: rijkdom, ouderdom
  • Aanduidingen van mannelijke personen en dieren: oom, neef, dief, verpleger, hengst, reu, haan;
  • Namen van dagdelen (dus ochtend, middag enz. en het woord dag zelf)
  • Alle boomnamen, behalve linde en tamarinde.
  • Een groep losse woorden waarbij de TU alleen de duiding m geeft; hiervoor bestaan geen vaste regels.

Onzijdige woorden[bewerken]

Tot de onzijdige woorden behoren de volgende categorieën:

  • Alle verkleinwoorden: briefje, bloempje, lammetje.
  • Werkwoordstammen met de voorvoegsels be-, ge- en ont-: beraad, gedoe, ontslag.
  • Afleidingen van het type ge- + ... + -te: gebergte, gehemelte
  • De meeste namen van bedrijven die als zelfstandig naamwoord zijn gebruikt:
    Het noodlijdende Vitality bv moest zijn divisie Apparatuur afstoten.
  • Geografische namen, dus namen van werelddelen, eilanden, landen, steden etc., en geografische entiteiten die een bestuurlijke eenheid vormen of vormden: "Europa, Ambon, Engeland, Brussel, Lombardije". Wanneer de vorm van zo'n eenheid echter anders dicteert, doordat het kernwoord een bepaalde vorm heeft waar niet met het naar kan worden verwezen, wordt dit kernwoord als leidraad genomen:
    "Verenigde Staten" is meervoud, dus is VS dat volgens de regels ook; "Europese Unie" is vrouwelijk, daarom wordt ook aan de afkorting EU het vrouwelijke geslacht toegekend.
  • Woorden met het achtervoegsel -isme
  • De meeste woorden met de achtervoegsels -dom en -schap: mensdom, christendom, genootschap, landschap, meesterschap.
  • Werkwoorden die worden gebruikt als zelfstandig naamwoord: "het lopen, het waterdragen".
  • Een aantal losse woorden en bijbehorende afleidingen (bijvoorbeeld internet)

Letterwoorden[bewerken]

Bij het bepalen van het geslacht van letterwoorden geldt het geslacht van het kernwoord als basis. In bijvoorbeeld Partij van de Arbeid", ""Europese Unie", "Vereenigde Oostindische Compagnie" zijn de kernwoorden vrouwelijk, daarom worden de afkortingen PvdA, EU en VOC eveneens als vrouwelijk behandeld.

Biologisch en taalkundig geslacht[bewerken]

Indien een woord op grond van zijn betekenis noodzakelijkerwijs een bepaald biologisch geslacht aangeeft, is het grammaticaal geslacht daarmee veelal in overeenstemming. Dit geldt voor aanduidingen van mensen en dieren. Noodzakelijk vrouwelijk zijn woorden als

  • vrouw, moeder, tante, dochter
  • teef, koe, ooi

Noodzakelijk mannelijk zijn bijvoorbeeld:

  • man, vader, oom, zoon
  • reu, stier, ram

Het grammaticaal geslacht is dan ook vrouwelijk, respectievelijk mannelijk. Daarbij komt nog een groep woorden die op grond van hun vorm een vrouwelijke markering bezitten:

  • lerares, directrice, waardin, dievegge

Daar staan ongemarkeerde woorden tegenover:

  • leraar, directeur, waard, dief

die traditioneel mannelijk zijn, maar juist door hun ongemarkeerdheid zowel personen van het vrouwelijk als van het mannelijk geslacht kunnen aanduiden, en zich ook grammaticaal voegen naar het aangeduide geslacht:

  • De directeur ligt nu al maanden overhoop met zijn / haar staf.

Om eventuele verwarring of de indruk van een fout gebruik te voorkomen, kan men de gemarkeerde vrouwelijke versies van deze woorden gebruiken:

  • lerares, directrice, waardin en dievegge.

Persoons- en dieraanduidingen kunnen echter ook onzijdig zijn. Dit komt vooral voor als de aangeduide persoon wordt ervaren als klein:, en indien er voor een dier een mannelijke, een vrouwelijke, maar daarnaast ook een "overkoepelende" term bestaat:

  • meisje, jongetje, ventje, dochtertje (alle verkleinwoorden)
  • kind, wicht
  • schaap (naast ooi v. en ram m.), rund

Betreft het hier personen, dan richten het persoonlijk en het bezittelijk voornaamwoord zich naar het biologisch geslacht:

  • Het meisje had haar knie geschaafd, maar ze was er niet van onder de indruk.
  • Dat mispunt denkt dat hij maar alles kan doen waar hij zin in heeft.

Persoon in het algemeen[bewerken]

Soms wordt in een tekst over een persoon in het algemeen hij/zij (of "hij of zij") gebruikt, en analoog hem/haar en zijn/haar. In andere gevallen wordt alleen de mannelijke vorm gebruikt. Bij een formele regeling staat soms een bepaling zoals "waar hij/hem/zijn staat wordt ook zij/haar bedoeld".

De Aanwijzingen voor de regelgeving schrijven voor dat zulke combinaties van aanduidingen van mannen en vrouwen niet worden gebruikt. In de praktijk wordt dan ook in de meeste officiële regelingen hij/hem/zijn gebruikt.

Voorbeeld:

  • Nederlands Burgerlijk Wetboek, Boek 1, artikel 35, lid 1: Een minderjarige mag geen huwelijk aangaan zonder toestemming van zijn ouders.
  • Wetboek van Strafrecht art. 461: Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor hem blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevindt of daar vee laat lopen, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.

Uitzondering:

  • Nederlands Burgerlijk Wetboek, Boek 1, artikel 5, lid 9, tweede zin: Hetzelfde geldt indien één van de ouders wegens geestelijke stoornis onder curatele staat dan wel indien ten aanzien van hem of haar een

mentorschap bestaat.

Nieuwe ontwikkelingen[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Haar-ziekte (taal) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Ook bij woorden die officieel als mannelijk of vrouwelijk worden aangemerkt (zie verderop), wordt dit geslacht niet altijd gevolgd, noch in de spreektaal, noch in de schrijftaal. Zo komen zinnen voor als de volgende:

  • Het duurt lang voordat een taalverandering zijn beslag heeft gekregen. (verandering is v.)
  • De raad is op haar besluit teruggekomen. (raad is m.)

Maar ook onzijdige woorden, die toch herkenbaar zijn aan het lidwoord het, leveren problemen op bij het gebruik van de voornaamwoorden. De laatste jaren is er in versneld tempo ook in de schrijftaal een tendens op te merken: steeds vaker wordt een (onterechte) vrouwelijke voornaamwoordelijke aanduiding gebruikt in plaats van de (correcte) mannelijke of onzijdige. Zo komen zinnen voor als:

  • Het reizende theatergezelschap zal hier voor het eerst haar tenten opzetten. (voorgeschreven is: zijn tenten)
  • Het waterschap is gereorganiseerd, maar toch kan zij haar taken niet aan. (voorgeschreven is: het zijn taken)

Hetzelfde gebeurt bij namen van plaatsen en landen, die volgens de regels altijd onzijdig zijn:

  • Europa heeft haar lageropgeleiden uitgesloten. (voorgeschreven: zijn lageropgeleiden)

Bij deze nieuwe ontwikkeling wordt het onderscheid mannelijk/vrouwelijk in wezen dus nog steeds gemaakt, maar niet meer volgens de traditionele voorschriften van instanties als de Taalunie. In plaats daarvan krijgen bepaalde volgens de traditionele regels onzijdige zelfstandige naamwoorden nu een vrouwelijke verwijzing, terwijl de-woorden die geen vrouwelijk wezen aanduiden vaak consequent een verwijzing met hij en zijn krijgen, ook wanneer ze door de Taalunie en van Dale als v zijn aangeduid. Het laatstgenoemde verschijnsel manifesteert zich met name in de Noord-Nederlandse spreektaal.

De Nederlandse traditie[bewerken]

In de geschiedenis van de Nederlandse taalkunde is lange tijd geprobeerd het onderscheid tussen het mannelijk en het vrouwelijk geslacht, dat in de informele spreektaal niet overal langer bestond, overeind te houden. Het op papier vastleggen van de Nederlandse woordenschat in de 19e eeuw (het Woordenboek der Nederlandse Taal of WNT) en de standaardisering van de spelling brachten met zich mee dat vastgesteld moest worden welk geslacht de zelfstandige naamwoorden in het Nederlands hadden (in de voorgestelde spelling van De Vries en Te Winkel werd het bepaalde lidwoord bij een 'mannelijk' object[2] als den en bij een 'vrouwelijk' object als de geschreven). Zo werd de geslachtskwestie een belangrijk element in de spellingstrijd die leidde tot de spellingswijziging van 1947. In woordenboeken wordt ook nu nog per woord aangegeven of het mannelijk of vrouwelijk of onzijdig is, volgens de Taalunie-richtlijnen die beschreven staan in het Groene Boekje.


Bronnen

Hulpmiddelen

  1. Het oorspronkelijke geslacht van deze woorden is vaak te herkennen aan cognaten in het Duits: "die Bank, die Nadel, die Pfeife".
  2. Met object wordt hier gerefereerd aan zinsdelen anders dan het subject (onderwerp) en de bijwoordelijke bepalingen