Gestolen generaties

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De gestolen generaties (Engels: Stolen Generations) is een term voor de ongeveer 100.000 kinderen van Australische Aboriginal mensen en Straat Torres-eilanders die tussen 1910 en 1970 door de overheid van hun familie werden gescheiden om ze te assimileren in de blanke samenleving.

Het begrip 'gestolen generaties' werd aan het begin van de jaren tachtig door de Australische historicus Peter Read geintroduceerd in zijn pamflet The Stolen Generations. Read stuitte in de archieven van de staat Nieuw-Zuid-Wales min of meer per toeval op documenten die aantoonden dat Aboriginal kinderen willens en wetens bij hun ouders waren weggehaald.

In 1997 bracht onderzoek aan het licht dat de kinderen langdurig geestelijk leden onder het verlies van hun cultuur en familie.

Voorgeschiedenis[bewerken]

Aan het eind van de 19e eeuw waren er zo veel Aboriginal mensen door de Europese kolonisatie gestorven dat wetenschappers, politici en missionarissen geloofden dat ze binnen afzienbare tijd zouden uitsterven.

De zogenoemde dying race theory vormde een belangrijke aanleiding voor de introductie van protectiewetten. Deze wetten, die de afzonderlijke Australische staten tussen 1869 en 1911 introduceerden, moesten Aboriginal mensen beschermen door ze in reservaten onder te brengen of onder toezicht van missionarissen te plaatsen.

Voor de uitvoering van de wetten werden er in elke staat een Chief Protector en/of een Protection Board (beschermingsraad) benoemd. In sommige staten werd de Chief Protector tot wettelijk voogd van alle Aboriginal kinderen benoemd, waardoor de ouders hun zorgrechten verloren. In andere staten werden kinderen onder toezicht van de Protection Board geplaatst. Dit maakte het mogelijk om kinderen van hun ouders te scheiden.

Assimilatiebeleid[bewerken]

Vanaf de jaren twintig van de 20e eeuw groeide de kritiek op het protectiesysteem. Eén van de belangrijkste en invloedrijkste critici was de antropoloog A.P. Elkin. Hij was ervan overtuigd dat Aboriginal volkeren met behulp van een positief overheidsbeleid voor uitsterven konden worden behoed en in de Australische samenleving konden worden geassimileerd. Zijn ideeën vonden veel weerklank binnen de politiek.

In 1937 werd er in Canberra een conferentie met de titel Aboriginal Welfare georganiseerd om naar oplossingen voor de omgang met de Aboriginal bevolking te zoeken. De conferentie werd sterk beïnvloed door Auber Octavius Neville en Cecil Cook, Chief Protectors van West-Australië resp. het Noordelijk Territorium. Zij stelden assimilatie gelijk met biologische absorptie en waren voorstanders van het 'wegkweken' van de zwarte huidskleur van Aboriginal mensen.

Uit de notulen van de conferentie blijkt echter dat de meeste deelnemers bij assimilatie eerder aan sociale integratie en economische deelname dachten.

„That, subject to the previous resolution, efforts of all State authorities should be directed towards the education of children of mixed aboriginal blood at white standards, and their subsequent employment under the same conditions as whites with a view to their taking their place in the white community on an equal footing with the whites.“[1]

Het nieuwe beleid gold alleen voor Aboriginal mensen van gemengde afkomst. Die hadden vaak een lichtere huidskleur en werden als gedeeltelijk 'geciviliseerd' beschouwd, waardoor men geloofde dat ze makkelijker konden opgaan in de blanke bevolking. De deelnemers van de conferentie bepaalden dat 'ongeciviliseerde', 'volbloed' Aboriginal personen in reservaten moesten worden ondergebracht en zo veel mogelijk hun traditionele levensstijl moesten behouden.

Door de Tweede Wereldoorlog raakte het assimilatiebeleid op de achtergrond, maar in 1961 werden de discussies hervat tijdens de Native Welfare Conference. Hier werd voor het eerst vastgelegd wat er onder assimilatie werd verstaan:

„The policy of assimilation means ... that all aborigines and part-aborigines are expected eventually to attain the same manner of living as other Australians and to live as members of a single Australian community enjoying the same rights and privileges, accepting the same responsibilities, observing the same customs and influenced by the same beliefs, hopes and loyalties as other Australians.“[2]

Critici oordeelden dat politici niet het recht hebben om Aboriginal mensen te dwingen hun cultuur, hun geloof en hun normen en waarden over boord te gooien. De missionaris Charles Duguid schreef bijvoorbeeld dat het wreed en verkeerd was om intelligente individuen de blanke samenleving binnen te leiden. Ook vond hij dat niet kon worden geëist dat mensen die deze stap wel wilden zetten, al hun contacten met 'volbloed' verwanten moesten opgeven.[3]

Wetgeving[bewerken]

Vanaf de jaren dertig kregen de uitvoerende personen en instanties andere namen. De Chief Protector werd in de meeste staten voortaan Commissioner of Native Affairs genoemd en de Protection Boards werden omgedoopt tot Welfare Boards. Daarnaast werden hun bevoegdheden aanzienlijk uitgebreid.

De volledige assimilatie van Aboriginal mensen kon het best worden bereikt door kinderen al vroeg van hun ouders te scheiden. Dit werd wettelijk mogelijk gemaakt.

In artikel 8 van de Native Administration Act 1936 van West-Australië werd de Commissioner bijvoorbeeld tot wettelijk voogd van elk Aboriginal kind onder de eenentwintig jaar benoemd, ook wanneer het kind nog een levende ouder of andere verwanten had. Alle staten pasten hun protectiewetten aan met gelijksoortige bepalingen.

Na de oorlog werden ook de kinderbeschermingswetten aangepast om heel gericht Aboriginal kinderen onder toezicht te kunnen plaatsen.

Moore River Native Settlement[bewerken]

Moore River Settlement ziekenhuis

Moore River Native Settlement nabij Perth is wellicht het bekendste en beruchtste tehuis waar gestolen kinderen werden ondergebracht. Het werd opgericht in 1918 door Chief Protector A.O. Neville. De omstandigheden waarin de kinderen leefden waren erbarmelijk. Dit kwam in 1934 aan het licht toen een commissie onder leiding van H.D. Moseley onderzoek deed naar de behandeling van Aboriginal mensen in West-Australië. Moseley noemde de gebeurtenissen in het tehuis een „jammerlijk schouwspel“.[4]

Ondanks de schrikbarende bevindingen van de Moseley-commissie veranderde er maar weinig aan de omstandigheden. In de jaren veertig vond er een tweede onderzoek plaats. In 1951 werd Moore River overgedragen aan de Methodist Overseas Mission. Het tehuis bleef tot het midden van de jaren zeventig onder de naam Mogumber Native Mission in gebruik.

Sinds 2008 is Moore River in het bezit van de Aboriginal Land Trust.

Het verhaal van de kinderen van Moore River raakte wereldwijd bekend door het boek Rabbit-Proof Fence – De vlucht naar huis van Doris Pilkington Garimara. Het boek werd in 2002 verfilmd.

Bringing them Home[bewerken]

In het midden van de jaren negentig vond er een nationaal onderzoek plaats naar de praktijken als gevolg van het assimilatiebeleid. De National Inquiry into the Separation of Aboriginal and Torres Strait Islander Children from Their Families interviewde honderden slachtoffers en bracht de resultaten van haar onderzoek bijeen in een rapport met de titel Bringing Them Home dat op 26 mei 1997 aan het parlement werd gepresenteerd.

Het rapport bevatte 54 aanbevelingen waarvan de belangrijkste betrekking hebben op compensatie van de slachtoffers door een openlijke spijtbetuiging en smartengeld, voorzieningen voor de hereniging van kinderen en ouders, slachtofferhulp en educatie.

De commissie kreeg als belangrijke kritiek dat ze hoofdzakelijk slachtoffers had gehoord en geen politici of voormalig personeel van de tehuizen. Ook waren er mensen die vonden dat de gebeurtenissen en hun gevolgen overdreven of onvoldoende bewezen waren.

De staten namen het rapport echter zeer serieus. Een dag na zijn verschijning boden West-Australië en Zuid-Australië hun verontschuldigingen aan. De andere staten volgden korte tijd later.

Op 16 december 1997 volgde de officiële reactie van de federale regering op het rapport. De toenmalige regering onder leiding van premier John Howard stelde een bedrag van $63 miljoen over een periode van vier jaar ter beschikking voor de financiering van programma’s en organisaties ter ondersteuning van de slachtoffers.

$11.25 miljoen was bijvoorbeeld bestemd voor het oprichten van een nationaal netwerk van Link-Up services. Link-Up is een initiatief van Coral Edwards, zelf als kind gescheiden van haar ouders, en Peter Read en werd in 1983 opgericht. De organisatie helpt bij het opsporen en herenigen van families.

In 2001 stelde de regering nogmaals voor een periode van vier jaar $53.9 miljoen beschikbaar voor de voortzetting van de eerder gefinancierde hulpprogramma’s en dienstverlenende instanties.

Een openbare spijtbetuiging kwam er niet en ook het betalen van smartengeld bleef onbespreekbaar.

Nationale spijtbetuiging[bewerken]

Kevin Rudd zegt sorry, Federation Square, Melbourne

Eind 1997 verloor premier Howard de verkiezingen. Na ruim 10 jaar kwam de Australian Labor Party weer aan de macht. Tijdens de voorafgaande campagne had de partij al aangekondigd tot een openbare spijtbetuiging over te gaan wanneer ze de verkiezingen zou winnen.

Op 13 februari 2008 sprak premier Kevin Rudd officieel namens het Australische volk zijn verontschuldigingen uit tegenover de gestolen generaties.

„Voor de pijn, het leed en het kwaad dat deze gestolen generaties is aangedaan, hun kinderen en hun achtergebleven families, zeggen we sorry.“[5]

Ook onder de regering-Rudd bleef compensatie echter onbespreekbaar.

Rechtszaken[bewerken]

Enkele slachtoffers hebben geprobeerd om via de rechter financiële genoegdoening te krijgen.

Bruce Allan Trevorrow stelde in 2007 Zuid-Australie verantwoordelijk voor de langdurige, zware depressies waarmee hij al zijn hele leven te kampen heeft. Zij zijn het gevolg van het feit dat hij ten onrechte bij zijn ouders werd weggehaald. Trevorrow kon dit bewijzen met documenten en getuigenverklaringen uit de jaren vijftig. De rechter veroordeelde de staat tot het betalen van schadevergoeding ter hoogte van $525,000.

Historische debatten[bewerken]

Na het verschijnen van het rapport Bringing Them Home laaiden er vooral onder historici hevige discussies op. Bij deze debatten nemen Peter Read en Keith Windschuttle een centrale rol in.

De nationale commissie heeft het weghalen van Aboriginal kinderen getoetst aan de definitie van genocide, zoals die in het Verdrag inzake de Voorkoming en de Bestraffing van Genocide van 1951 is vastgelegd.

Volgens dit verdrag, dat ook door Australië werd geratificeerd, is er sprake van genocide wanneer:

„het gewelddadig overbrengen van kinderen van de groep naar een andere groep“ plaatsvindt „met de bedoeling om [...] een groep, behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen.“[6]

Het wordt algemeen erkend dat er in Australië kinderen van de ene groep naar een andere werden overgebracht. Waar historici als Read en Windschuttle over debatteren is of dit onder dwang en op grond van ras gebeurde en met als doel de Aboriginal volkeren te vernietigen.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen en verwijzingen

Noten

  1. Commonwealth of Australia, Aboriginal welfare. Initial Conference of Commonwealth and State Aboriginal Authorities, Canberra, Australia, 21-23 April 1937, p. 2
  2. McGregor, R., Wards, words and citizens: A.P. Elkin and Paul Hasluck on assimilation, Oceania, 69(4), 1999, pp 243-259
  3. Duguid, C., No Dying Race, Adelaide: Rigby Limited, 1963
  4. Maushart, S., Sort of a place like home. Remembering the Moore River Native Settlement, South Fremantle: Fremantle Arts Centre Press, 1993
  5. Broek, M. van den, Australische premier Kevin Rudd: Ik zeg sorry, De Volkskrant, 14 februari 2008
  6. Verenigde Naties, Verdrag inzake de Voorkoming en de Bestraffing van Genocide, 1951

Bronnen

Films