Gevelreiniging

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Onder gevelreiniging verstaat men het reinigen van gevels van gebouwen.

Door graffiti en de tand des tijds kan het aanzicht van huizen of bedrijven worden beschadigd. Deze aanslag kan worden verwijderd met een hogedrukspuit of chemische middelen.

Gevelreiniging maakt gevels fris, vaak rijst echter ook de vraag of de gevel hier gezonder van wordt. Veel schade aan panden blijkt namelijk te zijn veroorzaakt door het onjuist reinigen van gevels. Mede daarom is het bij beschermde monumenten (Nederland) ook niet toegestaan om zonder een monumentenvergunning een gevel te reinigen.

Technische aspecten[bewerken]

Gevelreiniging brengt in alle gevallen een zeker schaderisico met zich mee. Men zou het kunnen vergelijken met een auto wassen met behulp van een schuurmiddel en een schuurspons. Reiniging kan de gevel mechanisch of chemisch beschadigen waardoor afzanding, verpoedering, schilfering en afbrokkeling kan optreden. Metselwerk en vele soorten natuursteen zijn na reiniging door het verwijderen of aantasten van de bakhuid of oppervlakte vaak poreuzer waardoor de gevel meer water opneemt en vervolgens meer kans op vorstschade optreedt en een snellere en diepere vervuiling van de gevel. Daarom is het ook van groot belang, dat de gevel nadien wordt geïmpregneerd. De meeste bedrijven die gevelreiniging uitvoeren hebben maar weinig technisch-wetenschappelijke kennis in huis. De keuze van een verantwoorde reinigingsmethode kan daarom niet aan dergelijke bedrijven overgelaten worden. Er zijn echter (helaas) maar weinig adviseurs op de markt die voldoende kennis hebben. Het beste raadpleegt men een restauratie-architect die - zo hij niet zelf de kennis heeft - weet welke adviseur ingeschakeld moet worden.

Soorten reiniging[bewerken]

Stralen[bewerken]

Er zijn verschillende factoren die de mate van reiniging en ook de kans op schade bepalen. De druk waarmee het straalmiddel op de gevel terecht komt is daarvan een van de belangrijkste. Daardoor bepaalt degene die reinigt voor een belangrijk deel het uiteindelijke effect. Naast de hoeveelheid druk waarmee wordt gespoten is namelijk ook de afstand van de spuitmond tot de gevel bepalend voor de kracht waarmee het straalmiddel op de gevel inslaat. Voorts is de korrelgrootte, korrelvorm en korrelhardheid van het straalmiddel van belang. Hoe groter, hoekiger en harder de korrel is, des te sneller kan men werken, maar ook des te groter is de schade aan de steen. De intensiteit hangt mede af van de spuitmond. Sommige spuitmonden laten het straalmiddel wervelen, waardoor de reiniging minder door de impact van het spuitmiddel en meer door een schurende werking wordt bereikt. Voorts maakt het groot verschil of sprake is van een droge of een natte methode (al dan niet met toevoeging van water). Stralen is een mechanische vorm van reinigen. Door een dun laagje van het oppervlakt weg te schuren wordt de gevel schoon gemaakt. Of dat nu nat of droog gebeurt, met zand, soda, katoenvezels, ijs of elk ander straalmiddel, de kans op schade is reëel. Een vakkundige aanpak is daarom van groot belang.

Stoomreiniging[bewerken]

Ook bij stoomreiniging bestaat de kans op beschadiging. Naast de kracht waarmee dit gebeurt kan de hete stoom zouten oplossen die in de gevel zitten. Hierdoor kan zoutuitbloei op de gevel ontstaan, ook is het mogelijk dat de zoutkristallen bijvoorbeeld het voegwerk kapot drukken. Met name op gezonde baksteengevels is een stoomreiniging (mits met kennis van zaken uitgevoerd) echter vaak een goede methode. Er wordt maar weinig water in de gevel ingebracht, de mechanische schade kan gering blijven, en er blijven geen chemische restproducten achter die schade kunnen veroorzaken.

Chemische reiniging[bewerken]

Bij chemische reiniging wordt vaak een mengsel van stoffen aangebracht die het vuil van de ondergrond oplossen of losweken. Sommige middelen zoals bijvoorbeeld zuren, kunnen kalkvoegen of natuursteen aantasten of bouwschadelijke zouten mobiliseren. De mogelijkheden zijn sterk afhankelijk van het type ondergrond en de materialen waaruit de gevel is opgebouwd. Vaak moet een gevel nagespoeld worden met stoom of warm water onder hoge druk waardoor vervolgens weer de kans tot mechanische schade ontstaat. Bovendien blijft altijd een deel van het chemische product in de gevel achter.

Laserreiniging[bewerken]

Ook bestaat de laserreiniging. Een arbeidsintensieve methode waar het vuil door intensief licht wordt verdampt. De intensiviteit van het gebruikte licht wordt uitgedrukt in Watt. De methode werkt het minst verstorend bij lichte gevels. Voor donkere natuursteen en donkere bakstenen is de methode alleen geschikt als er geen metaalpigmenten in de steen zijn toegevoegd. Het licht doet niets aan inerte materialen zoals glas en steen maar tast wel allerlei andere materialen, waaronder coatings en kunststof producten, aan. Bij natuursteensoorten kan verkleuring optreden doordat alle vervuiling verdwijnt. Indien de laser langdurig op dezelfde plaats blijft staan kan verhitting van het oppervlak plaatsvinden waardoor er verkleuring (door smelten) optreed. Aan de gevels van het enkele jaren geleden op deze manier gereinigde stadhuis van Rotterdam is verkleuring zichtbaar. Een wetenschappelijke verklaring voor deze verkleuring is (nog) niet voorhanden, zodat het ook niet mogelijk is om deze verkleuring uit te sluiten. Van belang is het juiste type laser te selecteren waarbij de YAG laser vooralsnog de minste schade aan de ondergrond veroorzaakt.

Mechanische reiniging[bewerken]

Tot slot bestaat er ook een vorm van mechanische gevelreiniging. Mechanische gevelreiniging wordt hoofdzakelijk toegepast voor het reinigen van gladde oppervlakken, zoals gevelbeplating en glas. Deze methode is echter niet of nauwelijks geschikt voor het reinigen van poreuze ondergronden, zoals baksteen of beton. Het idee achter deze methode is dat het geveloppervlak intensief wordt geborsteld door een machinaal aangedreven borstel. Hierdoor wordt in combinatie met water en reinigingsmiddelen, de vervuilingen van het oppervlak verwijderd. Het beste is deze methode te vergelijken met een mobiele autowasstraat. Een gevelreinigingmachine kan door middel van een hoogwerker, mobiele kraan of gevel gondelinstallatie langs de gevel getransporteerd worden. Grote voordelen van dit systeem is de constante druk waarmee geborsteld wordt, de grotere snelheid waarmee gewerkt wordt, de vergroting van de veiligheid (omdat geen mensen meer op hoogte hoeven te werken) en de verbetering van de arbeidsomstandigheden (omdat dit zware werk van mensen wordt overgenomen). Naast laserreiniging zijn ontwikkelingen binnen de mechanische reiniging, de grootste vormen van vooruitgang in de gevelreiniging branche.

Verwijderen van graffiti[bewerken]

Een veelvoorkomende reden om over te gaan tot reiniging is graffiti. Graffiti is ontsierend en roept vaak meer kliederwerk op. Bij het verwijderen van graffiti wordt de gevel vaak aangetast. Indien een monumentale gevel met graffiti is beklad, moet eerst worden vastgesteld welk type verf is gebruikt. Vervolgens kan de reinigingstechniek worden bepaald, waarbij in ogenschouw moet worden genomen welke schade de reinigingsmethode kan aanrichten. Het verwijderen van graffiti door middel van stralen bijvoorbeeld kan zeer kwalijke gevolgen hebben. De minste beschadiging ondervindt een gevel die niet van een beschermlaag is voorzien en de graffiti binnen 24 uur wordt verwijderd met de voor de verfsoort en ondergrond juiste reinigingsmethode. Aangezien dit niet altijd lukt is het bij graffiti-gevoelige locaties aan te raden een zelfopofferend anti-graffitisysteem aan te brengen. Bij graffiti op een niet beschermd oppervlak moet men altijd een ter zake kundige raadplegen. Een bekend drama was de graffiti met tectyl op het monument in Kamp Vught, waarbij een bedrijf met reiniging ging experimenteren. Gevolg was dat de later te hulp geroepen echte deskundigen de gedenkstenen niet meer konden redden en deze gedenkstenen door replica's vervangen moesten worden.

Koppelverkoop[bewerken]

Gevelreiniging wordt vaak aangeboden samen met andere behandelingen. Vaak wordt aangeboden om de gevel na het reinigen waterafstotend te behandelen (te hydrofoberen). Waar kans op bekladden of beplakken bestaat zal men een anti-graffitisysteem voorstellen. Niet zelden wordt ook het vervangen van het voegwerk voorgesteld. Voor een deel dienen deze maatregelen er slechts toe om de nadelige gevolgen van gevelreiniging enigszins te compenseren. Door gevelreiniging wordt de steen immers vaak kapotgespoten, waardoor hij veel gemakkelijker water opneemt. Een waterafstotende behandeling zou dit weer compenseren. Bij een ondeskundig uitgevoerde reiniging worden veelal ook de voegen, die het zwakste onderdeel van de gevel zijn, beschadigd. Nieuw voegwerk doet dat effect teniet. Dat ook met waterafstotende behandelingen en aan nieuw voegwerk veel bezwaren kunnen samenhangen weten de meeste leken niet. Vaak openbaart een schade zich pas jaren later, en dan wordt het verband met de behandeling niet meer gelegd.

Hydrofoberen[bewerken]

Ondeskundig hydrofoberen kan leiden tot vorstschade, zoutschade, zoutuitbloei en algengroei.

Bij hydrofoberen wordt, na het reinigen van de gevel, een waterwerende laag op de gevel aangebracht. Deze producten verdelen zich over het oppervlak en dringen ook enigszins in tot 6 a 8 mm. Het hydrofobeermiddel op het oppervlak wordt meestal vrij snel (enkele maanden tot hoogstens enkele jaren) afgebroken door Ultraviolet licht. Het waterwerende effect zit dan in de poriën onder het oppervlak. van Hydrofobeermiddelen bekleden de wanden van de poriën in de steen met een dun waterafstotend laagje. Ze belemmeren daarom het waterdamptransport door de gevel maar weinig (men zegt dan dat ze 'ademend' zijn). Transport van vloeibaar water is door zo behandelde poriën echter nauwelijks mogelijk. Daardoor dringt er bij een regenbui aanzienlijk minder water de gevel binnen. Wel gaat water bij regen eerder afstromen, waardoor bij kleine scheurtjes en naden (bijvoorbeeld tussen de voeg en de steen) juist meer vocht kan binnendringen. Om dit te voorkomen moeten de voegen in goede staat zijn en indien niet in goede staat deskundig vernieuwd worden. Men noemt dit het lekke-regenjas-effect: bij naden dringt veel water binnen en drogen is nauwelijks mogelijk omdat de eerste droging gebeurt door transport van vloeibaar water naar het oppervlak - en dat is door de hydrofobering niet meer mogelijk. Meest dramatisch is dit effect bij molens, waar door de mechanische belasting van het molenwerk altijd kleine scheurtjes ontstaan. Bij vrijwel alle gehydrofobeerde molens is daardoor sprake van ernstige tot desastreuze vochtschade aan de binnenzijde, inclusief weggerotte balkkoppen en onbeteugelbare zoutschade. Bij een woonhuis is de situatie minder ernstig, maar de kans op vochtschade binnen is er eveneens groot. Bovendien vindt met name in de winter vochttransport van binnen naar buiten plaats. Een goed hydrofobeermiddel zal door de dampdoorlatendheid geen belemmering zijn voor het vochttransport daar dit altijd uit waterdamp bestaat. Ten slotte is er in veel delen van Nederland en België sprake van een hoge grondwaterstand die tot het metselwerk van gevels reikt. Dat vocht zal altijd enigszins optrekken en in de onderzone van de gevel door verdamping verdwijnen. Dat kan leiden tot hoger optrekken van vocht en aantasting van balklagen van de begane-grondvloer. Voor het uitvoeren van een hydrofoberende behandeling moet daarom altijd eerst natuurwetenschappelijk onderzoek naar mogelijk optrekkend vocht worden uitgevoerd. Een goede methode om optrekkend vocht te voorkomen is het verkiezelen van de muur waardoor een waterdicht scherm ontstaat. Door verkiezeling voorkom je ernstige schade. Erger is het wanneer ook sprake is van de aanwezigheid van bouwschadelijke zouten. Deze kunnen niet alleen afkomstig zijn van vroegere overstromingen, maar ook uit de bodem afkomstig of in de bouwmaterialen aanwezig zijn of zijn toegevoegd bij een behandeling. Daarom moet nooit een hydrofobering worden uitgevoerd zonder een gedegen onderzoek naar de aanwezigheid van dergelijke zouten. Ook al heeft er nooit een overstroming plaatsgevonden, dan kunnen bouwschadelijke zouten nog steeds aanwezig zijn en na hydrofobering de gevel ernstig bedreigen. Bouwschadelijke zouten kunnen opgelost tot achter de gehydrofobeerde zone komen. Het water komt als gevolg van de hydrofobering alleen in dampvorm verder, waarbij de zouten achterblijven. Een veel voorkomende schade is daarom het afbreken van schollen van enkele millimeters dikte (de gehydrofobeerde laag) waarachter vaak een met witte waas (zout) bedekte steen zichtbaar is. Ook natuurwetenschappelijk onderzoek naar de aanwezigheid van zouten is daarom altijd nodig alvorens men tot hydrofoberen besluit. Een laatste probleem is een mogelijke lekkage of ander gebrek waardoor (ooit) water in de gevel terecht kan komen. Bij een ongehydrofobeerde gevel kan snelle droging door vloeibaar waterstransport plaatsvinden. Bij een gehydrofobeerde gevel kan dit niet meer, waardoor een gevel bij dat gebrek langdurig nat blijft. Dan is er kans op vorstschade en op zouttransport en zoutschade. Hydrofoberen is een irreversibele handeling. Eenmaal toegepast kan men die behandeling niet meer ongedaan maken. Moderne hydrofobeermiddelen zijn erg duurzaam. Toch zal ook daarbij op den duur het effect verminderen en dat gebeurt niet egaal. Zo wordt een lekke regenjas gecreëerd. Men moet dan kiezen om opnieuw te hydrofoberen (en zo de lekken te dichten) of de schade van die lekke regenjas te accepteren tot het product zo ver is vergaan dat het geen schade meer veroorzaakt. Als het enigszins mogelijk is kiest men daarom beter niet voor het hydrofoberen. Bij beschermde monumenten geldt dat (in Nederland) voor hydrofoberen een monumentenvergunning is vereist. Doorgaans wordt zo'n vergunning alleen versterkt als met natuurwetenschappelijk onderzoek de noodzaak van hydrofoberen is aangetoond en de risico's aanvaardbaar klein blijken te zijn. Een gespecialiseerd bedrijf zal er altijd zorg voor dragen dat het hydrofoberen deskundig en vakbekwaam wordt uitgevoerd waardoor schade niet zal optreden.

Voegwerkherstel[bewerken]

De wijze waarop voegwerk is afgewerkt is afhankelijk van de tijd waarin het gebouw tot stand kwam. Voegwerk maakt daarom onlosmakelijk onderdeel uit van de esthetische en historische kwaliteit van de gevel. Bij de oudste stenen gebouwen was vaak sprake van doorgestreken werk, waarbij de metselmortel werd afgestreken. Later is het navoegen in zwang gekomen, waarbij na het metselen pas een voegafwerking werd aangebracht. Ook dan was sprake van een kalkmortel. Bij voegwerkherstel worden niet zelden de voegruimten uitgehakt of uitgeslepen, waardoor het aanzien van de gevel verandert (de voegen worden breder). Ook het werken met (traditionele) kalkvoegen beheersen nog maar weinig bedrijven. Bijna altijd neemt men zijn toevlucht tot cement als bindmiddel, waaraan soms wat kalk voor de vorm is toegevoegd. De historische kennis van voegwerk missen de meeste moderne voegbedrijven eveneens, waardoor de voegvorm na hervoegwerk niet meer bij de architectuur van het pand past. Het meest dramatische is dat bij zogenaamde gesneden voegen of knipvoegen, die soms zelfs voor het gevelvlak uitsteken - een gril van enkele laat-negentiende-eeuwse architecten, die nu vaak voor traditioneel wordt versleten maar dat geenszins is. Gevels worden met dergelijke voegen een parodie van zichzelf en een gruwel in de ogen van de kenners van historisch werk. Voegwerk wordt vaker onnodig dan nodig vervangen. Een gevel van één of anderhalve steen dikte is niet waterdicht - en dat is hij ook nooit geweest. Daarom werd een gevel vaak voorzien van een binnenafwerking, bijvoorbeeld behang op jute op een rachelwerk. Proberen een dergelijke gevel met een voeg waterdicht te krijgen is onzin. Een voeg is, welbeschouwd, niet meer dan een laagje zeer slecht beton van ongeveer een centimeter dikte (goed beton is minstens 20 cm dik om waterdicht te zijn). Een voeg kan dus nooit een gevel waterdicht maken. Men moet dit probleem oplossen in de binnenafwerking van de gevel en niet (per definitie tevergeefs) met het voegwerk. Voegwerk uit de Wederopbouwperiode en de tijd daarna is vaak van inferieure kwaliteit. De te verwachten levensduur is 25 tot 50 jaar. Dat dit voegwerk vervangen wordt is vaak te billijken. Ouder voegwerk gaat meestal veel langer mee, enkele eeuwen op zijn minst. Het is niet waterdicht (maar dat is geen enkel voegwerk). Vaak wordt tegenwoordig echter oud voegwerk (dat nog eeuwen meekan) vervangen door modern voegwerk (dat eerder aan zijn einde komt dan het voegwerk dat het vervangt). Ook hiervoor geldt dat men zich, bijvoorbeeld door een restauratie-architect, goed moet laten voorlichten. Voor voegwerkherstel dat meer omvat dan het plaatselijk herstel van enkele voegen (normaal onderhoud) is bij beschermde monumenten (Nederland) een monumentenvergunning vereist.