Gevlekte koeskoes

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gevlekte koeskoes
IUCN-status: Niet bedreigd[1] (2008)
Cuscus1.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Orde: Diprotodontia (Klimbuideldieren)
Familie: Phalangeridae (Koeskoezen)
Geslacht: Spilocuscus (Gevlekte koeskoezen)
Soort
Spilocuscus maculatus
(E. Geoffroy, 1818)
Verspreidingsgebied
Verspreidingsgebied
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Zoogdieren

De gevlekte koeskoes (Spilocuscus maculatus) is een buideldier uit het geslacht der gevlekte koeskoezen (Spilocuscus).

De gevlekte koeskoes is 33,8 tot 44,2 centimeter lang en 3 tot 6 kilogram zwaar. De staart is 31,5 tot 43 centimeter. De soort kent seksueel dimorfisme. Mannetjes hebben over het algemeen een roomwitte vacht, bedekt met grote, onregelmatige, chocoladebruine vlekken. Bij vrouwtjes ontbreken de vlekken, en kunnen grijsbruin tot geheel wit zijn. De kleur van de vacht en de vorm van de vlekken verschillen per individu, leefgebied, leeftijd en gezondheidstoestand. De oren zijn vrij klein, en liggen vaak verborgen in de vacht. De kop is rond, met een kaal gezicht en grote ogen.

Hij komt voor op Nieuw-Guinea en het Australische schiereiland Kaap York, Noord-Queensland. Ook is hij geïntroduceerd op Salyer, ten zuiden van Celebes, en op enkele eilanden in de Molukken, als Ceram, Ambon en de Kei-eilanden. Op de Molukken is hij mogelijk inheems. Het verspreidingsgebied overlapt met dat van de verwante gevlekte bergkoeskoes (Spilocuscus rufoniger), de witte koeskoes (Phalanger orientalis), de grondkoeskoes (Phalanger gymnotus) en andere soorten koeskoezen. De gevlekte koeskoes leeft in verscheidene regenwoudhabitats, zowel primair als secundair woud, tot op een hoogte van 1200 meter. Hij komt ook voor in de nabijheid van dichtbevolkte gebieden. De gevlekte koeskoes is nauw verwant aan de eilandsoorten van de gevlekte koeskoezen (Spilocuscus) (Spilocuscus kraemeri uit Manus, Spilocuscus wilsoni uit Biak en Spilocuscus papuensis uit Waigeo), die vroeger als ondersoorten werden gezien. De vier vormen binnen de gevlekte koeskoes (S. m. nudicaudatus uit Kaap York, S. m. goldiei uit het zuidoosten van Nieuw-Guinea, S. m. chrysorrhous uit de Molukken en het zuidwesten van Nieuw-Guinea en S. m. maculatus uit het noorden van Nieuw-Guinea) verschillen ook zeer van elkaar en zijn mogelijk aparte soorten.

De gevlekte koeskoes is een traag boombewonend nachtdier. Hij eet jonge scheuten, bladeren en bloemen, aangevuld met jonge vogeltjes. Overdag verschuilt hij zich in een grote boomholte of een dichte boomkruin.

Gevlekte koeskoezen zijn territoriaal. Mannetjes gebruiken strategisch liggende slaapplaatsen, van waaruit ze andere mannetjes in de gaten kunnen houden. Uit geurklieren scheidt hij een stevige substantie af, die hij op takken smeert om zo zijn aanwezigheid kenbaar te maken aan andere gevlekte koeskoezen. Bij verstoring scheidt hij een roodbruine substantie uit klieren in de huid op zijn gezicht, voornamelijk rond de ogen.

De één tot vier jongen worden geboren na een draagtijd van drie weken, waarna ze in de buidel van de moeder worden gedragen.

Bronnen, noten en/of referenties