Geweldsmonopolie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een monopolie (alleenrecht) op het gebruik van geweld is volgens de Duitse socioloog Max Weber een van de definiërende kenmerken van een soevereine staat.[1] Staten verbieden in principe het gebruik van geweld door hun burgers en ingezetenen, en plaatsen het recht om geweld toe te passen bij instituten als de politie en de krijgsmacht, om de orde te handhaven. Het vermogen om dit monopolie te handhaven is een belangrijke maat voor de legitimiteit en stabiliteit van een staat.

Een voorloper van het begrip geweldsmonopolie is ook al terug te vinden in de filosofie van Thomas Hobbes. Aangezet door de verschrikkingen van de Engelse Burgeroorlog (1639–1651) pleitte hij voor een absolute heerser die als enige geweld mocht gebruiken om een 'oorlog van allen tegen allen' te voorkomen. De absolute heerser mocht alleen afgezet worden als hij niet in staat was de orde te handhaven.[2]

Weber kreeg navolging van onder meer Norbert Elias, die vaststelde dat in de sociogenese (ontstaan en ontwikkeling van een maatschappij, uiteindelijk staat- en natievorming) er vanuit zelfdwang een toenemende neiging bestaat tot samenwerking tussen mensen en het beheersen van onderlinge spanningen, waarbij de staat uiteindelijk als enige rechter mag optreden bij conflicten en zo nodig als enige geweld gebruiken om deze te beslechten. Dit komt de gezondheid van de samenleving ten goede.[3]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Max Weber, Politik als Beruf (1919).
  2. Thomas Hobbes, Leviathan (1651).
  3. Norbert Elias, Über den Prozeß der Zivilisation (1939).