Gideon Mantell

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gideon Mantell

Dr. Gideon Algernon Mantell (Lewes (Sussex), 3 februari 1790 - Londen, 10 november 1852) was een Engelse verloskundige, geoloog en paleontoloog. Hij vond in 1821 de fossiele tanden van Iguanodon. Hoewel William Buckland in 1818 al fossiele botten van Megalosaurus had beschreven, was Mantell de eerste die doorhad dat de fossielen afkomstig waren van uitgestorven soorten enorme reptielen, oftewel dinosauriërs.

Werk en leven[bewerken]

Mantell werd in Lewes, een stad in East Sussex, geboren als zoon van een schoenmaker. Toen hij 15 jaar werd ging hij in de leer bij de chirurg James Moore. In 1811 ronde hij zijn stage af en ontving hij het MRCS diploma. In 1816 trouwde hij met Mary Ann Woodhouse. Om geld te verdienen begon hij een eigen medische pratijk, waar hij huisarts werd. Hij onderscheidde zich door zijn idealistische instelling en behandelde arme patiënten vaak gratis. Het grootste deel van zijn leven bracht hij in Lewes door. Dit had maken met zijn grote interesse in fossielen. Het kwam vaak voor dat in de omgeving van Lewes nogal eens botten werden gevonden. Mantell begon deze te verzamelen. Zijn hobby ging zo ver dat hij zelfs landarbeiders betaalde voor de fossiele botten die zij vonden. In 1813 publiceerde hij zijn eerste artikel over de geologie van de omgeving. Ondertussen bleef zijn tijd en aandacht voornamelijk bij zijn medische praktijk.

Paleontologisch onderzoek[bewerken]

De zogenaamde "Maidstone slab", een fossiel aan de hand waarvan Mantell reconstructies van Iguanodon tekende.

Mantell werd geïnspireerd door een sensationele vondst van Mary Anning in Lyme Regis, Dorset. Zij vond een compleet gefossiliseerd dier dat het meest op een enorme krokodil leek (later zou het een ichthyosaurus blijken te zijn). De fossielen die hij zelf verzamelde kwamen uit het Maastrichtien (Boven-Krijt) van het gebied in Sussex dat Weald genoemd wordt. In dit gedeelte van het Krijt lag in Engeland, net als in Nederland en grote delen van België, een grote ondiepe zee (de zogenaamde Krijtzee), zodat de fossielen die Mantell vond voornamelijk van zeedieren waren.

Tekening van een iguanodon.

In 1819 was Mantell begonnen fossielen te verzamelen uit een groeve bij Cuckfield in West Sussex. Hij vond daar ook allerlei landdieren en planten. Het was voor de eerste keer dat in Engeland een landafzetting uit het Krijt gevonden werd. Mantell vond in Cuckfield botten die zelfs nog groter waren dan de botten die eerder door William Buckland in Stonesfield waren ontdekt. In 1821 vond zijn vrouw Mary Ann enkele grote tanden die hem voor een raadsel stelden. Mantell legde zijn ontdekking in 1822 en 1823 voor aan Willam Buckland en de Franse baron Georges Cuvier, twee bekende geologen uit zijn tijd. Hun oordeel was echter teleurstellend: Buckland dacht dat de tanden van een nog levende vis afkomstig waren en dat ze toevallig in de oudere gesteentelagen van het Krijt waren terechtgekomen, terwijl Cuvier dacht dat ze aan een neushoorn toebehoorden. Mantell was ervan overtuigd dat hij een uitgestorven soort herbivore reuzenreptiel had ontdekt. In 1824 gaf Cuvier hem gelijk. In het Royal College te Londen vond Mantell een exemplaar op sterk water van een leguaan. Toen Mantell de tanden van de leguaan bekeek, zag hij dat zijn eigen fossiele tanden een exacte kopie hiervan waren, alleen dan veel groter. Hij berekende dat het dier in kwestie zo'n twintig meter lang moest zijn geweest. In feite had Mantell de tanden van wat later een dinosauriër zou worden genoemd in handen.

Erkenning[bewerken]

Mantell probeerde tevergeefs anderen ervan te overtuigen dat de tanden uit het Krijt kwamen. Hij stelde hiervoor een gedetailleerde stratigrafie op. Sir Richard Owen, Mantells grootste opponent, dacht dat de tanden van een zoogdier afkomstig waren. Mantell toonde met een nauwkeurige studie en het verzamelen van meer beenderen aan dat zowel zijn eigen fossielen als de fossielen die Owen had gevonden en aan diverse soorten waren toegeschreven, in feite allemaal tot een reusachtig soort reptiel behoorden dat hij Iguanodon noemde.

In 1825 publiceerde Mantell tegen hoge kosten zijn ontdekking. Daarop volgde erkenning, hij werd in december dat jaar tot Fellow of the Royal Society gekozen. Hij werd met de Wollaston medaille van de Geological Society in 1835 en de Royal Medal van de Royal Society in 1849 onderscheiden. In 1832 zou hij een andere dinosauriër, Hylaeosaurus ontdekken, in 1850 volgde Peleosaurus. In 1842 zou Richard Owen de term Dinosauria voor het eerst gebruiken voor de drie fossielen die reeds ontdekt waren.

Latere leven[bewerken]

In 1833 verhuisde Mantell naar Brighton. Hij bleek niet financieel in staat te zijn om zijn praktijk daar voort te kunnen zetten. De gemeenteraad stichtte daarom een museum, waar Mantells verzameling fossielen werden tentoongesteld. Helaas werd het een mislukking, want Mantell vroeg geen entreeprijs voor zijn verzameling. In 1838 was hij daarom dus gedwongen om zijn hele verzameling aan het British Museum te verkopen voor £ 4 000. Hij ging daarna in Clapham Common, een wijk in Zuid-Londen, wonen. Hij zette daar een nieuwe praktijk op.

In 1839 volgde een echtscheiding van zijn vrouw Mary Ann. In 1841 raakte Mantell gehandicapt door een verkeersongeluk dat zijn rug ontwrichtte, waarna hij in constante pijn leefde vanwege scoliose. In 1844 verhuisde hij naar de Londense wijk Pimlico. Om de pijn tegen te gaan begon hij opium te gebruiken. Hij bleef desondanks onderzoek doen naar fossielen van reptielen. In 1852 nam hij een overdosis opium waarna hij in een coma raakte en dezelfde dag nog overleed.

Publicaties[bewerken]

G.A. Mantell, 1825: Notice on the Iguanodon, a Newly Discovered Fossil Reptile, from the Sandstone of Tilgate Forest, in Sussex in 1825 in Philosophical Transactions of the Royal Society, v. 115, pp. 179-186

Externe links[bewerken]