Gijsbert Karel van Hogendorp
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Gijsbert Karel graaf van Hogendorp (Rotterdam, 27 oktober 1762 – Den Haag, 5 augustus 1834) was een Nederlands conservatief politicus, een telg uit het Rotterdamse geslacht Van Hogendorp. In 1813 vormde hij samen met Frans Adam van der Duyn van Maasdam en Leopold van Limburg Stirum het zogenaamde Driemanschap, en hij was een van de opstellers van de eerste Nederlandse Grondwetten van 1814 en 1815. Hij was de broer van Dirk van Hogendorp.
Inhoud |
[bewerken] Vorming
Gijsbert Karels vader, Willem van Hogendorp, die schulden had gemaakt, vertrok in 1773 naar Nederlands-Indië om een fortuin te vergaren. Zijn vrouw bleef met de kinderen achter in Nederland. Na eerst in Den Haag een beschaafde opvoeding te hebben genoten ontving Gijsbert Karel samen met zijn broer op voorspraak van prinses Wilhelmina van Pruisen een scholing aan de kadettenschool te Berlijn. In 1778 werd hij vaandrig in het regiment van Frederik Hendrik Lodewijk van Pruisen, en na de Beierse Successieoorlog page aan het hof van koning Frederik II de Grote van Pruisen. In 1779 keerde hij in het gevolg van Prins Hendrik terug naar Berlijn. De leergierige en eerzuchtige puber onttrok zich aan het gezelschap van zijn leeftijdgenoten, en ontmoette daar de 13 jaar oudere Johann Erich Biester, van wie hij de Griekse en Latijnse klassieken leerde kennen. Hij keerde op verzoek van zijn moeder, maar tot zijn eigen ongenoegen, in september 1781 terug naar Nederland. Hij werd officier bij de garde te voet van de prins, maar was er niet gelukkig. Hij wilde studeren en benutte iedere gelegenheid daartoe. In de hoedanigheid van luitenant van de garde begeleidde hij de eerste Nederlandse gezant, mr. P.J. van Berckel naar Noord-Amerika, een aanlokkelijke reis omdat Amerika aan het begin van zijn onafhankelijkheid en democratische vorming stond. Het schip waarop Gijsbert Karel voer, de Erfprins, leed schipbreuk; 40 overlevenden van de 350 opvarenden dobberden 2 maanden op zee voor zij werden gered. Gijsbert Karel was echter op verzoek van de kapitein overgestapt op een Amerikaanse schoener om hulp te halen. Hij verbleef een half jaar in Amerika en door een aanbevelingsbrief van Benjamin Franklin, die Nederland had bezocht, werd hij gehuisvest op het landgoed van George Washington in Virginia. Er ontstond echter geen speciale relatie tussen hen. Hij verkeerde veel met Thomas Jefferson met wie hij later een briefwisseling bleef onderhouden. Op zijn terugreis deed hij Engeland aan, waar hij bij toeval de overwinning van William Pitt meemaakte op de oppositie. Toen zijn vader niet terugkeerde uit Indie (op de terugreis in 1784 verging zijn schip met man en muis) nam hij ontslag van het leger. Hij ging naar de Universiteit van Leiden, en promoveerde in 1786 in de rechten. In juni 1787 was hij betrokken bij de voorbereiding van de reis van prinses Wilhelmina naar Den Haag, en na het herstel van de macht van de Prins van Oranje werd hij benoemd tot de raad en pensionaris van Rotterdam. Tot aan de vlucht van stadhouder Willem V in januari 1795 toonde hij zich een actief orangist.
[bewerken] Aan de zijlijn
Na de Bataafse Revolutie werd hij in 1796 aan de kant gezet omdat hij Orangist was. Hij vertrok daarom naar Amsterdam om het handelshuis van zijn overleden schoonmoeder voort te zetten. Hij toonde belangstelling tot hervorming van de VOC, en vatte tevergeefs een plan op om op Kaap de Goede Hoop een kolonie te starten. Daarna trok hij zich voor enige jaren terug op zijn buitenplaats Adrichem bij Beverwijk.
In 1799 publiceerde hij zijn studie De Unie van Utrecht herzien, waarin hij uiteenzette dat de macht van de prins van Oranje door wetten geregeld moest worden. In 1801, toen gematigde patriotten en republikeinen een akkoord sloten met de aristocraten en Orangisten, schreef Karel van Hogendorp een open brief Verklaring aan het Staatsbewind, menende een grote meerderheid van de bevolking te representeren, waarin hij elk compromis zonder Oranje aan het hoofd onaanvaardbaar noemde. Van Hogendorp bleef zo aan de kant staan, maar hij bleef publiceren. Gedachten over 's lands finantiën zag in deze periode het licht.
In 1809 verhuisde hij weer naar Den Haag, en hield zich bezig met schetsen van een grondwet voor de periode na de Franse overheersing. Na de veldtocht van Napoleon naar Rusland nam Van Hogendorp in 1812 contact op met geestverwanten om aan een nieuw bestuur voor de na-Franse tijd te werken, om zo een eventuele bezetting door de geallieerden te voorkomen.
[bewerken] Actief bestuur
Van Hogendorp was lid het Voorlopig Bewind van november 1813 tot december 1813. Samen met Frans Adam van der Duyn van Maasdam en Leopold van Limburg Stirum schreef hij na de val van de Franse overheersing een uitnodiging aan Willem Frederik van Oranje-Nassau in Engeland om als "Soeverein Vorst" terug te keren naar Nederland. Hoewel Willem Frederik en Van Hogendorp elkaar al kenden uit hun jeugd was de verhouding tussen beiden van het begin af aan koel, en het kostte Van Hogendorp enige moeite de prins te overtuigen dat een grondwet noodzakelijk was. Op 7 december 1813 werd Van Hogendorp de eerste minister van Buitenlandse zaken van het nieuwe Soevereine Vorstendom der Verenigde Nederlanden.
Op 21 december 1813 benoemde de prins Van Hogendorp in een commissie die tot doel had, het ontwerpen van een grondwet op basis van de Schets eener Constitutie, die Van Hogendorp enkele jaren eerder had gemaakt. Deze grondwet van 1814, waarin onder andere de erfopvolging voor het huis van Oranje was geregeld, werd op 29 maart 1814 in de Nieuwe Kerk te Amsterdam door 474 verzamelde notabelen van Nederland goedgekeurd. Van Hogendorp werd op 6 april 1814 benoemd als eerste vicepresident van de Raad van State.
In 1815 werd hij tevens voorzitter van de commissie, die de grondwet van 1815 moest opstellen, ten behoeve van de vereniging met België tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Bovendien had hij voor de provincie Holland zitting in de Tweede Kamer, die toen nog gekozen werd door de Provinciale Staten. Op 20 september 1815 werd hij benoemd tot Minister van Staat.
Aanvankelijk was Van Hogendorp een conservatief politicus, hij was in 1813 er zelfs nog voorstander van geweest om de positie van de oude regenten te herstellen, maar na 1815 getuigde hij meer en meer van een liberale opstelling, en kwam aldus tegenover de opvattingen van koning Willem I te staan, die men wel als "verlicht despoot" zou kunnen omschrijven. Tot tweemaal toe verzocht hij de koning om ontslag als vicepresident van de Raad van State, wat hem op 7 november 1816 uiteindelijk werd verleend. Bij koninklijk besluit werd hij benoemd tot lid van de Eerste Kamer, maar hij wees dat af. De Eerste Kamer werd destijds door de koning benoemd en die vergaderingen waren geheim. Van Hogendorp wilde zich waarschijnlijk niet op deze manier de mond laten snoeren. In 1819 probeerde koning Willem I Van Hogendorp nogmaals het zwijgen op te leggen, door de gouverneur van Holland, Van der Duyn van Maasdam, te laten weten dat het hem zou uitkomen als Van Hogendorp niet in de Tweede Kamer benoemd zou worden. Van der Duyn ging daar niet op in, waarna de koning op 22 mei van hetzelfde jaar Van Hogendorp de titel van Minister van Staat ontnam. Van Hogendorp bleef echter lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de provincie Holland.
[bewerken] Laatste levensjaren
In 1825 stelde Van Hogendorp zich niet meer herkiesbaar voor de Tweede Kamer vanwege zijn slechte gezondheid. Hij leed aan jicht. Hij bleef echter publiceren. Hij was een van de weinige Nederlanders die in 1830 begrip toonden voor de Belgische afscheiding. Gijsbert Karel van Hogendorp overleed op 5 augustus 1834 in Den Haag.
[bewerken] Overige feiten
Gijsbert Karel van Hogendorp trouwde in 1789 met jonkvrouw Hester Clifford. Zij kregen 10 kinderen, waarvan er ten tijde van zijn overlijden nog 6 in leven waren.
Van Hogendorp werd op 20 september 1815 in de adelstand verheven.
Op de trappen voor de entree van het moderne Beurs World Trade Center aan de Rotterdamse Coolsingel bevindt zich een standbeeld van Van Hogendorp met de grondwet van 1814 in de rechterhand.
De VVD houdt hem in ere als grondlegger van de liberale partij.
[bewerken] Publicaties
- Aequibili descriptione subsidiorum inter gentis foederatis (dissertatie, 1786)
- Verhandeling over de noodzakelijkheid eener religie in den staat (1787)
- Missive over het armenwezen (1794)
- De Unie van Utrecht herzien (1799)
- Verhandeling over den Oost-Indischen handel (1801)
- Verklaring aan het Staatsbewind (1801)
- Gedachten over 's lands finantiën
- Brieven aan een participant in de Oost-Indische Compagnie(1802)
- Schets eener Constitutie (1812)
- Bijdragen tot de huishouding van staat in het koningrijk der Nederlanden, verzameld ten dienste der Staten Generaal. 10 delen (1818-1829)
- De scheiding van Holland en België (1830)
Bronnen, noten en/of referenties:
- AA, A.J. van der (1867) Biographisch woordenboek der Nederlanden. Haarlem, J.J. van Brederode
- Molhuysen, dr. P.C. e.a. (1912) Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek. Deel 2. Leiden: A.W. Sijthoffs uitgeversmaatschappij
- "Mr. G.K. graaf van Hogendorp" Parlement & Politiek. URL bezocht op 30 december 2008.
- Fruin, R. (1867) De jongelingsjaren van Gijsbert Karel van Hogendorp. De gids. p.439 Amsterdam: P.N. van Kampen
| Voorganger: - |
Minister van Buitenlandse Zaken 1813-1814 |
Opvolger: A.W.C. baron van Nagell van Ampsen |
| Voorganger: - |
Vicepresident van de Raad van State 1814-1816 |
Opvolger: Johan Hendrik Mollerus |