Gijsbrecht IV van Amstel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gijsbrecht IV
1230 - 1303
Heer van Amstel
Periode 1252 - 1296
Voorganger Gijsbrecht III van Amstel
Opvolger Jan I van Amstel
Vader Gijsbrecht III
Moeder Aleidis

Gijsbrecht IV, heer van Amstel (ca.1230 - ca.1303) was heer van Amstelland. In de geschiedenis van Nederland is Gijsbrecht IV het meest bekend vanwege het complot tegen graaf Floris V van Holland.

Hij was een zoon van Gijsbrecht III van Amstel en Bertha van Oestgeest of van Aleidis van Cuyck.[1] Gijsbrecht IV huwde mogelijk met ene Johanna, een dochter van Jan II van der Lede, met wie hij minstens een zoon, Jan I van Amstel, kreeg.[2]

Gijsbrecht is het hoofdpersonage in Joost van den Vondels toneelstuk Gijsbrecht van Aemstel. Het verhaal speelt zich echter af tijdens het Beleg van Amsterdam in het jaar 1303, waar Gijsbrechts zoon Jan voornamelijk bij betrokken was. Men gaat ervan uit dat zowel Gijsbrecht als zijn zoon als voorbeeld dienden voor het hoofdpersonage.

Levensloop[bewerken]

Gijsbrecht werd vermoedelijk geboren in het slot van Ouderkerken, gelegen aan de rivier de Amstel waaraan de familie haar naam ontleende. Hij komt voor het eerst voor in geschriften uit 1252, waarin hij dat jaar zijn zegelring laat maken samen met de broers Gijsbrecht en Wouter Uytengoye.

Net als zijn voorgangers is Gijsbrecht erop uit om zijn gebied van Amstelland uit te breiden. Hij moet echter inbinden vanwege het voorval van zijn vader en toont zich loyaal aan de bisschop van Utrecht. Zijn eerste strijd heeft hij echter al in 1257 met de bisschop en die liep ongelukkig af. Bij de verzoening te Bodegraven in 1257 werd hem vernederende voorwaarden opgelegd. Is daarna in 1257 aanwezig bij een verzoening tussen de graaf van Vlaanderen en hertog van Gelre en treedt in 1261 op als getuige bij een verzoening tussen bisschop Hendrik van Vianden en Otto II van Gelre. Daarbij werd Gijsbrecht in al zijn rechten hersteld.[3] Gijsbrecht weet met zijn broers Willem en Arnoud van Amstel veel grondgebied te vergaren en door middel van leenbeheer veel geld te verdienen. Delen van de winst uit de landgoederen bij Diemen worden aan het Sint Janskapittel besteed. Ook de tienden van Kalslagen, Loenen en Nieuwveen leveren veel geld op. Op enig moment komen Gijsbrecht en zijn broers in dispuut met Lombardische heren die ook op landgoederen uit zijn. In deze twist wordt bemiddeld en verzoend door de bisschop van Utrecht. In 1265 komt hij voor onder de vier ridders die door de bisschop werden aangewezen in een arbitrage-verdrag met Gelre, en in 1266 maakte hij deel uit van de Raad van de jeugdige graaf Floris V.

Opstand[bewerken]

In 1268 (tot 1275) vinden we Gijsbrecht aan het hoofd van de Kennemers, die na in Holland een boerenopstand te hebben verwekt, Utrecht korte tijd innamen en enige kastelen verwoesten. Het is niet onwaarschijnlijk dat hem bij de latere verzoening met de nieuwe bisschop van Utrecht, Jan van Nassau, het slot Vredelant, dat hij tevergeefs had belegerd, in pandschap is gegeven. In 1273 komen de leenheren van de bisschop nogmaals in opstand. Dit wordt mede veroorzaakt doordat de bisschop steeds meer rente vraagt aan zijn ondergeschikte landheren die eigenlijk onafhankelijk willen worden. Gijsbrecht besluit net als Zweder van Abcoude en Herman VI van Woerden landerijen te verkopen, o.a. op Texel en Calslagen, zodat het Sticht Utrecht deze niet meer kon innemen. De bisschop komt dan tot de conclusie dat hij de macht over zijn leenheren niet meer aan kan en besluit de landerijen aan de westkant van het Sticht te verkopen aan Floris V van Holland.

Op 6 april 1278 komt een nieuwe verzoening tot stand tussen allen partijen (graaf van Holland, bisschop van Utrecht en verscheidene heren). In 1279 rezen echte opnieuw geschillen tussen Utrecht en Amstel en wel over de tol die Gijsbrecht in Vreeland hief. In de zomer van 1279 leed bisschop-elect Jan van Nassau bij Soesterenge een nederlaag tegenover de Amstelheren. Toch kwam nu graaf Floris V de elect te hulp. In april 1280 werd Gijsbrecht bij Loenen door Jan van Renesse verslagen en gevangengenomen. Daarop moest zijn broer Arent het slot Vreeland dat door Floris werd belegerd, overgeven.[4] De beide broers werden in Zeeland gevangen gehouden. Op 27 oktober 1285 kwam een verdrag tot stand waarbij Gijsbrecht zich aan de graaf onderwierp en zijn leenman werd. De opstand was nu in handen van graaf Floris die deze in 1288 de kop wist in te drukken. Floris verplicht Gijsbrecht hem 2000 gulden te betalen, de schuld die hij eerst had uitstaan bij de bisschop van Utrecht. Hij leende dit bedrag bij Jan II van der Lede. De verhouding tussen Floris en Gijsbrecht schijnt later goed te zijn geweest.

Complot[bewerken]

Gijsbrecht was rond 1290 een van de belangrijkste Hollandse edellieden. In 1291 nam hij de eerste plaats in de raad, die 's Graven gemalin Beatrix, tijdens de afwezigheid van haren gemaal, ter zijde stond. Kort daarna beraamde hij samen met de leenmannen Gerard van Velsen en Herman VI van Woerden het plan om hun leenheer, graaf Floris V van Holland, te ontvoeren en op te sluiten in het Muiderslot. Na de doodslag van Floris V (in 1296), wist Gijsbrecht te ontsnappen. Tijdens zijn ontsnapping wist lijf en goed te verbeuren, hij vluchtte naar Vlaanderen, vertoonde zich nog te Veere om graaf Jan van Avesnes zijne opwachting te maken, toch moest hij opnieuw vluchten. De rest van zijn leven bracht hij in ballingschap door in het hertogdom Brabant. Later was hij in de Betuwe gevestigd (de omgeving van Oss). Na 1303 wordt hij niet meer genoemd. De motieven van Gijsbrecht voor de ontvoering zijn nooit helemaal duidelijk geworden, maar houden naar alle waarschijnlijkheid verband met de politieke keuzes (plotseling het Engelse kamp verlaten en de Franse zijde kiezen n.a.v. onenigheid met Vlaanderen) van Floris V.

Referentie[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Th.A.A.M.van Amstel verwijst in zijn Heren van Amstel 1105-1378 naar de landerijen van zijn moeder te Cuyck.
  2. Th.A.A.M. van Amstel: De heren van Amstel 1105-1378: Hun opkomst in het Nedersticht van Utrecht in de twaalfde en dertiende eeuw en hun vestiging in het hertogdom Brabant na 1296 (Hilversum, 1999), blz. 102-103)
  3. (a) W.A. van Spaen, Historie der Heeren van Amstel, van IJsselstein en van Mynden.
  4. (b) W.A. van Spaen, Historie der Heeren van Amstel, van IJsselstein en van Mynden.
  • Th.A.A.M. van Amstel: De heren van Amstel 1105-1378: Hun opkomst in het Nedersticht van Utrecht in de twaalfde en dertiende eeuw en hun vestiging in het hertogdom Brabant na 1296 (Hilversum, 1999) (The Heren van Amstel 1105-1378)
  • W.A. van Spaen, Historie der Heeren van Amstel, van IJsselstein en van Mynden.
  • J.C. van der Loos, Geschiedenis van Amstelland, vóór 1300;
  • H. Brugmans, Een en ander over de oudste geschiedenis van Amsterdam, in het Achtste Jaarboek der vereeniging Amstelodamum. Voorts Wagenaar, Beschr. van Amsterdam; ter Gouw, Geschiedenis van Amsterdam, enz.