Gijsbrecht van Aemstel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Gijsbrecht van Aemstel is een toneelstuk van Joost van den Vondel, dat werd opgevoerd ter gelegenheid van de opening van de eerste stenen Amsterdamse schouwburg. De inwijding op 26 december 1637 van dit door Jacob van Campen ontworpen classicistische theater aan de Keizersgracht werd uitgesteld vanwege protestantse bezwaren tegen enige (in de katholieke middeleeuwen spelende) passages. Na protesten tegen de eventuele "vertoning van superstitiën van de paperije als misse en andere ceremoniën" kon de Gysbrecht op 3 januari 1638, kleurrijk en fraai gekostumeerd in Van Campens schouwburg in première gaan.[1]

In Amsterdam werd het stuk vele daaropvolgende jaren op nieuwjaarsdag opgevoerd. In de jaren '60 nam de populariteit van de Gijsbrecht af. Het toneelstuk zou niet meer voldoen aan de wensen van het publiek. De beëindiging van de Gijsbrechttraditie in 1968 moet in het licht van de tijdgeest en de ontevredenheid over de ensceneringen in de periode voorafgaand aan Aktie Tomaat (1969) worden gezien. In 1974/1975 speelde het toneelgezelschap het Publiekstheater de Gijsbrecht in de Amsterdamse Stadsschouwburg onder regie van René Lobo. Carel Briels regisseerde een aantal voorstellingen van de Gijsbrecht in de Nieuwe Kerk (1981) en in de Amsterdamse Stadsschouwburg (1982). In 1983 waren er op 1 januari 2 versies te zien van de Gijsbrecht. De klassieke versie in de regie van Carel Briels was dat jaar niet welkom in Amsterdam en werd opgevoerd in Haarlem. Jan-Jaap Janssen tekende in de Amsterdamse Stadsschouwburg voor de eindregie van een kleine “expressionistische” Gijsbrecht van Theatergroep Narcis. Hans Croiset regisseerde in 1988 een Gijsbrecht voor het Nationale Toneel in Den Haag. In 1990 volgde een Gijsbrecht van Rieks Swarte voor Toneelgroep Amsterdam. In 2003 en 2008 speelde Theater Nomade, onder regie van Ab Gietelink, de Gijsbrecht in op de politieke actualiteit toegespitste bewerkingen. Op 1 januari 2010 werd in het Concertgebouw, tijdens de nieuwsjaarsbijeenkomst van de gemeente Amsterdam, een verkorte versie vertoond door de theatergroep 'De Warme Winkel'. Op 1 januari 2012 hervatte Het Toneel Speelt onder regie van Jaap Spijkers de opvoeringen in de Amsterdamse Stadsschouwburg en programmeerde reprises in januari 2013 en 2014.

De inhoud[bewerken]

Vondel gaf het stuk de titel: Gysbregt van Aemstel, d’ondergang van zijn stad en zijn ballingschap. Treurspel. Hij draagt de Gijsbrecht op aan Hugo de Groot die in 1638 als balling in Frankrijk leefde. Grotius, zoals de latinisering van de Groots naam luidde, was verbannen nadat hij betrokken was geraakt bij de religieuze richtingenstrijd tussen remonstranten en contraremonstranten. De Groots ideaal was het herstel van de eenheid van alle christenen in een terugkeer naar de situatie van de oude kerk in de eerste eeuwen na Christus[2]. Vondel besluit zijn, aan de door hem bewonderde Here Huig de Groot gerichte inleiding, met de woorden: Ik offer Uwe Exc. in zyne ballingschap mynen Gysbreght van Aemstel, den godvruchtigen en dapperen balling.

Het stuk speelt in Amsterdam, tijdens een kerstnacht omstreeks 1300[3][4] en gaat over de belegering van de stad door de omliggende dorpen, verenigd in de Kennemers en Waterlanders. Aanleiding is de vermeende betrokkenheid van Gijsbrecht bij de ontvoering en doodslag van Floris V in 1296. De vijandelijke soldaten lijken zich terug te trekken, maar duiken als gevolg van een list van het personage 'Vosmeer, de Spie' onverwacht weer op. Na hevige gevechten is Gijsbrecht gedwongen, met zijn vrouw Badeloch en hun kinderen, naar Pruisen te vluchten, waar hij een Nieuw Holland zal stichten.

De tragedie Geeraerdt van Velsen van P.C. Hooft uit 1613 is gebaseerd op de gebeurtenissen rond de moord op Floris V. Deze gebeurtenissen vormen de voorgeschiedenis van de verwikkelingen in Vondels Gijsbrecht.

De tijd van handeling; de kerstnacht, en de parallel tussen de moord op de onschuldige Klarissen en de kindermoord in Bethlehem benadrukken de Christelijke strekking van de door God opgelegde beproeving, die uiteindelijk zinvol zal blijken te zijn. Gijsbrecht is een toonbeeld van deemoed en godsvertrouwen in tijden van beproeving. Het stuk is een icoon in de tijd van de bezetting. Het herinnerde het publiek aan oorlogsgeweld, de strijd tegen Spanje, belegering van steden en vermiste echtgenoten.

In 1637 tijdens de Tachtigjarige Oorlog, toen in zuidelijker provincies de Spaansgezinde vijandelijkheden nog woedden, schreef Vondel in zijn inleiding van de Gijsbrecht:

"Of enige Amsterdammers mochten walgen van de zwaren val hunner muren en ’t verstrooien hunner voorouderen te horen, zo wordt die bittere nasmaak verzoet door Rafaëls voorspelling van de heerlijke verrijzenisse der verdelgde vesten en verstrooielingen; dat wij nu op het allergelukkigste beleven, onder de wijze regering der tegenwoordige burgemeesteren, die het gemeen beste boven hun eigen behartigen en genen oorlog prijzen, dan die om de vrede gevoerd wordt."

De Gijsbrecht wordt wel een tragedie genoemd, omdat Vondel in drama's als Lucifer de Aristotelische uitgangspunten volgt van de klassieke tragedie. Hoewel ook Vondel zelf in de ondertitel van een "treurspel" spreekt, is dat in de Gijsbrecht maar ten dele het geval. Zo is het personage Gijsbrecht niet de tragische held die ten onder gaat door eigen handelen en vindt er in die zin geen catharsis plaats. Vondel koos in de laatste scene voor een troostende deus ex machina, die het geslacht van de Van Aemstels en de stad een (zij het verre) glanzende toekomst voorspelt. De middeleeuwse tijd van handeling bood Vondel in de claus van Rafaël, "één der zeven Engelen" de gelegenheid een aangenaam visioen van zijn eigen (en de toekomstige) tijd op te roepen. Onder het toeziend oog van het 17e eeuwse publiek kregen de14e eeuwse titelheld en de zijnen van de aartsengel de verzekering:

Al leit de stad verwoest, en wil daer van niet yzen
Zy zal met grooter glans uit asch en stof verrijzen.

Ten tijde van de vroege Gouden Eeuw zal premièrepubliek, waaronder het stadsbestuur en de financiers van de voorstelling (de bestuurders van de charitatieve instellingen het Burgerweeshuis en het Oude Manne- en Vrouwenhuis, waaraan een deel van de inkomsten ten goede kwam)[5] deze heilsboodschap instemmend hebben aangehoord.

Om na het zien van de onfortuinlijke voorouders de stemming nog wat te verhogen werden latere Amsterdamse voorstellingen van de Gijsbrecht rond Nieuwjaarsdag gevolgd door "De bruiloft van Kloris en Roosje"; een vrolijke naspel uit de 17e of het begin van de 18e eeuw. Deze vaak bewerkte boertige klucht met zang en dans, eindigde traditioneel met een door de personages Thomasvaer en Pieternel uitgesproken Nieuwjaarswens, waarin de actuele gebeurtenissen van die dagen van satirisch commentaar werden voorzien.

De vorm[bewerken]

Vondel bediende zich van de in zijn tijd gewaardeerde techniek van het navolgen en verwerken van bewonderde oudere tekstvoorbeelden tot een nieuw, eigen literair product; de zogenaamde imitatio of aemulatio. Zoals uitvoerig in zijn inleiding vermeld, schreef hij de Gijsbrecht in navolging van de in het klassiek Latijn geschreven Aeneis van de Romeinse dichter Vergilius. Dit aan de Homerische heldendichten verwante epos beschrijft in 12 boeken de daden van de Trojaanse stamvader Aeneas en de ondergang van zijn stad. Vrij naar de, op het titelblad van de Gijsbrecht vermelde en in de Aeneis naar de val van Troje verwijzende versregel Urbs antiqua ruit... (Een oude stad stort in..., Aeneis 2, 363), verwoordt Vondel in het vierde bedrijf de val van Amsterdam met de verzen 1120/1122: "De groote aloude stad, vermaert in oorelogen, (...) Gaet plotzelijck te gronde en zinckt met eenen slagh." De inhoud van het klassieke paard van Troje vertoont een duidelijke overeenkomst met de lading van Vondels “Schuit ’t Zeepaardje” en het bloedig einde van de oude koning Priamus vindt een gekerstende variant in het beklagenswaardig lot van Vondels personage Bisschop Gozewijn.

Al in de vroege jaren '20 van de 17e eeuw had Vondel zich door studie van de klassieke cultuur en humanistische wetenschappen ontwikkeld tot een humanistisch-renaissancistisch dichter.[6] Schreef Vergilius in dactylische hexameters, Vondel koos meestal voor de alexandrijn als dichtvorm. In navolging van de klassieken heeft de Gijsbrecht een klassieke bouw in vijf bedrijven, die worden afgesloten met een 'Rey' of rei'. Deze aan de Griekse koorzangen verwante, gesproken of gezongen lyrische bespiegelingen staan los van de handeling.

Na de aan De Groot gerichte opdracht, gaan het: Voorspel...Aan Schout, Burgemeesters, Schepens en Raad van Amsterdam, het: Kort Begrijp (korte inhoud) en een lijst van de spreeckende en de stomme (zwijgende) personages, aan de toneeltekst vooraf.

Het was gebruikelijk de dramatische handeling af en toe letterlijk stil te zetten tijdens de 'stomme vertooning'. Met zo’n vaak rijkelijk vormgegeven 'tableau vivant' (levend schilderij) met zwijgende personages in expressieve houdingen kon men, tussen de scènes, de visuele hoogtepunten extra aandacht schenken. Zo kon men zich in voorstellingen van de Gijsbrecht tot in de vroege 20e eeuw tijdens de ‘stomme vertooning’ soms minutenlang vergapen aan bewegingloze impressies van sensationele en vaak gruwelijke oorlogshandelingen.[7]

Titelheld Gijsbrecht opent het treurspel met de verheugende mededeling:

Het hemelsche gerecht heeft zich ten langen leste
Erbarremt over my en myn benauwde veste,
En arme burgery, en op myn volcx gebed,
En dagelix geschrey de bange stad ontzet.

De Rei van Amsterdamse Maagden (vs. 414 - 450) klinkt aan het slot van het eerste bedrijf uit de monden van Amsterdamse meisjes die de hoop op de overwinning verwoorden:

Nu stelt het puick van zoete keelen,
Om daar gezangen op te speelen,
Tot lof van God die op zijn' troon
Gezeten is, zoo hoogh en heerlijck;
Van waer hy zien kon, hoe begeerlijck
Het Sparen stack na Aemstels kroon.

In de Rei van Edelingen (vs. 674 - 737) aan het einde van het tweede bedrijf, bezingen edellieden tijdens de kerstnacht de lof van Christus' geboorte:

Wy edelingen, bly van geest,
Ter kerke gaen op 't hooge feest
Den eerst geboren heiland groeten,
En knielen voor de kleene voeten
Van 't kind, waer voor Herodes vreest:

In de Rei van Klaerissen (vs. 904 - 950) waarmee het derde bedrijf wordt afgesloten, doen nonnen een lied over de kindermoord in Bethlehem klinken:

O Kersnacht, schooner dan de daegen,
Hoe kan Herodes 't licht verdraegen
Dat in uw duisternisse blinckt,
En word geviert en aengebeden?
Zijn hoogmoed luistert na geen reden,
Hoe schel die in zijn ooren klinckt

In de Rei van Burghzaten (vs. 1239 - 1285), aan het einde van het vierde bedrijf, beschrijven burchtbewoners de kracht van de huwelijksliefde:

Waer werd oprechter trouw
dan tusschen man en vrouw
Ter weereld oit gevonden?
Twee zielen gloende aen een gesmeed,
Of vast geschakelt en verbonden
In lief en leedt

Tegen het eind van het vijfde bedrijf weerklinkt een troostende deus ex machina in de claus van aartsengel Rafaël:(vs. 1823-1864)

O, Gijsbreght, zet getroost uw schouders onder ’t kruis
U opgeleit van God. 't is al vergeefs dit huis
Verdaedight; hadden wy 't in ons behoed genomen,
't En waer met Amsterdam zoo verre noit gekomen.

en spreekt de engel (voor het eerst in 1638, tijdens de opening van de schouwburg, in de nabijheid van de net gereed gekomen gekroonde spits van de Westertoren), ten overstaan van de 14e-eeuwse personages en het 17e-eeuwse publiek de 'profetie' uit dat:

'eer drie honderd jaer Verloopen'(...) ‘Als uw naemhafte stad haer' Schouwburgh open doet' (...) de stad “haer kroon tot aen den hemel toe’ zal verheffen.

Samenvatting[bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

Eerste bedrijf[bewerken]

Het eerste bedrijf speelt zich af op een middag voor kerstnacht omstreeks 1300. De stad Amsterdam wordt al een jaar belegerd door de troepen van de Waterlanders en de Kennemers, die de moord op Floris V willen wreken. Men vermoedt dat Gijsbrecht van Aemstel, stadsheer van Amsterdam, met de moord te maken heeft. Gijsbrecht spreekt, nadat hij hoorde dat de vijandelijke troepen zijn weggetrokken, in de openingsmonoloog zijn dank uit. Zijn broer Arend gaat kijken of het bericht waar is. Abt Willebrord van het Kartuizerklooster vertelt Gijsbrecht dat Willem van Egmond en Diederick van Haarlem, twee vijandelijke aanvoerders, na een ruzie de stad hebben verlaten en het beleg zouden hebben opgegeven. Arend voert als hij terugkomt een gevangene mee. Deze ‘Vosmeer’ oogt meelijwekkend, maar is een spion. Vosmeer vertelt dat de vijanden een met rijshout beladen schip, ‘het Zeepaard’, in de haast zijn vergeten. Gijsbrecht gelooft Vosmeer en beveelt het schip de stad binnen te laten halen. Met dit schip voert men, zonder dat iemand het in de gaten heeft, vijandelijke soldaten de stad binnen. (vergelijkbaar met de verhalen over het Paard van Troje en het Turfschip van Breda). Iedereen tuint erin. Tot slot bezingen meisjes in de rei van Amsterdamse Maagden de overwinning en de geboorte van Christus.

Tweede bedrijf[bewerken]

’s Avonds bij het Kartuizerklooster vertellen Willem van Egmond en Diedrick van Haerlem de Hoplieden dat zij van plan zijn Gijsbrechts manschappen ’s nachts te overrompelen met de hulp van de in het Zeepaard verborgen soldaten. De hoplieden wordt verteld de monniken niet te storen en zich stil te houden. Laat in de avond vraagt Diedrick Van Haerlem de portier de poort van het klooster te openen en de prior van het klooster Willebord te halen. Willebord vraagt naar de reden van Diedricks komst. Als Diederik toestemming vraagt om soldaten in het klooster te laten overnachten weigert Willebord aanvankelijk, maar hij geeft zich later gewonnen. Bij de stadsgracht spreekt Van Egmond met Vosmeer. De spion is de gracht overgezwommen en vertelt dat het schip, met de soldaten, de stad is binnengehaald. Egmond zegt dat de rest van de manschappen klaar ligt in het klooster. Alles is klaar voor de aanval. Egmond besluit met de woorden: ‘God geef, dat u en my dees aenslagh wel geluck.’ Het bedrijf eindigt met de Rey van Edelingen. In de zang vertelt men dat de Heiland Jezus in Bethlehem is geboren en bezingt men Gods goedheid.

Derde bedrijf[bewerken]

Badeloch vertelt geschrokken dat zij in een droom de geest van haar nicht Machteld voor zich zag. Machteld was waanzinnig van verdriet, trok zich de kleren kapot, krabde zich en zei dat Gysbrechts strijd tevergeefs was; de vijand is niet verslagen. Machteld spoort Gijsbrecht aan bisschop Gozewijn en haar dochter Klaeris te redden en raadt Badeloch aan te vluchten. Als Broeder Peter komt aanstormen en zegt dat hij en Gysbrecht ten strijde moeten trekken is dit voor Badeloch het teken dat haar droom werkelijkheid was. Broeder Peter vertelt dat de vijand met een groter leger terug kwam en dat de stad in brand staat. Badeloch is bang dat het Gysbrecht te veel wordt. Hij heeft dit niet verdiend; hij is vroom en heeft een goed hart. Broer Peter zegt dat God slechts zijn uitverkorenen wil beproeven. Gysbrecht heeft vanaf de Schreierstoren gezien hoe de toestand is. Hij wil vechten en zijn bondgenoten zeggen hem te zullen steunen. Badeloch bidt God Gysbrecht te beschermen. In de kapel van het Clarissenklooster klinkt de rei van Klaerissen een lied over de kindermoord in Bethlehem en de hoogmoedige Herodes.

Vierde bedrijf[bewerken]

Gijsbrecht probeert de oude bisschop Gozewijn over te halen te vluchten voor de snel naderende vijand. Hij wil de bisschop op zijn rug dragen. (Een verwijzing naar Vergilius' Aeneis, waarin Aeneas zijn vader draagt als zij Troje ontvluchten). Gozewijn zegt dat hij te oud is; hij is klaar om te sterven en zich bij God te voegen. De trouwe nonnen, waaronder Klaeris, zeggen Gozewijn niet alleen te kunnen laten. Ook zij zijn bereid te sterven. (De scène werd afgesloten met een ‘stomme vertoning’, waarin men zag hoe bisschop Gozewijn en de nonnen werden vermoord.) In de tweede scène schrikt Badeloch als zij Arend van Aemstel ziet. Omdat hij alleen is, denkt zij dat Gijsbrecht gesneuveld is. Arend ontkent dit en doet gedetailleerd verslag van het gruwelijk schouwspel dat zich voor zijn en Gijsbrechts ogen afspeelde; de strijd, de bezetting, de dood van onder anderen Gozewijn en de nonnen. Badeloch vreest dat ook Gijsbrecht dood is. In de laatste scène bezingt de rei (van Burghzaten) de pure, oprechte liefde tussen Badeloch en Gijsbrecht. Zij geven uiting aan het verdriet dat Badeloch door de veronderstelde dood van haar man moet voelen en eindigen met een bede, waarin God gevraagd wordt haar smart te verlichten. Het bedrijf wordt afgesloten met de uitroep van Badeloch dat zij Gijsbreghts stem gehoord heeft en dat hij voor de poort staat.

Vijfde bedrijf[bewerken]

Gijsbrecht vertelt Badeloch dat de strijd om het stadhuis verloren is. Een bode vertelt dat ook het Clarissenklooster gevallen is; de Witte van Haemstede vermoordde alle nonnen en bisschop Gozewijn. De burgers vluchten naar het slot van de Van Aemstels. De bode spoort Gijsbrecht aan een tegenaanval te doen en daarna de brug af te breken. Men draagt de zwaargewonde Arend, Gijsbrechts broer, binnen die even later sterft. Trompetgeschal kondigt de komst van de Heer van Vooren aan, die de overgave eist. Gijsbrecht weigert en probeert Badeloch ertoe te bewegen met de kinderen per boot te vluchten. Badeloch wil niet: ze wil liever sterven dan haar echtgenoot achterlaten. Als Gijsbrecht woedend dreigt naar buiten te gaan, gehoorzaamt ze. Dan verschijnt de engel Rafaël. Hij vertelt uit naam van God dat allen moeten vluchten: 'Verlaet uw wettigh erf, en quel u nergens in". Gijsbrecht moet in Pruisen een Nieuw Holland stichten. Amsterdam is verloren gegaan. 'Nu' (in de vroege 14e eeuw) is het zinloos om te blijven vechten; over 300 jaar (ten tijde van de eerste voorstellingen) zal de stad uit haar as zijn herrezen.

Na de dialoog:

Helaes! hoe bitter valt
het scheiden van zijn land. daer alles loopt verloren!
De liefde tot zijn land is yeder aengeboren.
Verdelghe stad, wy gaen, en komen nimmer weer.

komt het spel tot een einde met Gijsbrechts slottekst:

Vaer wel, mijn Aemsterland: verwacht een andren heer.

De historische Gijsbrecht[bewerken]

Degeen die in 1304 Amsterdam gewapenderhand binnenviel (om de in 1296 verloren positie en bezittingen te herwinnen) was niet Gijsbrecht IV (1235-1303), maar diens zoon Jan I (1270-1345). Een aantal details in het toneelstuk is aantoonbaar onjuist. Wellicht beschikte Vondel over bronnen die later verloren zijn gegaan.

In het stuk wordt aangegeven dat de situatie waarin Gijsbrecht van Aemstel zich bevindt is ontstaan als gevolg van de verkrachting van Machteld van Woerden door graaf Floris V en de daaropvolgende doodslag op Floris door Gerard van Velzen. Vanuit een historisch perspectief gaat men er tegenwoordig van uit dat deze moord eerder werd ingegeven door politieke motieven en afgunst.

Opvoeringsgeschiedenis[bewerken]

Aanvankelijk werden alle rollen door mannelijke acteurs gespeeld. Ariana Nozeman (1626/1628 - 1661) was de eerste vrouwelijke Badeloch.

Als één der eerste gezaghebbende toneelleiders/regisseurs blies Willem Royaards de Gijsbrecht-traditie nieuw leven in. Zijn Gijsbrecht in 1912 was van grote betekenis voor het Nederlands toneel. In reactie op eerdere smakeloos realistische voorstellingen was zijn productie, in een eenvoudig decoratief toneelbeeld, gericht op de schoonheid van het vers. Zijn echtgenote Mevrouw Jácqueline Royaards-Sandberg, met haar "bijna vorstelijke verschijning” en “eenigszins zangerige voordracht” was zijn Badeloch. Alphons Diepenbrock componeerde de muziek. [8]

Gedurende de laatste jaren van de Eerste Wereldoorlog ensceneerde toneelhervormer Eduard Verkade voor de Amsterdamse Koninklijke Vereniging Het Nederlandsch Tooneel een vernieuwende Gijsbrecht. In Verkades versie voltrok de gewapende strijd om Amsterdam zich in de hem kenmerkende versoberende stijl, tegen de suggestieve, ruimtelijke decors van architect H.Th. Wijdeveld. Verkade speelde aanvankelijk de titelrol naast Theo Mann-Bouwmeester (Badeloch) en Louis Bouwmeester (de bode). Zijn latere enscenering (1924) met Albert van Dalsum in de titelrol oogstte veel lof maar ook de kritiek van toonaangevende critica Top Naeff. Na publicatie van haar bemerkingen over ‘de wijze van verzen zeggen (net of het geen verzen waren)’ werd haar de toegang tot de Schouwburg ontzegd.[9] Verkades Gijsbrecht in 1929 met Paul Huf in de titelrol speelde zich als een Mysteriespel af tegen een, op een Middeleeuwse triptiek geïnspireerd decor van Rie Cramer.

Na de Tweede Wereldoorlog waren de door van Dalsum geregisseerde voorstellingen door het Amsterdams Toneelgezelschap drukbezochte evenementen. Van 1948 tot 1954 ging de Gijsbrecht iedere Nieuwjaarsdag in de Amsterdamse Stadsschouwburg in première, in de maand januari gevolgd door een aantal voorstellingen in verschillende Nederlandse steden.

In de roerige jaren 60 en 70 van de vorige eeuw was er, ook in de toneelwereld, een strijd gaande tussen traditie en vernieuwing. Jongeren keerden zich tegen het establishment. De Gijsbrecht stond daarbij – als symbool van traditie – aan de verkeerde kant, verloor, moest opgeven en de stad verlaten. Het keerpunt kwam met de jeugdvoorstelling van de Gijsbrecht in de Rotterdamse Schouwburg in 1967. De voorstelling werd gestaakt omdat er gelachen en gefloten werd. De leraren van deze jongeren kwamen voor de jeugd op en beweerden zelf ook dat het een volstrekt statisch toneelbeeld was en dat de Gijsbrecht geen realistische opvatting bevatte. De opvoering van '68 zou voorlopig de laatste worden in een sinds 1641 onafgebroken reeks. De galapremière liep dat jaar in het honderd doordat van tevoren extra vervalste toegangskaarten waren verspreid. De Amsterdamse gemeenteraad besloot daarop de Nederlandse Comedie te verlossen van de aan subsidiëring verbonden plicht om elk jaar de Gijsbrecht ten tonele te voeren. Op nieuwjaarsdag 1969 stond De Spaanse Brabander van Bredero op de planken in plaats van de Gijsbrecht. De Aktie Tomaat heeft geen invloed gehad op het afbreken van de Gijsbrechttraditie. De eerste tomaten troffen pas in oktober 1969 De Storm van Shakespeare, ook van de Nederlandse Comedie.

In 1974/1975 speelde het toneelgezelschap het Publiekstheater de Gijsbrecht in een geactualiseerde bewerking van Guus Rekers, onder regie van René Lobo. In 'het jaar van de vrouw' (1975) kregen vrouwen een geëmancipeerde en belangrijke rol. Rafaëls tekst werd gesproken door de geest van Machteld van Velzen. Ook werd verwezen naar het 700-jarig bestaan van de stad Amsterdam. Guus Rekers was een actievoerder binnen de Aktie Tomaat.

Theatergroep Narcis bewerkte de Gijsbrecht grondig in 1983. Jan-Jaap Janssen deed de eindregie. In een “expressionistische” Gijsbrecht namen Hermi Hartjes, Johnny Kraaijkamp jr. en Wouter ten Pas alle rollen voor hun rekening. De voorstelling, waarin ernst en humor hand in hand gingen, brak rigoureus met de opvoeringstraditie. De taal van Vondel was vervangen door eigentijdse conversatie. Het woord werd omgezet in beeld. Het verhaal was tot een minimum beperkt en er stroomde bloed langs de tegelwanden. De engel Raphael kwam letterlijk uit de hemel vallen om de spelers ervan te overtuigen dat het maar eens afgelopen moest zijn met de heiligheid waarmee de Gijsbrecht-traditie omgeven was. Het werd tijd om de gruwelijkheden achter de tekst te tonen. “Met humor graag!” De pers was unaniem positief en het journaal besteedde op Nieuwjaarsdag aandacht aan deze “alternatieve Gysbreght”.

In zijn succesvolle enscenering van de Gijsbrecht in 1988 voor Het Nationale Toneel toonde regisseur Hans Croiset op het voortoneel scènes in een eigentijdse versie, op het achtertoneel zag men scènes in een stijl die verwees naar uitvoeringen uit vroeger tijden. Hij nam de reien meer op in de dramatische handeling. De derde en vierde rei werden gezegd door Badeloch, de kinderen van Gijsbrecht en andere belangrijke personages. De eerste twee reien werden gezegd door personages met een minder centrale rol.

In zijn Gijsbrecht voor Toneelgroep Amsterdam in 1991 ging de Haarlemse regisseur en decorontwerper Rieks Swarte op zoek naar Vondels liefdes: Peter Paul Rubens, Vergilius en Jacob van Campen. In de geheel door mannen gespeelde voorstelling belichtte hij de spelopvattingen van de 17e eeuw, de klassieke poses, zoals te zien in het 'schilder-boeck' van Carel van Mander en het emblemataboek van Cesare Ripa. Met een knipoog plaatste hij het barokdrama, als een opera met recitatieven en aria’s, in een sterk picturaal en historiserend kader, waarbinnen de Vlaamse acteurs speelden in een stijl waaruit al het psychologische realisme was verbannen.

De voorstellingen van de Gijsbrecht van Theater Nomade, in 2001 en 2008 onder regie van Ab Gietelink, waren toegespitst op de politieke situatie van die tijd. De vijanden in zijn voorstelling uit 2001 waren als Amerikaanse soldaten gestoken in gevechtstenue. De belegering van Amsterdam verwees naar steden als Jeruzalem en Bagdad of een land als Afghanistan, waar strijders de rechtvaardiging voor hun strijd zoeken in een religieuze overtuiging. Hij probeerde het proces van escalatie te laten zien, dat leidt tot oorlog. In Gietelinks voorstelling uit 2008 verwees hij naar Uruzgan en het Nederlandse aandeel in de strijd tegen de Taliban. Op projectieschermen werden historische oorlogsbeelden getoond. De traditionele 17e-eeuwse tekst was aangevuld met militaire en journalistieke termen.[10]

1 januari 2010 speelde het acteurscollectief 'De Warme Winkel', een eenmalige bewerking van de Gijsbrecht in het Amsterdamse Concertgebouw. Zich bewust van de haast onmogelijke opgave bracht regisseur Vincent Rietveld de speeltijd terug tot drie kwartier. Men gebruikte projectieschermen en toonde met groot respect voor Vondels taal de 'afscheidsscène' tussen Gijsbrecht en Badeloch. Geïnspireerd door publicaties van Ben Albach, liet men zich leiden door oude opnames en adviezen van de 82-jarige acteur en kostuumontwerper Herman van Elteren, die zo’n zeshonderd keer in het stuk speelde.

Op 1 januari 2012 ging in de Amsterdamse Stadsschouwburg de voorstelling in première van Het Toneel Speelt. De cast bestond onder anderen uit Mark Rietman (Gijsbrecht), Carine Crutzen (Badeloch), Marisa van Eyle, Daan Schuurmans en Paul Hoes. Regisseur Jaap Spijkers liet het verhaal van de belegering van de stad vertellen in een door Guus van Geffen vormgegeven stalen constructie en tegen een splijtend voordoek, waarop de beroemde oude plattegrond van Amsterdam van Cornelis Anthonisz. was afgebeeld. Bernadette Corstens stak een groot deel van de cast in overwegend zwarte en grijze kleding, die fel contrasteerde met de rode kostuums van de geestelijken. In de tekstbehandeling streefde men naar een heldere alledaagse nuchterheid. Drie van de vier reien werden vervangen door “gerichte gedichten” van Willem Jan Otten. Zo werd Vondels "O Kersnacht, schooner dan de daegen/Hoe kan Herodes 't licht verdraegen" in Ottens versificatie: "O Kerstnacht, het is nu/ het uur van bevallen, uw mama, Maria,/ is vol van ontsluiting". De speelduur was 1 uur en 50 minuten. Het succes maakte een extra Amsterdamse voorstelling noodzakelijk. In 2013 en 2014 ging de voorstelling in reprise.

Trivia[bewerken]

  • Het stuk is geschreven in de tijd dat Jan van Amstel, afstammeling van de hoofdpersoon, zich in Amsterdam vestigde. Hij woonde bij, en stond onder de bescherming van, Dieuwertje van Hellemont-Bicker. Vondel had goede contacten met de families van Hellemont en Bicker. Het stuk trekt mogelijk een parallel tussen historische gebeurtenissen en de actualiteit van dat moment; zoals de graaf van Holland zou ook de prins van Oranje Amsterdam belegeren en net zoals Van Aemstel zouden de Bickers gedwongen worden hun functies neer te leggen.
  • Historicus D.E.H. de Boer vond aanwijzingen, zij het geen sluitend bewijs, dat Gijsbrecht met enkele getrouwen betrokken zou zijn geweest bij de stichting van Pruisisch Holland (thans in het Pools Pasłęk genaamd), niet ver van Elbing (thans in het Pools Elbląg genaamd).
  • Gijsbrechts nakomelingen kwamen in Noordoost-Brabant terecht, waar nog vele Van Amstels wonen.
  • Op de plek waar de eerste stenen Amsterdamse Schouwburg in 1638 haar deuren opende, stond tussen 1617-1622 Samuel Costers Eerste Nederduytsche Academie, waar men zich naast de rederijkerij ook wijdde aan hoger onderwijs in de volkstaal.
  • Het van het Griekse woord 'theatron' afgeleide woord 'Schouwburg' werd door Vondel bedacht. De 'eigennaam' werd de populaire soortnaam.
  • Een eerste opvoering van de Gijsbrecht van Aemstel zou rond 1636 in aanwezigheid van staatsman Hugo Grotius hebben plaatsgevonden.[bron?]
  • Karel Porteman en Mieke B. Smits-Veldt beschrijven in Geschiedenis van de Nederlandse Literatuur Een nieuw vaderland voor de muzen waarom de Gijsbrecht deel is van de canon van de Nederlandse letterkunde. Zij schrijven dat het onduidelijk is of Vondel het openingsstuk van de Schouwburg in opdracht of op eigen initiatief schreef[11].
  • Vele kunsthistorici schreven en speculeerden over de raakvlakken in het werk en de levens van de tijdgenoten Rembrandt en Vondel[12]. In tekeningen van Rembrandt herkent men toneelspelers en personages uit het stuk[13].
  • In januari 1967 vond in de Rotterdamse schouwburg een schoolvoorstelling van de Gijsbrecht plaats, waar scholieren verplicht naar toe moesten. Er was zoveel keet en rumoer in de zaal, dat de stervende Arend, geleund in de armen van Gijsbrecht zich voor het laatst oprichtte en rechtstreeks tot de zaal de in de Gijsbrechttraditie unieke tekst sprak: ‘Mag ik effe rustig doodgaan alsjullieblieft?’ Enig geloei klonk op, maar veel aandacht trok hij zelfs met deze woorden niet.
  • Marco Prandoni schreef in 2007 zijn proefschrift 'Een mozaïek van stemmen. Verbeeldend lezen in Vondels Gysbreght van Aemstel'. De Italiaanse auteur vergeleek de Gijsbrecht met Vondels voorbeeld de 'Aeneis'. In dit epos over de ondergang van Troje laat Vergilius de Romeinen afstammen van de Trojanen.
  • Op de Gijsbrecht zijn meerdere parodieën en vervolgen geschreven, waaronder de musical De Engel van Amsterdam van Joop Stokkermans en Lennaert Nijgh (1975).
  • Verwijzingen naar Vondels Gijsbrecht van Aemstel zijn onder andere te vinden in de straatnamen van diverse Nederlandse gemeenten (zoals het Gijsbrecht van Aemstelpark in Amsterdam) en de scoutinggroep "Gijsbrecht van Aemstel".

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Vondel, Volledige dichtwerken en oorspronkelijk proza. Verzorgd door Albert Verweij. Opnieuw uitgegeven met een inleiding door Mieke B. Smits-Veldt en Marijke Spies. Becht, Amsterdam, 1986, Inleiding p. XXVIII. ISBN 90 230 06119
  2. Ibidem, Inleiding p. XXVI. ISBN 90 230 06119
  3. Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren. Gysbreght van Aemstel, inleidingen en aantekeningen Mieke B. Smits-Veldt, Amsterdam University Press, Amsterdam 1994. 'Vondel en het vaderlands verleden', noot 18; historisch beleg gesteld op 1304
  4. Ibidem, Vierde bedrijf vs. 1000, noot 6.
  5. Vondel, Volledige dichtwerken en oorspronkelijk proza. Verzorgd door Albert Verweij. Opnieuw uitgegeven met een inleiding door Mieke B. Smits-Veldt en Marijke Spies. Becht, Amsterdam, 1986, Inleiding p. XXIX, ISBN 90 230 06119.
  6. Ibidem, Inleiding p. XVII
  7. Albach, Ben, 'Drie eeuwen Gijsbreght van Aemstel. Kroniek van de jaarlijkse opvoeringen. N.V. Noord-Hollandsche Uitgeversmaatschappij, Amsterdam 1937/ DBNL pagina 29 en 130
  8. Ibidem, pagina 123
  9. ‘Eduard Verkade en zijn strijd voor een nieuw toneel’, Dr. E.F. Verkade-Cartier van Dissel. De Walburg Pers Zutphen. 1978 ISBN 90 6011 254 7
  10. Vussen, Peter van de, ‘De Gijsbrecht met video, techno en rap’ In: Utrechts Nieuwsblad, 14 augustus 2008
  11. Porteman, K.; M. Smits-Veldt. Nieuw vaderland voor de muzen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1560-1700. Amsterdam, Bert Bakker, 2008. Pagina 379
  12. http://www.dbnl.org/tekst/ster002oork01_01/ster002oork01_01_0011.php?q J.F.M. Sterck, Oorkonden over Vondel en zijn kring. N.V. Uitgevers-maatschappij, voorheen Paul Brand, Bussum 1918 vanaf pag. 287
  13. Zie: Rembrandts tekening De toneelspeler Willem Ruiter als bisschop Gozewijn in de kleedkamer. O. Benesch, I, 132 / zie DBNL: afbeelding pagina 45 in Karel Porteman: ‘Zeventiende-eeuwse dichters in last. “Op enen berg zo veer van huis”,. Dirk de Geest en Marc van Vaeck (red.), Brekende spiegels: beeldveranderingen in de Nederlandse literatuur. Leuven, 1992.