Gilde (beroepsgroep)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
In de Waag in Amsterdam waren verschillende gilden gehuisvest, die ieder hun eigen ingang hadden.

Een gilde was in de tijd van het Ancien Régime een belangenorganisatie van personen met hetzelfde beroep. In sommige delen van de Nederlanden sprak men van ambachten. Gilden en ambachten hebben vanaf de middeleeuwen tot eind 18e eeuw bestaan.

In een gilde werd kennis en ervaring uitgewisseld. Nieuwe gildeleden werden opgeleid in het vak. Na een gedegen opleiding kon een leerling erkend worden als vakman met de titel gezel en uiteindelijk de titel "meester" verkrijgen na het doen van de gilde- of meesterproef. Het gilde behartigde de belangen van de gildeleden, en beschermde hen. Vaak had een gilde het alleenrecht op het uitoefenen van het vak, wat leidde tot de zekerheid van kwaliteit van het werk, soms zelfs tot een monopolie.

Geschiedenis[bewerken]

De Romeinen kenden al een soort gilden, de zogenaamde collegia. Deze kunnen gezien worden als voorlopers van de gilden en waren bonden voor een bepaalde beroepsgroep waarbij men zich vrijwillig kon aansluiten wanneer men dat beroep deed. In tegenstelling tot de middeleeuwse gilden reguleerde deze niet de concurrentie tussen de leden. Dit gebeurde pas vanaf de middeleeuwen, rond de twaalfde en dertiende eeuw. Toen verdween ook het vrijwillige karakter van de gilden.

Een gilde had meestal een heilige als schutspatroon, voor de timmerlieden bijvoorbeeld was dat meestal Sint Jozef. In Rooms-katholieke streken onderhield een gilde een altaar in een van de parochiekerken, gewijd aan de patroonheilige, het zogenaamde gilde-altaar.

Bepaalde bevolkingsgroepen mochten geen lid van een gilde worden, zo werden onechte kinderen, horigen, Joden en doopsgezinden uitgesloten. Dit betekende dat veel beroepen in de middenstand voor hen uitgesloten waren. Zij waren zo gedwongen zich te beperken tot eenvoudiger werk of tot de (geld)handel.

Een groot maatschappelijk nadeel van de gilden was de corrumperende werking van het monopolie. De eeuwenoude werkwijzen mochten niet vernieuwd, laat staan veranderd worden. Iemand met vernieuwende ideeën moest dus ofwel lid worden van het gilde (en deze ideeën dus opgeven), ofwel een ander beroep kiezen. Landen als Frankrijk en Nederland raakten hierdoor in hun ontwikkeling in de 18e eeuw achterop vergeleken met Groot-Brittannië.

Organisatie van de gilden in de middeleeuwen[bewerken]

De Dordtse gevels in Dordrecht zijn gebouwd als meesterproef van het metselaarsgilde.
Gevelsteen van het Sint-Lucasgilde op de Waag in Amsterdam

Om de ambachtsgilden hun doelen te doen bereiken was een strakke organisatie nodig. Als een lid van het gilde zich niet aan de regels hield hadden alle leden hier last van. Wanneer de gilden de productiekosten naar beneden willen moesten alle leden meewerken om de lonen van medewerkers te verlagen en wanneer de gilden hun reputatie hoog wilden houden konden ze het niet veroorloven dat bepaalde leden kwalitatief slechte producten verkochten. Om deze reden bestonden er strenge regels bij de gilden.

Om de kwaliteit van de producten hoog te houden mocht iemand niet zomaar lid worden van een gilde. Een jongen (vrouwen verrichtten geen ambacht en werden geen lid van gilden) die een bepaald vak wilden uitvoeren ging op jonge leeftijd bij een gildemeester in de leer. Wanneer de meester de jongen geschikt vond werd hij na enige tijd benoemd tot gezel. De gezel werkte in loondienst voor de meester. Als de gezel goed genoeg was bevonden, kon deze na een periode, meestal tussen de vijf en negen jaar, een meesterproef afleggen. Hiermee kon de gezel bewijzen dat hij zijn vak beheerste. Pas wanneer de gezel hiervoor was geslaagd mocht hij zich meester noemen en mocht hij zijn eigen bedrijf beginnen.

Het proefstuk was in de gildebrieven vrij nauwkeurig omschreven. In De Waag in Amsterdam zijn nog de gildeproeven van de metselaars te bewonderen.[1] In Dordrecht bestond de meesterproef van het metselaarsgilde uit het bouwen van een Dordtse gevel, waarvan er nog ongeveer 50 in de stad te vinden zijn. In sommige gevallen was het verplicht voor een ambachtsman om lid te worden van een gilde en contributie te betalen, als hij een beroep uitoefende dat zijdelings met het betreffende gilde te maken had. Deze mensen werden aanwerpelingen of halve gildwinners genoemd.

De organisatiestructuur van de gilden verschilde onderling tussen de gilden. Vooral van grote succesvolle gilden is hun wijze van organisatie bekend omdat deze, in tegenstelling tot de kleine gilden, vaak documenten en geschriften bijhielden. De vergaderingen van een gilde werd een morgenspraak genoemd. De gildebroeders kwamen minimaal eenmaal per jaar bij elkaar en dan werden nieuwe leden toegelaten, nieuwe regels goedgekeurd of afgewezen en functionarissen gekozen. Beslissingen werden gewoonlijk genomen door meerderheid van stemmen door de gildemeesters. De gildefunctionarissen zorgden voor het dagelijks bestuur van het gilde en inspecteerden de bedrijven van de leden van het gilde om te zien of deze in orde waren. Ook zagen zij er op toe dat ieder lid contributie betaalde en of deze zich aan de productiequota hielden. Verder werden de financiën van het gilde beheerd door de hiervoor aangestelde functionarissen.

Maatschappelijke invloed van de gilden[bewerken]

Gilden hadden een grote invloed op het middeleeuwse stadsleven en vice versa. Hoe de verhoudingen lagen tussen gilde en stad verschilde van plaats tot plaats. Doorgaans was de regel dat een gildelid ook in de stad woonde. In Londen werd men als men lid was van een gilde meteen, of korte tijd later, een vrij man. In Nederland was het in een aantal steden, zoals Utrecht en 's-Hertogenbosch, verplicht om als stadsbewoner lid te worden van een gilde.

Het bestuur van de meeste steden, die in de middeleeuwen als de autoriteit fungeerden, hadden een grote invloed op de gilden. Op sommige plaatsen benoemde het stadsbestuur de functionarissen binnen een gilde. Op andere plaatsen waren gilden vrijwel geheel autonoom. Vaak moesten gilden de erkenning als een volwaardig zelfstandig orgaan afkopen bij de lokale of nationale autoriteiten.

De gilden hadden een maatschappelijke functie, afhankelijk van de locatie. In middeleeuws 's-Hertogenbosch voerden de gilden de taken van de brandweer uit. Ook waren de gilden vaak verantwoordelijk voor de bescherming van de stad. In Utrecht werden civiele milities opgericht die bestonden uit leden van de gilden. Verder deden gilden aan armenzorg, ook voor mensen buiten het gilde.

In sommige gebieden zorgden de gilden ook voor rechtspraak. In onder andere Antwerpen handelde de gilden handelsconflicten af. In Londen was de rechterlijke macht nog uitgebreider: hier werden ook familiekwesties vaak door de gilden afgehandeld.

Wanneer iemand lid werd van een gilde had dit grote invloed op zijn leven. Degene had niet alleen het recht om het beroep uit te oefenen van het gilde maar was ook verzekerd van een vorm van sociale zekerheid. Het gilde ondersteunden zijn leden wanneer ze door ziekte of ouderdom niet konden werken. Ook regelde het vaak de begrafenis van zijn leden en hun gezin. Leden van de gilden beoefenden hun religie ook vaak gezamenlijk.

Economische invloed van de gilden[bewerken]

De gilden hebben een grote invloed gehad op de economische ontwikkeling in Europa, zowel op lokaal als internationaal niveau. Er bestaan verschillende visies over hoe deze invloed beoordeeld moet worden. Onbetwist daarbij is het positieve effect van de strenge controle van gilden op de kwaliteit van producten.

Gilden bezaten eigendommen, die aan alle leden toebehoorden. Deze gezamenlijke eigendomsrechten kunnen als voorloper worden beschouwd van de individuele eigendomsrechten. De eigendommen, en zeker de revenuen daarvan, dienden echter als fondsen van waaruit de gildeleden en hun eventuele familieleden ondersteunt konden worden in geval van arbeidsongeval, ziekte of overlijden. De bijdrage die de gilden vanaf de middeleeuwen hebben geleverd aan het tot ontwikkeling komen van individuele eigendomsrechten kan gezien worden als een positieve bijdrage aan de economische en sociale ontwikkeling van Europa.

Een traditionele visie op de economische rol van de gilden gaat uit van het monopolie dat zij op het vervaardigen en verhandelen van bepaalde goederen zouden hebben gehad. Doordat de gilden het exclusieve recht hadden om de door hun geproduceerde goederen te verkopen, konden zij veel invloed uitoefenen op de markt. De gilden bepaalden de prijzen van hun producten en de hoeveelheden die geproduceerd werden. Als voordelen van dit monopolie kunnen genoemd worden: schaalvoordeel en risicospreiding voor de gildeleden. Wanneer een lid van de gilden in nood kwam werd hij geholpen door zijn medeleden. Het monopolie bracht echter ook nadelen met zich mee. Omdat er geen echte concurrentie tussen gildebroeders was, konden de prijzen van goederen hoog gehouden worden.

Volgens sommige economen en historici hebben gilden een negatieve bijdrage geleverd aan de economische ontwikkeling van Europa. Gilden waren in deze opvatting zeer conservatieve instellingen. Leden moesten zich voegen naar de binnen het gilde geldende denkbeelden. Vernieuwende ideeën kregen daardoor nauwelijks een kans, waardoor de modernisering van productiemethoden naar alle waarschijnlijkheid werd vertraagd. In Engeland was de invloed van de gilden in de achttiende eeuw al sterk verminderd, waardoor nieuwe uitvindingen op het gebied van mechanisatie en productieverbetering daar eerder werden toegepast. In delen van West-Europa (onder andere in Wallonië) leidde de opheffing van het gildesysteem in de Franse tijd tot snelle industrialisatie en economische vernieuwing in het begin van de negentiende eeuw. Het nog lang voortbestaan van de gilden in Oost-Europa wordt in die visie als een van de redenen aangevoerd voor de tragere industrialisatie daar.

De gilden regelden dus zaken als zieken-, wezen- en nabestaandenopvang en een fatsoenlijke levensstandaard voor hun leden. Al deze voorzieningen vielen weg toen de gilden werden opgeheven. In Nederland gebeurde dit voor het eerst in 1798 tijdens de Bataafse Republiek. In de jaren die daarna volgden werden de gilden verschillende keren afgeschaft en weer in ere hersteld. Tenslotte werden ze defintief afgeschaft door het net nieuwe Koninkrijk in 1818. In 1820 werd vervolgens een wet uitgevaardigd die regelde dat de resterende gildekassen en andere bezittingen van de gilden vervielen aan de stadsbesturen. Daarmee waren ambachtslieden en arbeiders op zichzelf aan gewezen, vakbonden werden als verkapte gilden beschouwd en waren tot in de vroege 20e eeuw verboden. Dit was een van de belangrijke redenen van het ontstaan van de sociale kwestie in de 19de eeuw.

Een modernere opvatting over de gilden is dat er nauwelijks sprake was van monopolie, aangezien binnen een gilde tientallen, soms honderden ambachtslieden actief waren, waardoor prijsafspraken amper mogelijk waren. Ook is gebleken dat gilden soms rechten verkochten aan niet-leden waardoor ook zij konden deelnemen aan handel en productie van goederen. Deze visie rekent af met het idee dat gilden uitsluitend als monopolistische samenzweerders moeten worden gezien.

Soorten gilden[bewerken]

Er bestonden verschillende soorten gilden zoals ambachtsgilden, handels- of koopmansgilden en schuttersgilden. Ambachtsgilden bestonden uit vaklieden die allen hetzelfde ambachtelijke vak uitvoerden, zoals:

Hedendaagse gilden[bewerken]

Gebouw van het Sint-Sebastiaansgilde in Brugge

Tegenwoordig hebben slechts weinig gilden nog de rol van het vroegere gilde. Het enige uit de middeleeuwen overgebleven gilde in Nederland is het Smedengilde van St. Eloy in Utrecht uit 1304. Een gilde dat nog een enigszins vergelijkbare rol met de middeleeuwse gilden heeft, is het Gilde van Vrijwillige Molenaars, het Gild Fryske Mounders en het Ambachtelijk Korenmolenaars Gilde. In Dwingeloo zetelt nog een gilde waarvan de leden zich bezighouden met de christelijke caritas. Dit gilde, met de naam Dye Ghyldebroeders van Zunte Antony (heden: Sint Anthoniusgilde), wordt al vermeld in oude documenten uit 1632. In België bestaat de wettelijk erkende beroepsvereniging Koninklijke Vrije Gilde der Meester-Schilders.

Met name in Zuid-Nederland en in België kent men nog de schuttersgilden, zoals het Sint-Sebastiaansgilde in Brugge en het Gilde Sint Dionysius in Tilburg. Ook de Sint Jorisgilde (schuttersgilden) waar geschoten wordt met de kruisboog op een afstand van 60 meter. Deze zijn voornamelijk gevestigd in de noorderkempen (Hoogstraten, Wortel, Meerle, Meer, Minderhout, Castelre en Loenhout) ook zijn er nog Sint Jorisgilden waar er op een afstand van 20 meter wordt geschoten.

Daarnaast bestaan er gildes die eerder als hobby-vereniging te kenmerken zijn. In zowel Nederland als België wordt de term "gilde" ook gebruikt voor koepelorganisaties van studentenverenigingen, zoals het Brabantse Gilde. Het studentendrinklied De gilde viert refereert aan deze gilden. Aan de Vrije Universiteit Brussel bestaat een folkloristische zangvereniging die zich de gilde Fratres et Sorores Coniuncti noemt.

De term gilde wordt wel gebruikt voor organisaties waarin "gewone mensen" kennis overdragen aan anderen. Zo bestaan er diverse gildes voor 50+'ers die hun kennis overdragen aan anderen (jong en oud). De kennis kan heel divers zijn, van advies over het aanleggen en onderhouden van een tuin, tot boekbinden. In het algemeen zijn dit vrijwilligersorganisaties. In Nederland zijn ze verenigd in de koepelorganisatie Gilde Nederland.

In de Verenigde Staten en andere Engelstalige landen worden sommige vakbonden ook wel guilds genoemd. De Directors Guild of America, Screen Actors Guild en Writers Guild of America bijvoorbeeld spelen een belangrijke rol in de filmindustrie van Hollywood. Naar Amerikaanse analogie wordt de Nederlandse beroepsvereniging voor regisseurs tevens Dutch Directors Guild genoemd.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Icoontje WikiWoordenboek Zoek gilde op in het WikiWoordenboek.
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Haslinghuis, E.J. en Janse, H. (2005) Bouwkundige termen. Leiden: Primavera Pers.