Gilles Johannes Verstege

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gilles Johannes Verstege
Gilles Johannes Verstege
Gilles Johannes Verstege
Geboren 22 september 1865
Weltevreden
Overleden 19 september 1931
Zwolle
Land/partij Vlag van Nederland Nederland
Onderdeel Indisch leger
Dienstjaren 27
Rang Luitenant-kolonel
Eenheid Infanterie
Slagen/oorlogen Onder meer diverse perioden tijdens de Atjehoorlog, expeditie naar Boni in 1905
Onderscheidingen Militaire Willemsorde vierde klasse, Eresabel en een eervolle vermelding
Portaal  Portaalicoon   KNIL

Gilles Johannes Verstege (Weltevreden, 22 september 1865 - Zwolle, 19 september 1931) was een Nederlands luitenant-kolonel der infanterie van het Indische leger, ridder in de Militaire Willems-Orde en begiftigd met de Eresabel.

Loopbaan[bewerken]

Verstege volgde de Koninklijke Militaire Academie en werd op 25 juli 1889 benoemd tot tweede luitenant der infanterie bij het leger in Nederlands-Indië. Hij vertrok op 14 september 1889, samen met kapitein I. Beets en tweede luitenant L. Verstege met de Prins Frederik naar Indië, met aan boord een detachement suppletietroepen van 3 onderofficieren en 30 minderen. In 1890 kreeg hij een verlof van een maand naar Soekaboemi tot herstel van zijn gezondheid. In juni 1891 werd Verstege overgeplaatst van het tiende bataljon infanterie te Batavia bij de garnizoenscompagnie van Banka. Hij werd op 30 december 1893 bevorderd tot eerste luitenant en in juni 1895 overgeplaatst bij het tweede depot-bataljon. Verstege werd ingedeeld bij het zevende bataljon (commandant: E.C. van der Heijden, mei 1896) en embarkeerde op 27 april te Semarang. Hij nam toen deel aan de krijgsverrichtingen tegen de vesting van Toekoe Oemar.

Verrichtingen te Atjeh[bewerken]

Gilles Johannes Verstege als eerste luitenant

Toen de troepen te Lam Tengah aankwamen werd overal op de tongtong geslagen, werden de loopgraven door de Atjehnezen bezet en kreeg de colonne van alle kanten vuur. Het terrein werd voet voor voet veroverd, de loopgraven werden veroverd en Lam Tengah kwam in het bezit van de Nederlandse troepen. Vervolgens werd Lam Majang na een korte strijd veroverd. Hierna werd in zuidelijke richting overgestoken naar Lam Isi; in de rand en in het midden van deze kampong waren overal versterkingen aangelegd, waaronder zeer goed aangelegde bentings, die tot het uiterste verdedigd werden. Hier kreeg de sectie bergartillerie het zwaar te verduren. Ondanks het hevige vuur van de dekking en van haarzelf drong de vijand meer en meer op, totdat kapitein Drijber, commandant van de compagnie koloniale reserve, door een beleidvolle manoeuvre de vijand van drie kanten wist in te sluiten en er toen met de bajonet op in ging. Eerste luitenant Thomson was de eerste die versterking binnendrong; de vijand verliet al spoedig zijn overige stellingen en Lam Isi kwam in Nederlandse handen. De colonne had het zwaar te verduren gehad: het had vijf officieren en ruim 80 minderen verloren. Kapitein Kramer sneuvelde door een schot in de borst, kapitein Adama van Scheltema werd gewond door een schot in de schouder, luitenant Scheepens kreeg een schot door de rechterarm die in de borst doordrong, luitenant van Hasselt kreeg een schot door de hiel en luitenant Brunsting een schot door de rechterarm.

Het negende bataljon ging nu vooruit en het zevende bataljon bleef voorlopig in reserve te Lamdjamoe, maar moest vrij spoedig ter ondersteuning oprukken. Na een hevig artillerie- en infanterievuur werd op een afstand van ruim 200 meter van de vijandelijke stelling tot de stormaanval overgegaan. Vanuit het verhoogde schilderhuis te Lamdjamoe, waarin de regeringscommissaris met de staf zich had opgesteld, zag men een officier, direct gevolgd door een hoornblazer, zijn soldaten het goede voorbeeld geven. Deze officier viel, stond weer op en viel uiteindelijk als eerste de versterking binnen. Generaal Deykerhoff wilde weten wie deze officier was en dat bleek Verstege te zijn, waarop Deykerhoff zei: Bravo, Gilles, deze keer hebt u niet geslapen! Na een kort vuurgevecht was nu Lam Assan geheel in Nederlandse macht. Het werd gedurende de nacht door enige compagnieën van het negende en zevende bataljon bezet, terwijl de overige troepen naar huis gingen.[1] Verstege werd bij Koninklijk Besluit van 24 mei 1897 nummer 59 benoemd tot ridder in de Militaire Willems-Orde voor zijn verrichtingen te Atjeh in de maanden maart tot en met november 1896.

Latere loopbaan[bewerken]

Vroeger hoofdkwartier Indrapoeri te Atjeh

Verstege werd vervolgens van Atjeh afgelost en overgeplaatst bij het tweede bataljon. Op 21 maart 1900 vertrok hij voor verlof naar Nederland met de Burgemeester den Tex, waar hij werd toegevoegd aan het detachement der koloniale reserve dat van 4 tot 9 februari 1901 garnizoensdienst zou doen te Den Haag. Het jaar daarop (10 mei) vertrok hij met het dubbelschroefstoomschip Goentoer weer naar Indië, waar hij geplaatst werd bij het elfde bataljon en op 10 september van dat jaar tot kapitein benoemd werd. In november 1903 werd Verstege overgeplaatst bij het tweede bataljon te Djambi, waarheen hij vertrok per stoomschip Japara. Voor zijn verrichtingen tijdens de expeditie gedurende het tweede gedeelte van 1904 werd Verstege bij Koninklijk Besluit van 15 november 1905 nummer 61 begiftigd met de Eresabel.

In december 1905 stond sergeant-majoor E. terecht op de beschuldiging dat hij misbruik had gemaakt van de door Verstege aan hem toevertrouwde gelden en die ten eigen bate en ten nadele van het Indische gouvernement had aangewend, dus verduisterd. Daarnaast werd hij ervan beschuldigd ook andere gelden verduisterd te hebben. Na beraadslaging verklaarde de Krijgsraad de beklaagde schuldig aan misbruik van vertrouwen, drie keer gepleegd en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van negen maanden, vergelijkbaar met militaire detentie van gelijke duur en degradatie.[2] In november dat jaar was Verstege benoemd tot militair commandant van Banka. In mei 1906 werd hij hiervan eervol ontheven en overgeplaatst bij het vierde bataljon marechaussee-compagnie te Celebes (Paré Paré). In oktober van datzelfde jaar werd hij naar het zesde bataljon, later het negentiende aldaar overgeplaatst; in deze tijd viel ook de expeditie naar Boni, waaraan hij deelnam.

Verschillende krijgsverrichtingen[bewerken]

Een colonne, onder commando van Verstege, nam de Allah-stellingen op 13 maart 1907, dankzij het schieten van de artillerie en de voortvarendheid der marechaussees. De buit bedroeg 65 geweren, veel munitie en leeftocht. Verstege, die na een insluiting van een maand, de rotsstellingen stormenderhand nam, had eerder het commando van de marechaussee-compagnie moeten afstaan aan toenmalig luitenant Christoffel, Dat gebeurde op hoger bevel en zonder dat men Verstege voldoende de tijd had gelaten om zijn taak, de gevangenname van de radja van Gowa, tot een goed einde te brengen. Zijn opvolger kreeg al dadelijk een veel grotere vrijheid van handelen. Door zijn huidige overwinning kon Verstege laten zien dat deze opvolging in sommige opzichten onterecht was geweest. Verstege meldde dat de vijandelijke stellingen waren genomen dankzij het schieten van de artillerie en de voortvarendheid der marechaussees; hierbij gaf hij aan anderen de eer van het wapenfeit, terwijl bekend was dat zijn persoonlijk aandeel niet gering was geweest.[3] Bij Koninklijk Besluit van 20 juli 1908 nummer 68 werd hij inzake zijn gedrag tijdens de krijgsverrichtingen op Celebes gedurende het eerste halfjaar van 1907 eervol vermeld.

In 1908 werd Verstege geëvacueerd van Celebes naar Soerabaja, ter nadere indeling overgeplaatst bij het subsistentenkader aldaar en overgeplaatst bij het achttiende bataljon. Op 8 september 1909 werden troepen aan boord van de Van den Bosch naar Bali gezonden met het oog op de bestuurswisseling te Karang Asem. De derde compagnie hiervan stond onder commando van Verstege. In december 1909 werd hij overgeplaatst bij het elfde bataljon en het jaar daarop bevorderd tot majoor (26 oktober 1910). Hij werd weer ingedeeld bij de troepenmacht op Celebes, bij het negentiende bataljon, korpsgedeelte te Paré Paré. In december 1910 werd hij overgeplaatst bij het eerste bataljon en in 1912 verkreeg hij wegens negen jaar onafgebroken dienst een verlof van 11 maanden naar Europa (wat later met zes maanden werd verlengd). Op 20 september 1913 keerde Verstege per Goentoer naar Nederlands-Indië terug, waar hij op 22 oktober datzelfde jaar werd bevorderd tot luitenant-kolonel en geplaatst bij het 21ste bataljon. In februari 1915 werd hij overgeplaatst bij de troepenmacht te Atjeh en datzelfde jaar (27 maart) nog benoemd tot commandant te Kota Radja (in verband daarmee gevoerd à la suite van zijn wapen). Met ingang van 3 oktober 1916 vroeg en verkreeg Verstege eervol ontslag wegens volbrachte diensttijd en vertrok per Oranje naar Nederland.

In Nederland was Verstege in 1919 belast met het bevel over zijn landweerdistrict. Hij overleed in 1931 en werd gecremeerd te Westerveld.[4] Hij was ridder in de Militaire Willems-Orde, bezitter van de Eresabel, in het bezit van een eervolle vermelding, droeg het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven met de gespen Atjeh 1896, Djambi 1903, midden-Sumatra 1903-1909 en zuid-Celebes 1905-1908 en het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier met het cijfer XXVII.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. De Amsterdammer (11-07-1896)
  2. Het Nieuws van de Dag voor Nederlands-Indië (06-12-1905)
  3. Het Nieuws van de Dag (18-04-1907)
  4. Verassing oud-luitenant-kolonel Verstege. Het Vaderland (24-09-1931)