Gilles van Leedenberch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gilles van Leedenberch

Gilles van Leedenberch[1] (circa 1550Den Haag, 28 september 1618) was raadpensionaris van de Staten van Utrecht. Hij was een nauw bondgenoot van Johan van Oldenbarnevelt.

Gilles van Leedenberch kwam uit een eenvoudig gezin: zijn vader was metselaar. Hij werd katholiek opgevoed, maar sloot zich na de Beeldenstorm aan bij de Calvinisten.

In 1588 werd hij raadpensionaris van de Staten van Utrecht. Inmiddels had hij zich, door drie huwelijken met rijke vrouwen, op de maatschappelijke ladder omhoog gewerkt. Bij het volk was hij niet populair: zijn bijnaam was Paus van Utrecht. Gedurende de Tachtigjarige Oorlog, waarin gevochten werd tegen de katholieke Spanjaarden, was dat niet bepaald een compliment.

Gilles van Leedenberch koos consequent partij voor Johan van Oldenbarnevelt in diens conflict met prins Maurits. Om deze reden werd hij, evenals Hugo de Groot, eind augustus als medeplichtige gearresteerd op verdenking van hoogverraad. Volgens Jan Wagenaar (historicus) zijn zij beschuldigd van landverraad en handel met Spanje. Zijn grootste angst was dat zijn goederen bij een veroordeling verbeurd zouden worden verklaard. Om dit te voorkomen pleegde hij nog voor de ondervraging was begonnen in de nacht van 28 september op 29 september 1618 met een broodmes zelfmoord in zijn cel. Zijn zoon Joost, die ook in de gevangenis verbleef, om zijn vader te ondersteunen eiste het lijk op maar kreeg geen toestemming.[2]

Op 12 mei 1619 werd hij postuum ter dood veroordeeld. Zijn doodskist met lichaam werd aan een galg opgehangen. Later werd hij in het geheim begraven in de kapel van het Slot Zuylen bij Utrecht.[bron?]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Zowel voor- als achternaam kennen verschillende spellingen in allerlei bronnen: Gielis, Gillis, Gilles en Van Ledenberch, Ledenberg, Ledenbergh, Leedenberch, Leedenberg
  2. Wagenaar, J. Vaderlandsche Historie vervattende de geschiedenissen der nu Vereenigde Nederlanden, deel X, p. 289-293.