Gloeikousje

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een Petromax-lamp met gloeikousje (wit)

Een gloeikousje is een kousje (netje) gemaakt van een materiaal dat bij verhitting helder wit oplicht. Het wordt gebruikt om het licht van een gaslamp, dat normaal vrij geel is en veel (onzichtbaar) infrarood licht bevat, witter te maken en de bruikbare lichtopbrengst te vergroten. Het kousje werd veel toegepast bij gasverlichting in steden, maar tegenwoordig vooral in kampeerlampen en petroleumlampen.

Werking[bewerken]

Een gloeikousje bevat bepaalde metaaloxiden die bij verhitting veel licht in het zichtbare spectrum uitstralen en weinig infrarood. Hiervoor worden oxiden van lanthaniden en de chemisch enigszins verwante actiniden gebruikt, zoals cerium en thorium. Het kousje bestaat uit een netwerkje van synthetische vezels, verzadigd met de gebruikte metaaloxiden. Bij de eerste maal verhitten, branden de vezels weg en blijft er een "netje" van metaaloxiden achter.

Geschiedenis[bewerken]

De eerste "moderne" gloeikous werd ontwikkeld door de scheikundige Carl Auer von Welsbach, een student van Robert Bunsen. Hij ontdekte dat thorium effectiever was dan de tot dan toe gangbare materialen, en in 1891 kwam hij met een mengsel van 99% thoriumdioxide en 1% ceriumdioxide. Dit werd een commercieel succes en bleef tot ver in de twintigste eeuw in gebruik in straatverlichting totdat elektrisch licht de gasverlichting verdrong. Tegenwoordig wordt het voornamelijk nog toegepast in kampeerlampen en kerosinelampen.

Radioactiviteit[bewerken]

In de natuur voorkomend thorium is licht radioactief. De blootstelling van een gebruiker aan een lamp brengt bij normaal gebruik echter geen noemenswaardige risico's met zich mee. Het totale jaarlijkse dosisequivalent voor één persoon komt (bij twee uur per dag gedurende één week per jaar) uit op ongeveer 0,1 mSv, iets meer dan 5% van het gemiddelde jaarlijkse dosisequivalent ten gevolge van achtergrondstraling.[1] Het gebruik van thorium leidt echter wel tot verhoogde blootstelling aan straling voor fabrieksarbeiders en tot vervuiling van de grond rond (voormalige) fabrieken. Het grootste gevaar is dat men zijn handen niet wast na het aanraken van een gloeikousje. Als men de stof thorium namelijk binnenkrijgt spreken we van radioactieve besmetting. De kans op vormen van kanker worden dan aanzienlijk hoger. Om deze redenen is men in een aantal landen overgestapt op alternatieven, zoals yttriumoxide of zirkoniumoxide. In Nederland is de handel in thoriumhoudende gloeikousjes sinds 2002 verboden.[2]

Gebruik[bewerken]

Mobiel wordt het kousje gebruikt in benzine- of petroleumvergassers, zoals de Tilley, Coleman en Petromax lampen. De vloeibare brandstof moet eerst worden omgezet in gasvorm. Dat gebeurt door de aanvoerbuis van de vloeistof te verhitten door de brandende lamp zelf. Het opstarten gebeurt door middel van een brandend bakje met spiritus of door de op druk gebrachte brandstof te vernevelen. Mobiel is een gebruikt kousje zeer kwetsbaar, het is niets meer dan as. De lamp is derhalve zeer gevoelig voor schokken.

Referenties[bewerken]

  1. Huyskens et al., Dose estimates for exposure to radioactivity in gas mantles, Science of the total environment, vol. 45 (1985) pp. 157–164.
  2. Besluit stralingsbescherming, artikel 4 (2001), Regeling bekendmaking rechtvaardiging gebruik van ioniserende straling, bijlage 2 (2002).

Externe link[bewerken]