Glossolalie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Esculaap     Neem het voorbehoud bij medische informatie in acht.
Raadpleeg bij gezondheidsklachten een arts.

Glossolalie of glossolalia is een ongebruikelijk spraakgedrag, ook wel klanktaal of tongentaal genoemd. Het woord is afkomstig van het Griekse γλωσσα (glossa - taal, tong) en λαλειν (lalein - spreken). De gebruikte woorden zijn voor buitenstaanders onbegrijpelijk en hebben geen overeenkomst met een bestaande taal. Er is in dat geval geen sprake van een syntaxis, maar er is wel een bepaalde fonetische structuur die taalgebonden lijkt te zijn. Een Chinese glossolalist zal bijvoorbeeld een ander klankspectrum gebruiken dan een Engelse. De glossolalist beschouwt zijn glossolalie over het algemeen wel als een communicatieve uiting.

Geschiedenis[bewerken]

Hoewel glossolalie kan voorkomen bij psychotische aandoeningen als schizofrenie, heeft het verschijnsel voornamelijk religieuze connotaties. Verondersteld wordt dat de Pythia van Delphi zich van glossolalie bediende. Het verschijnsel komt verder onder andere voor bij de Inuit, Saami, verschillende sjamaanse culturen en in de voodoo-cultuur. Ook in het christendom komt er binnen een aantal groeperingen en kerken (vooral die van de pinkster- en charismatische beweging) glossolalie voor die men kan aanduiden als christelijke glossolalie.

De oudst bekende (vermoedelijke) optekening van glossolalie is te vinden in een van de gnostische geschriften die gevonden zijn in Nag Hammadi. Een deel van de tekst luidt:

Een verborgen, onzichtbaar mysterie kwam tot uiting:
iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii EEEEEEEEEEEEEEEEEEEEEE oooooooooooooooooooooo
uuuuuuuuuuuuuuuuuuuuuu eeeeeeeeeeeeeeeeeeeeee aaaaaaaaaaaaaaaaaaaaaa
OOOOOOOOOOOOOOOOOOOOOO

Het eerste psychologische onderzoek naar het verschijnsel werd rond 1900 gedaan door Théodore Flournoy aan de hand van de astrale talen van Hélène Smith, de zieneres van Genève. In 1927 verscheen het boek Speaking with tongues; historically and psychologically considered van G.B. Cutten, dat jarenlang als standaardwerk gold. Cutten legde een verband tussen glossolalie, schizofrenie en hysterie.

De linguïst Roman Jakobson onderzocht de glossolalie bij een sekte in Rusland en registreerde de klankverschuivingen in de bezweringsformules (zie b.v. Yaguello, 1984).

John Kildahl beschreef het verschijnsel in 1972 echter vanuit een ander psychologisch perspectief (The Psychology of Speaking in Tongues). Hij constateerde dat glossolalie niet noodzakelijk een uiting van een psychische aandoening is en dat glossalisten minder last van stress hebben. Wel hebben glossalisten volgens Kildahl meer behoefte aan autoriteitsfiguren en hebben vaker een crisis in hun leven doorgemaakt dan de controlegroep.

Nicholas Spanos beschreef glossolalie als een verschijnsel dat aangeleerd kan worden en waarvoor geen trance is vereist (Glossolalia as Learned Behavior: An Experimental Demonstration, 1987).

Tongentaal in het christendom[bewerken]

In het Nieuwe Testament is het de vertaling voor het oud-Griekse woord glõssa (tong, taal [met name niet op natuurlijke wijze verkregen]).

De opvattingen over de betekenis en het belang van het spreken in tongen zijn binnen de christelijke wereld zeer verdeeld. Waar sommigen de opvatting hebben dat het een duivels fenomeen is waarvoor moet worden gewaarschuwd, spreken anderen van de Bijbelse teksten die over het spreken in tongen leren. Daarnaast zijn er velen die van mening zijn dat niet ieder christen in tongen kan spreken en anderen dat dit bij iedere christen wel het geval zou moeten zijn.

In de Bijbel is het spreken in tongen vermeld als één van de 'Gaven van de Geest' en tevens de enige, uiterlijk waarneembare gave. Toen Jezus de herkenningspunten noemde van een gelovige (Marcus 16), was het 'spreken in nieuwe tongen' het tweede genoemde herkenningspunt. De eerste uiting ervan is vastgelegd in het boek van de Handelingen 2, waarin allen die de Heilige Geest ontvingen "...begonnen te spreken zoals de Geest hen gaf uit te spreken.". Het spreken in tongen is later door onder andere Petrus gebruikt als herkenningspunt voor het ontvangen van de Heilige Geest (Handelingen 10:44). Paulus beschrijft het doel en het correcte gebruik van het spreken in tongen uit in twee van zijn zendbrieven (Romeinen 8 en 1 Korintiërs 12 en 14).

De functies zijn:

  1. Herkennen en kunnen bevestigen van het ontvangen van de Heilige Geest (Marcus 16, Handelingen 10, etc.).
  2. Gebedstaal door de Heilige Geest om te bidden tot God en het sterken van de relatie met God (Romeinen 8:26 en Judas 20).
  3. Gebruik tijdens een kerkelijke bijeenkomst (1 Korintiërs 14).

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Literatuur[bewerken]