Goa Gajah

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Ingang van de grot

Goa Gajah, ook wel Olifantsgrot genoemd, ligt ten oosten van Peliatan vlak bij Ubud in het midden van Bali. Goa Gajah dateert uit de 11e eeuw en is in 1922 ontdekt.

De ingang van de grot bestaat uit een soort monsterlijk wezen met wijd open mond. De grot heeft een 13 meter lange gang die uitkomt op een T-splitsing. Aan het uiteinde van de linkergang staat een beeld (1 m hoog) van Ganesha met vier armen (de hindoegod met de olifantenkop). In de andere gang staan drie linga, die de manifestaties van Shiva voorstellen. Vlak voor de ingang staat een beeld van de boeddhistische godin Hariti.

De vroegst bekende schriftelijke mededeling over het bestaan van de Goa Gajah (oude spelling Goa Gadja) is van de hand van L.C. Heyting, destijds controleur van het Nederlandsch-Indische Gouvernement op Bali. Dat bericht werd vermeld in het verslag van de Oudheidkundige Dienst van 1923. Omdat de monsterkop boven ingang van de grot stuk was zag hij die aan voor een olifant. Over het inwendige deed hij geen mededelingen. Op 13 juni 1925 bezocht W.O.J. Nieuwenkamp (kunstenaar, zie wojnieuwenkamp.nl) als eerste westerse mens het inwendige. De Baliërs die in de omgeving leefden, schreef hij, durfden de grot niet te betreden. Nieuwenkamp vond in de grot drie linga's en een beeld van Ganesha. De zwaar beschadigde de kop boven de ingang,(een gedeelte met de neus was afgebroken en lag tussen de puinbrokken voor de grot) kon volgens hem geen olifant zijn. Er stonden toen een viertal spuiers en nog enkele andere beelden voor de grot opgesteld, waaruit Nieuwenkamp de conclusie trok dat er een badplaats in de buurt geweest moest zijn. Van die badplaats was echter niets zichtbaar. Nieuwenkamp tekende het uit- en inwendige van de grot en nam deel aan het herstel van de monsterkop. In 1926 schreef hij een geïllustreerd verslag over zijn eerste bezoek aan de Goa Gajah in het tijdschrift Nederlandsch-Indië, Oud & Nieuw, aflevering 11, maart 1926. Later, op 21 februari 1937 bij een hernieuwd bezoek tekende hij het herstelde uiterlijk.

Tegenover de grot ligt een fontein met zes vrouwenbeelden. Deze werd pas in 1954 blootgelegd door de archeoloog J.C. Krijgsman. Langs de grot loopt de rivier de Petanu.

Opvallend is de mengelmoes van hindoeïstische en boeddhistische elementen. Rond het jaar duizend moet de grot al gebruikt zijn door hindoes; waarschijnlijk daarvoor door boeddhisten.