God (jodendom)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Het artikel God (monotheïsme) behandelt een meer algemeen godsbegrip

God in het jodendom is een begrip van absolute eenheid. Het jodendom beschouwt God als het absolute één - ondeelbaar, en de ultieme vorm van het begrip 'één'. In het jodendom wordt God met יהוה (jod-hee-vav-hee - JHWH) aangeduid.

Aard van God in het jodendom[bewerken]

God wordt beschouwd als almachtig. Op God zijn volgens het jodendom aardse begrippen van welke vorm dan ook niet van toepassing. God heeft geen einde en geen begin, geen vorm en geen geslacht, en de benamingen die wij voor God gebruiken worden gezien als zinnebeeldig: er is geen enkel begrip in welke aan de mens bekende taal dan ook dat God correct omschrijft.

Het jodendom verbiedt het maken van afbeeldingen die God zouden moeten voorstellen ten strengste en beschouwt dit als ketterij. Gebed dient enkel direct aan God gericht te zijn, en niet aan een tussenpersoon. Wel is er in het jodendom veelvuldig sprake van gebed (met name in de vorm van Psalmen zeggen) bij de rustplaatsen van grote rabbijnen, waarbij echter enkel tot God gebeden wordt en niet tot de overleden rabbijn; men gelooft dat door het bidden bij de rustplaats van de grote rabbijnen God hen gunstiger zal beoordelen.

Joodse filosofie[bewerken]

Joodse filosofen hebben verschillende theorieën over het gebruik en de betekenis van het begrip en concept 'God' geformuleerd. Wat door een filosoof als aanvaardbaar en van wezenlijk belang wordt gezien, kan door sommige gelovigen als ketters worden beschouwd. Zo werd Maimonides in zijn tijd door zijn tijdgenoten gezien als dicht bij ketterij komende, en zijn er grote verschillen tussen bijvoorbeeld de rationalistische en de kabbalistische filosofen.

Boeken die het begrip 'God' in het jodendom omschrijven zijn o.a.:

Andere belangrijke joodse filosofen die de betekenis van het begrip 'God' bestudeerden en verklaarden zijn o.a. rabbijn Schneur Zalman van Liadi, de eerste rebbe van Chabad-Lubavitch; de Rambam (Maimonides); rabbijn Yitzchak ben Luria (de AriZal) en vele anderen.

Maimonides stelde dat het niet mogelijk is om bevestigende uitspraken over God te doen ofwel eigenschappen aan hem te toe te schrijven, maar slechts het tegendeel te ontkennen. Hij vond dus bijvoorbeeld dat men niet kan zeggen "God is groot" maar wel "God is niet klein".

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • Derech Hashem, rabbijn Moshe Chaim Luzzato
  • Chovot HaLevavot, rabbijn Bachya ben Josef ibn Paquda
  • Likutei Amarim - Tanya, rabbijn Schneur Zalman van Liadi
  • Shomer Emunim, rabbijn Aharon Roth