Gog en Magog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een Perzische miniatuur, Alexander de Grote bouwt met de hulp van djinns, de ijzeren poort om de barbaarse volkeren weg te houden van de beschaafde wereld.

Gog en Magog zijn in de eerste betekenis een persoon en een land genoemd in de Hebreeuwse Bijbel in het Bijbelboek Ezechiël 38. Gog is de heerser van het land Magog die de uiteindelijke strijd zal voeren tegen het volk van God. In het Nieuwe Testament worden in de Openbaring van Johannes 20:8 Gog en Magog genoemd als twee landen onder de heerschappij van Satan. En uiteindelijk zijn Gog en Magog twee beelden van reuzen die zich bevinden in de Guildhall in Londen en die teruggaan op de mythische verhalen over het ontstaan van Brittannië.

Etymologie[bewerken]

Er zijn pogingen gedaan om Gog en Magog op etymologische basis aan een of ander toe te wijzen. Men heeft gedacht aan een afleiding van het Sumerische Gug, aan een godheid Gaga en daarnaast nog aan enkele andere mogelijkheden die telkens gebaseerd zijn op het voorkomen van gelijkaardige medeklinkers. Volgens Lust[1] kan geen enkele van die etymologische afleidingen een ernstig kritisch onderzoek doorstaan. Ook de pogingen om Gog te vereenzelvigen met een historisch persoon zoals bijvoorbeeld Gyges van Lydië of Gâgi uit de annalen van Assurbanipal zijn pure hypotheses. In Ezechiël kan men lezen dat Gog een alliantie had met de Cimmeriërs terwijl Gyges oorlog voerde met dat volk.[1]

Of Gog is afgeleid van Magog of omgekeerd en of er reële of mythologische figuren of landen mee bedoeld werden blijkt dus tot op heden onmogelijk met zekerheid af te leiden. Boe stelt vast dat al vanaf de tweede eeuw v.Chr. Gog en Magog dezelfde lading dekten.[2]

Teksten die Gog en Magog vernoemen[bewerken]

De Bijbel en de Tenach[bewerken]

De eerste vermelding in de Bijbel en de Tenach is te vinden in de zogenoemde genealogie van de volkeren in Genesis 10:2, waar Magog genoemd wordt als een van de zeven zonen van Japhet. Hij wordt genoemd tussen Gomer en Madai waaruit men afleidt dat het woongebied van zijn nakomelingen ook tussen de gebieden van Gomer en Madai lagen. Gomer werd geassocieerd met de Cimmeriërs die ten noorden van de Zwarte Zee tussen Don en Donau zouden geleefd hebben. De Cimmeriërs trokken vanuit de Krim over de Kaukasus naar het zuiden en bedreigden Klein-Azië en Assyrië, maar werden weggedrongen naar het westen. Ze trokken door Klein-Azië en versloegen het Phrygische rijk. De nakomelingen van Madai worden geassocieerd met de Meden en de Ariërs in Indië. Magog werd op die manier geassocieerd met het meest noordelijke deel van de toen gekende wereld.

Al voor de Babylonische ballingschap waren er apocalyptische profetieën terug te vinden in het Oude Testament (de Tenach) bij Amos (2:4-6:14), Jesaja (24:1-27:13) en Jeremia (1:14-16 en 4 tot 6) met vijanden die van het noorden kwamen namelijk Assyrië en Babylonië. In de tijd van de ballingschap neemt dit soort profetieën in aantal toe vooral met Zacharias en Joel. Het is Ezechiël die met zijn profetie over het einde der tijden en het gebruik van Gog van Magog als beeld van de vijandige heidense naties, de basis zal leggen voor het latere joodse, christelijke en islamitische eschatologische denken. Het boek van Ezechiël levert al de nodige ingrediënten: een barbaars volk van het verre noorden, vijand van de mensen en van God die op het einde der tijden hun rol zullen spelen in de vernieling van de wereld. Het kwam er nu nog vooral op aan die vijand te identificeren.[3]

De Sibillijnse orakels[bewerken]

De Sibillijnse orakels is een serie van geschriften (12 boeken zijn bewaard gebleven) van verschillende auteurs met zeer diverse onderwerpen die ontstaan zijn tussen de 2e eeuw v.Chr. en de 6e eeuw. Verschillende delen ervan zijn geschreven door Joodse en Christelijke auteurs. Het totaal is een pastiche van Griekse en Romeinse mythologie, motieven van Homerus en Hesiodus, Bijbelse verhalen, gnostische en vroegchristelijke homilies en eschatologische geschriften.[4] Deze boeken zijn niet te verwarren met de Sibillijnse boeken die de neerslag zouden geweest zijn van de profetieën van de Sibilles maar die in Rome zouden zijn verbrand in opdracht van Flavius Stilicho.

In boek 3 van de Sibillijnse orakels vinden we twee referenties naar Gog en Magog namelijk in de verzen 393-397[5] en in de verzen 646-655.[6] In de eerste wordt het lot van het land van Gog en van Magog, in het midden van de rivieren van Ethiopië beklaagd. Hier is men blijkbaar al overgegaan op Gog en Magog in de plaats van Gog van Magog, maar de situering in het gebied van de boven-Nijl stemt niet overeen met de traditie. In de verzen 646-655 worden Gog en Magog beklaagd maar ook de Mardianen[7] en de Dahae.[8]

De passages in de Sibillijnse orakels verwijzen wel naar Gog en Magog, maar eerder als een historische naam, de verzen hebben geen apocalyptische of eschatologische betekenis.

Flavius Josephus[bewerken]

De Romeins-Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus actief in de eerste eeuw, stelt Magog gelijk aan de Scythen, nomaden afkomstig van de centraal-Aziatische steppen. Ze vestigden een rijk ten noorden van de Zwarte Zee dat stand hield van de 8e eeuw v.Chr. tot de 2e eeuw v.Chr. Maar ook bij Josephus worden de Scythen niet verbonden met apocalyptische thema’s, het zijn gewoon de vijanden die in die periode opdoken. In zijn werk De Bello Iudaico brengt hij het verhaal van Alexander de Grote ter sprake die een ijzeren poort zou gebouwd hebben tussen twee bergen om Gog en Magog van de beschaafde wereld weg te houden. Maar ook hier verbindt Josephus geen enkele eschatologische betekenis aan dit verhaal, voor hem is het gewoon een militair bouwwerk om een vijand onder controle te houden. Hij is wel de eerste auteur bij wie men het verhaal over de ijzeren poort van Alexander terugvindt.

Ottheinrich-Bijbel, Bayerische Staatsbibliothek, Cgm 8010, fol. 288r de vier ruiters van de Apocalyps

De vroegchristelijke literatuur[bewerken]

De belangrijkste vermelding van Gog en Magog in de vroegchristelijke literatuur winden we terug in de Apocalyps van Johannes, waarschijnlijk te dateren op het einde van de eerste eeuw. De geschriften van Johannes staan dicht bij de rabbijnse interpretatie en Johannes kende waarschijnlijk de Sibillijnse orakels en het boek Jubileeën en hij combineerde de Joodse traditie met het thema van het Messiaanse duizendjarige rijk.

Ook de kerkvaders becommentarieerden en interpreteerden het verhaal van Gog en Magog. De eerste kerkvaders geloofden ook in een letterlijke uitleg van Openbaring 20:1-6. Justinus de Martelaar en Ireneüs kwamen bekend te staan als de felste uitdragers van dit idee van het premillennialisme. Maar deze interpretatie werd al vroeg in twijfel getrokken door Marcion en later door Origenes. Hiëronymus noemde ook de Scythen als de nakomelingen van Magog die op het einde van het messiaanse rijk de wereld zouden terroriseren. Ambrosius en Isidorus van Sevilla vereenzelvigden Gog en Magog met de Goten.

Augustinus hing in zijn eerste periode als theoloog het idee aan dat de geschiedenis in twee delen was opgedeeld. Ten eerste de eeuw van de kerk (deze zou zesduizend jaar duren) en daarna het duizendjarig vrederijk. Dit idee was tot die tijd gangbaar binnen het christendom. Augustinus verschoof al snel richting het amillennialisme. Het amillennialisme ziet het duizendjarig rijk van Christus niet als een fysiek rijk maar als een spiritueel rijk. De theologie van Augustinus van het amillennialisme zou toonaangevend blijven tijdens de middeleeuwen. In tegenstelling met de andere kerkvaders zegt Augustinus in zijn De Civitati Dei dat het fout is om Gog en Magog te associëren met een of ander barbaars volk op basis van gelijkklinkende namen of gelijkaardige initialen.

De Alexanderromans[bewerken]

De Alexanderroman was een van de populairste thema’s in de literatuur vanaf de 3e eeuw v.Chr. tot laat in de middeleeuwen, het behandelde het geromantiseerde leven van Alexander met de toevoeging van allerlei fantastische verhalen. De Alexander-literatuur ontstond in de Helleense cultuur, de eerste versie wordt toegeschreven aan een auteur die men de pseudo-Callistenes noemt. Het verhaal was ook zeer populair in het oosten waar er onder meer Armeense, Syrische, Perzische, Arabische, Koptische en Ethiopische versies ontstonden.[9]

Wij hebben hoger al gezien dat Flavius Josephus (1e eeuw) Alexander de Grote vermeldde in verband met vreemde barbaarse volkeren die Alexander wou afsluiten van de beschaafde wereld hoewel dit verhaal niet is terug te vinden in de oudste Alexanderromans in het Grieks, Latijn, Armeens en Syrisch uit de 3e tot de 7e eeuw.

Dit verhaal komt voor het eerst voor in een Syrische vertelling van een exploot van Alexander, dat beschrijft hoe Alexander naar het eind van de wereld reisde en daar een ijzeren poort bouwde om de Hunnen op te sluiten zodat ze niet meer naar het zuiden konden trekken om te plunderen. Deze Alexander vertelling, de zogenoemde Alexander Legende werd geschreven door een Mesopotamische christen waarschijnlijk in Amid of Edessa omstreeks 629-630.[10] Het verhaal gaat verder met de inscriptie van een profetie die Alexander in de deur laat aanbrengen. Die zegt dat de Hunnen binnen 826 jaar zullen uitbreken en Gog en Magog zullen de wereld onderwerpen. Na 940 jaar zal de laatste christelijke keizer opstaan en dan komt er een einde aan de wereld omdat God de poort zal openen en alles zal vergaan en in bloed worden gesmoord onder de aanvallen van de barbaren. Deze Alexander Legende is het eerste werk dat het Alexander verhaal van de ijzeren poort in een apocalyptisch kader plaatst.[11]

Een werk dat ook in de buurt van Amid ontstaat, het zogenoemde Syrische Alexandergedicht, toegeschreven aan Jacobus van Sarug in de manuscripten,[12] was gebaseerd op de Syrische Alexanderlegende, maar werd geschreven in de 7e eeuw kort voor de moslims de streek bezetten. In deze tekst wordt Alexander opgevoerd als een vrome en godvruchtige koning, een instrument in het grote plan van God. In het gedicht treedt hij naar voor als een profeet van God die de poort bouwt op bevel van God. De poort zal de apocalyptische volkeren insluiten tot God zal beslissen om ze te openen op het einde der tijden. Het gedicht geeft een gedetailleerde omschrijving van zijn reis, het contact met de vieze volkeren, het bouwen van de poort en haar afmetingen[13]

De Apocalyps van Pseudo-Methodius[bewerken]

Vanaf het midden van de zevende eeuw komt er een drastische wijziging in de politieke situatie van noordelijk Mesopotamië. Enerzijds bleef er voor de bloeiende christelijke gemeenschap de dreiging van de Hunnen en anderzijds waren er de oprukkende islamieten. In die context ontstonden talrijke apocalyptische geschriften. Een ervan is de zogenoemde Pseudo-Methodius. Het handschrift werd door de anonieme auteur toegeschreven aan Methodius bisschop van Patara, maar werd waarschijnlijk gemaakt in de laatste decade van de 7e eeuw.[14] De auteur beriep zich waarschijnlijk op Methodius om zijn werk autoriteit en aanzien te geven maar ook omdat de auteur in zijn werk het millenniarisme wou gebruiken om zijn Syrische versie van de Apocalyps te bevestigen. Het werk ontstond waarschijnlijk in de bergachtige streek van noord-Irak ten tijde van de Arabische opmars in dit gebied. De eschatologische visie van de schrijver is dan ook gebaseerd op deze Arabische verovering van Mesopotamië[11] en door het werk aan Methodius toe te schrijven kregen feiten uit de tijd van de schrijver het karakter van een profetie.

De tekst bestaat uit twee gedeeltes, een eerste historisch en een tweede profetisch deel. Het historische deel is schatplichtig aan het Syrische werk De grot van de schatten.[15] De auteur wou een soort wereldgeschiedenis schrijven van bij de schepping tot aan het einde der tijden en wil vooral aantonen dat het Grieks-Romeinse christelijk-Byzantijnse rijk, het laatste is in van de vier wereldrijken zoals ze beschreven worden in het boek Daniel. De tekst herneemt ook het Alexander verhaal met het opsluiten van Gog en Magog, maar deze Alexander wordt hier vereenzelvigd met een eschatologische figuur, de laatste christelijke keizer, die uiteindelijk de vijand (de Arabieren) en Gog en Magog zal verslaan en zijn rijk zal overdragen aan Christus door hem zijn kroon te overhandigen op Golgotha. Volgens de schrijver waren deze evenementen nakend, het einde der tijden was nabij. De Alexander die door de Pseudo-Methodius werd opgevoerd zou een afstammeling geweest zijn van een Ethiopische prinses en de legendarische stichter van Byzantium, Byzas. Naast de Alexanderlegende heeft de Pseudo-Methodius zich ook gebaseerd op de Syrische Julianus roman.[16]

De Apocalyps van de Pseudo-Methodius kende een zeer snelle verbreiding in het gebied van de Syrische christenen en werd zeer snel vertaald naar het Grieks (700-710) en van daaruit naar het Latijn (710-720)[17] De snelle verspreiding werd volgens Reinink mede bepaald door het feit dat de apocalyptische verklaring van actuele gebeurtenissen in de christelijke gemeenschappen kon gebruikt worden als een leidraad voor reactie op de bedreigende omstandigheden.[18] De Pseudo-Methodius werd een van de belangrijkste apocalyptische geschriften in Byzantium en in het middeleeuwse westen. Het is dankzij dit werk dat het Alexanderverhaal van de ijzeren poort en het opsluiten van Gog en Magog uit het Syrisch via het Grieks in de Latijnse literatuur in het westen terecht kwam.[19]

De Koran[bewerken]

Het is eveneens via de Syrische literatuur dat het Alexanderverhaal van de ijzeren poort en het insluiten van Gog en Magog zijn weg vond naar de Koran en de vroege islamitische literatuur.[20][21] Gog en Magog (Yajūj wa-Majūj) en de Hoornenman[22][23][24] worden vermeld in soera Al-kahf (de grot 18:83-98) en soera Al-anbiya (de profeten 21:95-96). In soera 18 vinden we het verhaal van Alexander (Dhul-Qarnayn) die een ijzeren wal bouwt tussen twee bergen om Gog en Magog van de beschaafde wereld af te sluiten. Ook in de Koran wordt gesproken over het loslaten van Gog en Magog op de dag des oordeels in soera 21:95-96.

De negende kalief van de Abassiden, al-Wāthiq bi-'llāh, stuurde een expeditie onder leiding van Sallam-ul-Tarjuman om de ijzeren muur op te sporen en te beschrijven. Via Samarrah en Tbilisi bereikten ze Derbent waar ze de muur zouden gezien hebben.[25]

Toeschrijvingen van Gog en Magog[bewerken]

Doorheen de ganse geschiedenis zijn Gog en Magog het zinnebeeld geweest van de vijand. Afhankelijk van wie de toeschrijving deed hebben Gog en Magog over heel de wereld gewoond. Voor het christelijke westen waren de islamieten Gog en Magog en vice versa is het westen dat voor de islamieten.

Ter informatie een lijst van de meest gekende toewijzingen:

  • Assyrië[26] en Babylonië in het Oude Testament
  • Meden en Parthen bij Enoch 56 en 57[27]
  • De Scythen bij Flavius Josephus[28] en bij Hiëronymus[29] In de oude Griekse en Latijnse etnografie waren de Scythen een nomadisch ruitervolk uit de Aziatische steppen buiten de Romeinse invloedssfeer. Scythen kon dus even goed Hunnen betekenen.[29]
  • Ethiopië in de Sibillijnse orakels [5]
  • De Romeinen bij Eusebius[30]
  • De Goten bij Ambrosius en Isidorus van Sevilla[31]
  • De Hunnen was voor Procopius van Caesarea in zijn De bello Persico het volk dat opgesloten werd achter de poort van Alexander.[32]
  • De Saracenen die optrokken tegen het Byzantijnse Rijk en Jeruzalem[33]
  • De Mongolen[34] werden niet alleen door de christelijke wereld gezien als Gog en Magog, maar ook sommige islamitische geleerden zagen in de Mongolen de legers van Yajūj wa-Majūj die het Abbasidische rijk vernielden.[35]
  • De Turken werden ook geïdentificeerd als Gog en Magog door middeleeuwse auteurs. Ook Martin Luther zag de Turken in die context hoewel hij wel vond dat ze moesten bekeerd worden in plaats van bevochten.[36]
  • Napoleon werd in de rabbijnse literatuur opgevoerd als de Gog van het einde der tijden maar ook sommige Russen herkenden Gog in hem.
  • Nazi-Duitsland was natuurlijk ook een ideale kandidaat[30]
  • Rusland of de Sovjet-Unie werd door Ronald Reagan gezien als Gog en Magog[37]
  • De westerse naties worden tegenwoordig in sommige moderne Koran-interpretaties gezien als Gog en Magog.[35]

Gog, Magog en George W. Bush[bewerken]

Volgens een verhaal dat in 2007 door Dr. Thomas Römer, professor theologie van de Universiteit van Lausanne werd gepubliceerd in het tijdschrift van de universiteit “Allez savoir”, zou hij in de winter van 2003 een telefoontje hebben gekregen van President Jacques Chirac. Het ging erover wie Gog en Magog waren want president Chirac had van president Bush een telefoontje gekregen om hem ertoe te bewegen mee in de alliantie (de “coalition of the willing”) en de op til zijnde oorlog tegen Irak te stappen. Bush zou gezegd hebben dat Gog en Magog aan het werk waren in het Midden-Oosten en dat de Bijbelse profetieën zich aan het voltrekken waren. Een stomverbaasde Chirac die nog nooit van Gog of Magog had gehoord liet toen zijn medewerkers uitzoeken waar het in vredesnaam over kon gaan, vandaar het contact met Thomas Römer.[38][39]

Gog en Magog in Londen[bewerken]

In 1415 werden twee reuzen, die waren gebeeldhouwd door William Goos, gebruikt om Hendrik V te verwelkomen in Londen na de Slag bij Azincourt.[40] Nadien bleven de reuzen opgesteld in de Guildhall in Londen. Ze assisteerden bij plechtigheden en werden meegedragen in de jaarlijkse Lord Mayor's Show.

Ze waren ook aanwezig op de kroning van Elizabeth I op 15 januari 1559. Zij kende ze als Goemagot van Albion en Corineus van Brittannië. Volgens de Historia regum Britanniae in ca. 1136 geschreven door Geoffrey van Monmouth werd Brittannië gesticht door de Trojaanse held Brutus op het eiland Albion. Het eiland was volgens de legende genoemd naar Alba, de oudste dochter van Diocletianus, die met haar zussen was verbannen nadat ze hun mannen hadden vermoord. Het was bevolkt door een reuzenras, de afstammelingen van de dochters van Diocletianus en de monsters die oorspronkelijk het eiland hadden bewoond. Corineus, een van de gezellen van Brutus die Cornwall had toebedeeld gekregen gooide in een gevecht Goemagot vanaf een klif in zee in de buurt van het huidige Plymouth. Allengs ging de naam van Corineus verloren en werden de figuren Gog en Magog genoemd.

In 1708 werden nieuwe beelden gemaakt door Richard Saunders, maar die werden vernield bij een bombardement op 29 december 1940.[40] In 1954 werden Gog en Magog opnieuw gecreëerd, deze keer door David Evans en dat zijn de beelden die tot op vandaag de Guildhall bewaken.

Bronnen

  • Emeri van Donzel en Andrea Schmidt, Gog and Magog in Early Eastern Christian and Islamic Sources, 2009, Koninklijke Brill NV., Leiden
  • G.J. Reinink, Das syrische Alexanderlied, Corpus Scriptorum Christianorum Orientalum, Leuven 1983
  • G.J. Reinink, Die syrische Apokalypse des Pseudo-Methodius, Corpus Scriptorum Christianorum Orientalum, Leuven 1993

Referenties

  1. a b J. Lust Art. Gog, Magog in Dictionary of Deities end Demons in the Bible, ed. K. van der Toorn, B. Becking, P.W. van der Horst, Brill-Leiden 1999, pp.372-373.
  2. Sverre Boe, Gog and Magog: Ezekiel 38-39 as pre-text for Revelation 19,17-21 and 20,7-10, 2001 Mohr Siebeck, p.157-159.
  3. Emeri van Donzel en Andrea Schmidt, Gog and Magog in Early Eastern Christian and Islamic Sources, 2009, Koninklijke Brill NV., Leiden, pp.4-6.
  4. Milton S. Terry, The Sibylline Oracles translated from Greek into English blank Verse, 1899, New York: Eaton & Mains, p.3
  5. a b Milton S. Terry, Book III, 393-397.
  6. Milton S. Terry, Book III, 646-655.
  7. Een volk dat leefde aan de zuidkust van de Kaspische Zee.
  8. Oud-Iraanse stammen die leefden ten oosten van de Kaspische Zee.
  9. Stephen Gero, The Legend of Alexander the Great in the Christian Orient, A revised and expanded version of a public lecture delivered at Harvard University and at the Catholic University of America in april 1990.
  10. van Donzel en Schmidt, 2009, pp.17-18.
  11. a b van Donzel en Schmidt, 2009, p.22.
  12. G.J. Reinink, Das syrische Alexanderlied, 2 vols.Corpus Scriptorum Christianorum Orientalum, Leuven 1983, pp.454-455.
  13. Voor een uittreksel van de tekst zie: van Donzel en Schmidt, 2009, pp.22-24.
  14. S.P. Brock, Syriac Sources for Seventh-Century History in Byzantine and Modern Greek Studies (1976) 17-36, p.34
  15. De Spelunca Thesaurorum is een Syrisch werk waarvan kopieën uit de 6e eeuw zijn bewaard maar dat waarschijnlijk in de vierde of de derde ontstond, waarin de Bijbel wordt naverteld vanaf de schepping tot Pinksteren.
  16. Een christelijk verhaal in het Syrisch uit het begin van de 6e eeuw waarin keizer Jovianus wordt voorgesteld als de nieuwe Constantijn die na het bewind van de heidense Julianus vrede sloot met Shapur II en daardoor de christenen in het Perzische rijk godsdienstvrijheid garandeerde.
  17. G.J. Reinink, Die syrische Apokalypse des Pseudo-Methodius, 2 vols.Corpus Scriptorum Christianorum Orientalum, Leuven 1993, pp.454-455.
  18. Reinink, 1993, p.XI. en pp.XVI-XXI
  19. van Donzel en Schmidt, 2009, p.30.
  20. Emeri van Donzel, Andrea Schmidt, Gog and Magog in Early Eastern Christian and Islamic Sources: Sallam's Quest for Alexander's Wall, Brill, 2010.
  21. Voor gedetailleerde tekst hierover zie het artikel Dhul-Qarnayn op de Engelse wikipedia.
  22. Dhul-Qarnayn of de man met twee hoorns wordt meestal geassocieerd met Alexander de Grote, zowel door westerse als door Islam-geleerden, hoewel sommige Islam geleerden hier eerder opteren voor Cyrus de Grote.
  23. Algid, Hamar (1973). Mīrzā Malkum Khān: A Study in the History of Iranian Modernism. University of California Press. p. 292. ISBN 978-0520022171
  24. Mīrzā Malkum Khān (2005). "A traveller's narrative". In Lloyd Ridgeon. Religion and Politics in Modern Iran: A Reader. I.B. Tauris. p. 35. ISBN 978-1845110734.
  25. Ibn Kathir, Al-Bidayah Vol. II, p. 111, Vol. VII, pp. 122–125.
  26. Jesaja 14:25
  27. Nicholas M. Railton, Gog and Magog: the History of a Symbol, EQ 75:1 (2003),23-43 p.28.
  28. Flavius Josephus, Antiquitates Judaicae.
  29. a b van Donzel en Schmidt, 2009, p.13.
  30. a b J. Lust, 1999, p.375.
  31. Isidorus van Sevilla, Historia de regibus Gothorum, Vandalorum et Suevorum.
  32. Peter G. Bietenholz, Historia and Fabula: myths and legends in historical thought from antiquity to the modern age, Brill-Leiden 1994, p.125.
  33. Bietenholz, 1994, pp.125-126
  34. Bietenholz, 1994, pp.132-137
  35. a b Nicholas M. Railton, 2003, p.26.
  36. Nicholas M. Railton, 2003, p.36.
  37. Grace Halsell, Prophecy and Politics, Militant Evangelists on the Road to Nuclear War.
  38. Jacques Sterchi, Rue89 Le Nouvel Observateur, 17/09/2007.
  39. Andrew Brown’s blog, The guardian, 10/08/2009
  40. a b Nicholas M. Railton,2003, p.24.