Gonzales Coques

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gonzales Coques
een gravure van Paulus Pontius en Jan Meyssens in het Gulden Cabinet
een gravure van Paulus Pontius en Jan Meyssens in het Gulden Cabinet
Persoonsgegevens
Geboren Antwerpen 1614 of 1618
Overleden aldaar, 18 april 1684
Geboorteland Zuidelijke Nederlanden
Beroep(en) Kunstschilder
Oriënterende gegevens
Stijl(en) Barok
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
Familieportret van Gonzales Coques

Gonzales Coques (Antwerpen 1614 of 1618 - aldaar, 18 april 1684) was een Vlaams kunstschilder uit de barokperiode.

Levensloop[bewerken]

Hij was de zoon van Pieter Willemsen Coques, een respectabele Vlaamse burger, en niet een Spanjaard, zoals de naam zou kunnen suggereren. In 1626-28 ging hij schilderen in het atelier van Pieter Bruegel de Jonge om vervolgens bij David Rijckaert II in de leer te gaan. Coques is vooral bekend door zijn kabinetstukken met informele groepsportretten van mensen die in een of andere activiteit zijn verwikkeld, en die hij voor het eerst schilderde. De invloed van Anthony van Dyck bezorgde hem de bijnaam kleine van Dyck.

Waarschijnlijk reisde hij naar Engeland, waar van Dyck actief was. In 1640-41 trad hij toe tot de Sint-Lucasgilde. Hij huwde tweemaal: eerst met Rijckaerts dochter Catharina en dan met Catharina Rysheuvels. Hij was lid van twee rederijkerskamer en tweemaal deken van het schildersgilde.

Zijn kabinetstukken waren erg in trek bij de bourgeoisie en de adel. Onder zijn opdrachtgevers waren koning Karel I van Engeland, Juan II van Oostenrijk, Frederik Hendrik van Oranje en Frederik Willem I van Brandenburg.

In het Paleis Huis ten Bosch werkte hij met een aantal kunstenaars samen om de Oranjezaal te decoreren. Zelf is hij, samen met zijn vrouw en twee kinderen, te zien op een schilderij, omringd door meesterwerken met handtekeningen van verscheidene tijdgenoten. Samenwerking bij het schilderen was toen verbreid bij de kleinere meesters van de Antwerpse School. Coques vroeg aan Jacques d'Arthois om landschappen te schilderen, aan Anton Ghering en Willem Schubart von Ehrenberg om de architecturale achtergronden voor hun rekening te nemen, aan Hendrik van Steenwijk de Jongere voor interieurs en Pieter Gysels voor stillevens en bloemen. Zijn grote voorbeeld was van Dyck wiens gerafineerde stijl hij met groot succes kon imiteren. Hij waagde zich nooit verder dan zijn kabinetstukken maar ze geven blijk van levenslust, sprankelend spel van licht en schaduw, gecombineerd met een afwerking vol detail en een geëmailleerd oppervlak.