Gordon Allport

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Gordon Allport (Montezuma, 11 november 1897Cambridge, 9 oktober 1967) was een Amerikaans psycholoog. In 1922 behaalde hij zijn Ph.D. voor psychologie aan de Harvard-universiteit. Vervolgens heeft hij zijn hele carrière besteed aan het ontwikkelen van theorieën over sociale onderwerpen van de sociale psychologie, zoals de ontwikkeling van persoonlijkheidstests en vooroordelen.

Een term waar Allport onder andere bekend door was, was 'opportunistisch functioneren', wat inhoudt dat de motivatie van mensen vooral gebaseerd is op het bevredigen van biologische belangen voor overleving. Centraal hierin staan reactiviteit, biologie en oriëntatie op het verleden. Toch vond Allport dat opportunistisch functioneren niet het centrale thema was bij het begrijpen van het menselijke gedrag. Het gedrag van de mens kwam juist voort uit hoe een mens echt is (propriate functionering, van het woord proprium, wat Allport gebruikte om het essentiële concept, 'het zelf', aan te duiden). Hierin staan juist proactiviteit, psychologie en oriëntatie op de toekomst centraal.

Het proprium definieerde hij als volgt: de aspecten van ervaringen die een individu als meest essentieel, waardevol en centraal acht. Het zelf heeft hierin zeven functies, die variabel over iemands leven opkomen:

  1. Lichamelijke waarneming.
  2. Zelfidentiteit.
  3. Zelfverzekerdheid.
  4. Zelfextentie.
  5. Zelfbeeld.
  6. Rationaliteit.
  7. Streven naar propriaat functioneren.

Ook was Allport één van de pioniers van de persoonlijkheidsleer. Hij identificeerde rond de 18.000 termen in een Engels woordenboek die op een bepaalde manier een persoonlijkheidskenmerk omschrijven. Hiermee wilde hij onderzoek doen naar persoonlijkheidstrekken. Volgens hem zijn trekken in te delen in de volgende categorieën: veelvoorkomende trekken (cultuurgebonden trekken die iedereen in die cultuur herkent en kan benoemen), centrale trekken (de bouwblokken van iemands persoonlijkheid), secundaire trekken (trekken die niet direct bij een individu merkbaar zijn) en cardinale trekken (trekken die erg waardevol of strevenswaardig zijn voor een individu).

Bibliografie[bewerken]

  • Personality: A psychological Interpretation (1937)
  • The Nature of Prejudice (1954)
  • Pattern and Growth in Personality (1965)
  • The Person in Psychology (1968)