Gouden Koets (Nederland)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Gouden Koets op het Binnenhof
Toenmalig koningin Beatrix in de Gouden Koets
De Gouden Koets (vanaf 0:45) op Prinsjesdag in 1925, waardonder aankomst van de Gouden Koets bij de Ridderzaal.

De Gouden Koets is de koets waarmee de Nederlandse koning zich ieder jaar op Prinsjesdag begeeft naar de Ridderzaal van het Binnenhofcomplex om de troonrede uit te spreken. De Gouden Koets heeft langzaam de plaats van de oudere en eveneens zeer grote en kostbare Glazen Koets ingenomen. In het protocol heeft Nederland echter twee gelijkwaardige statieberlines.

De Gouden Koets is niet van massief goud, maar van Javaans teakhout. Delen ervan zijn bekleed met bladgoud. Het rijtuig is gebouwd in Hollandse renaissancestijl en is voorzien van allegorieën. Het werd ontworpen en gebouwd in 1897 en 1898 door de Rijtuigenfabriek Gebr. Spijker, de latere automobielmakers. Als voorbeeld hebben de 18e eeuwse, in de Franse tijd verloren gegane Nederlandse "Karos van Staat" en de in Frankrijk bewaarde kroningskoets van Karel X gediend.

De koets is een berline op acht veren. Alleen als het staatshoofd de koets gebruikt, mag hij getrokken worden door een achtspan. In andere gevallen worden zes paarden gebruikt. De koets is deels verguld en versierd met allegorisch lofwerk. Het beeldhouwwerk komt uit het Atelier Van den Bossche en Crevels, de diverse paneelschilderingen zijn van de hand van Nicolaas van der Waay. Het interieur is van zijden petit-point-naaldwerk. Dit borduurwerk werd deels verricht door meisjes uit weeshuizen. Aan weerszijden van de staatsiebok is het nationale rijkswapen opgenomen. De bok zelf is bekleed met rood laken. De vier wielen van de koets symboliseren zonnen. Op de kroonlijst van de koets zijn de wapens van de toenmalige elf provincies van Nederland te zien, alsmede het wapen van de stad Amsterdam, de schenker van de koets.

De Gouden Koets was een geschenk van de bevolking van Amsterdam aan koningin Wilhelmina. Het geld voor de koets was ingezameld door de Vereeniging van het Amsterdamsche Volk tot het Aanbieden van een Huldeblijk aan H.M. Koningin Wilhelmina. De koets was bedoeld als geschenk bij haar inhuldiging tot koningin op 6 september 1898. Wilhelmina wilde echter geen geschenken ter gelegenheid van haar inhuldiging aannemen en nam daarom de koets pas een dag later, op 7 september 1898, in ontvangst.

De koningin wilde graag met hoed kunnen staan in de koets, vandaar de gebogen vorm van de kroonlijst. De hoogte van de koets in combinatie met de nauwe toegangspoorten van het Binnenhof vormen een uitdaging voor de koetsier.

De meer dan 100 koetsen en sleeën van het Koninklijk Staldepartement in Den Haag stonden in mei 1940 in hun gebruikelijke loodsen in de Koninklijke Stallen in de Haagse binnenstad. De Duitse bezetter heeft tijdens de oorlog meer dan de helft van de rijtuigen en sleeën gevorderd of gestolen. De pronkstukken, de monumentale Glazen Koets, de Gouden Koets en de Crème Calèche, werden door het Nederlandse Ministerie van Onderwijs en Kunst op een lijst van museale objecten geplaatst. Zo beschermd hebben zij de oorlog overleefd.[1] Het verhaal dat de Gouden Koets de oorlog in een hooiberg zou hebben doorgebracht wordt in de literatuur niet bevestigd.

Gebruik van de Gouden Koets[bewerken]

Op hun huwelijksdag, op 7 februari 1901 in Den Haag, reden koningin Wilhelmina en prins Hendrik voor het eerst in de Gouden Koets. Een maand later werd de koets in Amsterdam gebruikt bij de intocht van het koninklijk paar. Sinds 1903 maakt het staatshoofd in de regel één keer per jaar gebruik van dit rijtuig, en wel op Prinsjesdag. Daarvóór werd (vanaf 1840) altijd de Glazen Koets gebruikt. Ook bij de doop van prinses Juliana in 1909, het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard in 1937, de doop van prinses Beatrix in 1938, het huwelijk van prinses Beatrix en prins Claus in 1966 en bij het huwelijk van prins Willem-Alexander en Máxima Zorreguieta in 2002 werd de Gouden Koets ingezet.

Aan weerszijden van de koets lopen vier lakeien. Hun taak bestaat vooral uit het openen en sluiten van het portier en het uitklappen van een trapje.

Aantal paarden en tuigage[bewerken]

Het inspannen van zes of acht paarden is uitsluitend een kwestie van protocol. Bij oefenritten wordt de koets door een tweespan getrokken. De Gouden Koets heeft geen eigen tuigage.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Thijs van Leeuwen en Alberto Stofberg: De Gouden Koets: van Amsterdams geschenk tot nationaal symbool, Waanders, Zwolle, 2010, 200 p. ISBN 9789040077074