Brabantgouw

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

(Doorverwezen vanaf Gouw Brabant)
Ga naar: navigatie, zoeken

De Gouw Brabant (ook Brabantgouw, Pagus Bracbantensis, of Pagus Bracbatensis) is een historisch gebied in de Nederlanden. Het was onderdeel van het hertogdom Lotharingen. De Brabantgouw bestond mogelijk al in de 7e eeuw. Hij wordt uitdrukkelijk vermeld in de Karolingische rijksverdelingen. Bij het Verdrag van Meerssen (870) bestond het al uit vier graafschappen.

Inhoud

[bewerk] Etymologie

Brabant sluit kennelijk aan bij de klasse van gouwnamen waartoe ook Ostrobant, Teisterbant, enz. behoren. Het tweede element "-bant" duidt op een territoriale omschrijving. De betekenis van het eerste element "brac" (ook brag-, brach-) is onzeker.

[bewerk] Ligging

De Brabantgouw lag zowel ten westen als ten zuiden van, en eveneens in het zuid-westen van het hertogdom Brabant, dat de facto in 1106 werd opgericht. De gouw werd grotendeels omsloten door waterlopen: in het westen door de Schelde tot aan de Rupelmonding, vandaar verder langs de Rupel en via de loop van de Dijle. In het zuiden liep de grens grotendeels langs de Hene (Fr.Haine). Vanaf haar bronnen liep de grens oostwaarts door een woudgordel om de kring te sluiten aan de loop van de Dijle, wellicht aan haar zijrivier de Lasne, ten oosten van Nijvel (ter hoogte van Baisy-Thy).

[bewerk] Bestuur

De bestuurder van een pagus of gouw was een gouwgraaf, die rechtstreeks in dienst van de koning of keizer stond. Er zijn evenwel geen namen van gouwgraven van Brabant overgeleverd, wat het vermoeden wekt dat de gouw deel uitmaakte van de hertogelijke ambtslenen in Neder-Lotharingen. Het geslacht Verdun beschikte bijvoorbeeld over verscheidene allodiale bezittingen (Ename, Velzeke, Asse, Affligem, Aalst-Hessegem-Lede). De vroegste oorkondelijke vermelding van een graaf van Brabant betreft Herman van Verdun (†1024), zoon van hertog Godfried de Gevangene, doch in zijn tijd was het graafschap Brussel (tussen Zenne en Dijle) reeds uit de gouw losgemaakt.

[bewerk] Verdere ontwikkeling

Vanaf de elfde eeuw vindt de gouwnaam nog slechts toepassing als geografische verwijzing en heeft zij steeds minder institutioneel belang. De vier graafschappen uit de Brabantgouw werden ook reeds door verschillende stamgeslachten bestuurd:

  • Het graafschap Brussel (tussen Zenne en Dijle) kwam onder de graven van Leuven omstreeks het jaar 1000. De aanwinst van dit graafschap wordt in de kronieken van Brabant verklaard via de Karolingische bruidsschat van Gerberga van Lotharingen (gehuwd met Lambert I van Leuven), dochter van de toenmalige hertog van Neder-Lotharingen.
  • Omstreeks 1024 verwierf graaf Reinier V van Bergen de zuidelijke helft van de gouw in opvolging van zijn schoonvader en vorige gouwgraaf van Brabant, Herman van Ename. Vanaf 1070 werd dit graafschap opgenomen in het gerefeodaliseerde graafschap Henegouwen (samen met het allodiale graafschap Bergen en het markgraafschap Valenciennes).
  • Boudewijn V van Vlaanderen (meer bepaald via een niet nader genoemde zoon) werd door keizer Hendrik III op een hofdag te Goslar op 7 april 1044 het markgraafschap toegewezen tussen Schelde en Dender, inbegrepen het Land van Dendermonde. In 1045 werd hem de mark echter al ontnomen, omdat de graaf van Vlaanderen zich had aangesloten bij de rebellerende hertog Godfried met de Baard. Na zijn knieval voor de Duitse keizer in 1056 werd het rijksleen aan Boudewijn V teruggegeven, vermoedelijk na de twee vredesbesprekingen van Andernach (1056 en 1059) met de keizerlijke legerleiders, paltsgraaf Hendrik I van Lotharingen en de rijksbisschop Anno II van Keulen.
  • Het resterende deel van de gouw, namelijk de landstrook tussen Dender en Zenne, was tussen 1044/1056 en 1085 een paltsgrafelijk ambtsleen. Na de dood van paltsgraaf Herman II van Lotharingen (20 september 1085) werd het betrokken graafschap in leen gegeven aan graaf Hendrik III van Leuven. Hij kreeg dit rijksleen onder vorm van landgraafschap, zodat het onttrokken was aan het overstijgend gezag van de hertog van Neder-Lotharingen. Tegelijk werd de graaf ook beschermheer van de geestelijke instellingen binnen dit Brabants gebied, in het bijzonder de abdij van Affligem, het uitgestrekte abdijdomein rondom Lennik van de abdij van Nijvel en het allodium rondom Sint-Pieters-Leeuw van het Sint-Pieterskapittel van Keulen.
 
Persoonlijke instellingen