Grafkelder van de Friesche Nassau's

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Grote of Jacobijnerkerk

De in Leeuwarden en Groningen residerende stadhouders van Friesland en Groningen bezaten sinds 1591 onder het koor van de Grote of Jacobijnerkerk in Leeuwarden een grafkelder die in 1640 en 1696 werd uitgebreid. In de grafkelders van de Friesche Nassau's, de graven van Nassau-Dietz, werden tussen 1588 en 1765 twaalf lijkkisten bijgezet. In de kapel boven de kelder stonden nog eens zes kisten. De Friese stadhouders zijn de rechtstreekse voorouders van ons koninklijk huis. Leeuwarden behoort met Delft en Breda tot de drie steden met een koninklijke grafkelder.

Bijgezet in de oude kelder[bewerken]

Grafmonument van Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg in de Grote of Jacobijnerkerk, in 1634.

Bijgezet in de nieuwe kelder (gebouwd in 1640)[bewerken]

De kelder was nu vol. Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau, weduwe van Hendrik Casimir II liet de kelder in 1696 uitbreiden met een tweede ruimte. Deze kon niet worden gebruikt want zij stond steeds vol water. Daarom werd in overleg met het gemeentebestuur gekozen voor het bovengronds bijzetten van Hendrik Casimir II. Het koor of "barehock", in feite een ruimte rechts van het koor van de kerk, zou nu een "choor of sepulture voor de Fürstelijke en Doorluchtige familie" worden. De kisten werden boven de grond bewaard zoals dat in Denemarken en Noord-Duitsland wel vaker gebeurde.

Bijgezet in de bovengrondse kapel[bewerken]

Volkswoede in 1795[bewerken]

Volkswoede in 1795. De burgers van Leeuwarden vernielen de graven van het Huis Nassau-Diez

In 1795 werd Friesland, tenminste in de ogen van de patriotten, van het juk van de Oranjes en hun adellijke kliek bevrijd. Het gewest volgde nu het voorbeeld van het revolutionaire Frankrijk. Het stadsbestuur van Leeuwarden verordende dat "alle distinctieve eeretekenen en wapenborden als onbestaandbaar met gelijkheid en vrijheid moeten worden weggenomen". Op 1 augustus sloegen bouwmeester Stapert en steenhouwer Feyens het grafmonument van Willem Lodewijk van Nassau-Dietz en dat van Anna van Oranje, een liggende gepolychromeerde gisant, aan gruzementen. Ook de rouwborden en wapenkasten werden vernield.
Nu wreekte zich de opvallende bovengrondse begraafwijze van de Nassaus. Hun fraaie kisten werden op 16 augustus door een door Stapert aangevoerde revolutionaire menigte opengebroken. Men vertrapte de tinnen en loden kisten en voerde het materiaal weg om het om te smelten. Op de door een voorbijganger opgeraapte schedel van Marie Louise na werden alle beenderen in de natte kelder geworpen.
De kapel werd consistoriekamer en de graven werden vergeten. In 1841 bezocht koning Willem II Leeuwarden en informeerde naar de graven van zijn voorouders. Toen werd een onderzoek ingesteld naar de kelder. Daarop werd op 24 september 1842 de grafkelder geopend. Die bleek vol water te staan. Nadat het water was weggepompt werden er veel verspreide overblijfselen gevonden, kisthout en twee doodskisten die redelijk intact waren. Volgens het proces-verbaal was het lichaam van Marie Louise en Hendrik Casimir intact en waren er ook andere knoken in de natte kelder aangetroffen[1]. De kelder werd gelucht en gewit en in twee nieuwe "groote vorstelijke doodskisten" werden de aangetroffen resten opnieuw in de kelder opgebaard.

Merkwaardigerwijs liet in 1878 de douairière Baron van Heemstra aan de Nederlandse regering weten dat zij de schedel van Marie Louise bezat. Deze bevond zich in de nalatenschap van haar man in een zwart kistje met de opschrift "Marie Louise Vorstin van Hessen Kassel Douairière van Frislands zesde Stadhouder Johan Willem Friso, Prins van Oranje enz. enz. enz.".Op het kistje waren ook haar geboorte, huwelijks- en sterfdatum vermeld. De Baron had de schedel in 1830 van een Fries gekregen.

Minister Heemskerk liet de schedel, overigens in alle stilte, in de kist van Marie Louise plaatsen maar daarin bevond zich al een schedel...

Restauratie[bewerken]

Aanzicht van de houten tombe na de reconstructie, met rechts het gerestaureerde stadhouderlijke poortje
Van bovenaf met links op de muur het gereconstrueerde monument van Willem Lodewijk van Nassau-Dillenburg

De consistoriekamer was lange tijd een bezemhok totdat zij in 1948 ter gelegenheid van het jubileum van Wilhelmina werd gerestaureerd. Het stadhouderlijke poortje van het koor werd hersteld en op de muur kwam een reconstructie, geschilderd in grijstinten, van het monument van Willem Lodewijk van Nassau-Diez. Op de muren kwamen tien wapenschilden en boven de kelder werd een grote houten tombe geplaatst. Volgens Emirentia van Heuven-van Nes is dit een eerbetoon aan Anna, volgens Cees van Raak is het een cenotaaf voor Marie Louise.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Fons Klinckhamers in "Vorsten" mei 1996
  • Cees van Raak, "Funeraire geschiedenis van het huis Oranje-Nassau" Bussum 1995
  • Emirentia van Heuven-van Nes, "Monumenten voor Nassau en Oranje", Rotterdam 2004

Noten[bewerken]

  1. Tijdschrift voor Geschiedenis, Land-en Volkenkunde, artikel door H.J.Schouten, 1913.