Grand Camée de France

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Grand Camée de France, Cabinet des Médailles.

De Grand Camée de France is een vijf lagen tellende sardonyx camee gedateerd rond 23 n.Chr.[1]. De camee meet ongeveer 31 cm in de hoogte en 26,5 cm in de breedte. Het is voor het eerst geattesteerd in de eerste inventaris van de schat van Sainte Chapelle voor 1279. Het kwam op 1 mei 1791 op bevel van Lodewijk XVI in het Cabinet des Médailles terecht (inventarisnummer Babelon 264).

Herkomst[bewerken]

De precieze herkomst van deze camee is onbekend. Maar het is waarschijnlijk dat deze in de Romeinse tijd werd meegenomen bij de verplaatsing van het centrum van de macht van Rome naar Byzantium. Het werd door Boudewijn II van Namen, keizer van het Latijnse Keizerrijk, verpand of verkocht aan Lodewijk IX van Frankrijk.[2] Vervolgens wordt het vermeld in een inventarissen uit 1279 van de schatten van de Sainte-Chapelle in Parijs.[3] Het werd door Filips VI van Frankrijk in 1242 of 1343 naar Paus Clemens VI in Avignon gestuurd, mogelijk als onderpand voor financiële steun.[4] Paus Clemens VII gaf hem terug voor 1363 aan de Dauphin, de latere Karel V van Frankrijk.[4] Vervolgens werd de camee in 1379 terug overgebracht naar de Sainte-Chapelle.[4] Het werd in 1792 opgeëist door Lodewijk XVI van Frankrijk, teneinde deze te beschermen tegen de revolutionairen, en onderbracht in het Cabinet des Médailles.[4] Daar werd het in 1804 uit gestolen, maar het werd in 1805 naar Frankrijk teruggebracht.[4]

Iconografie[bewerken]

Het is de grootste antieke camee die is overgeleverd. Het is in vierentwintig lagen gegraveerd, verdeeld in drie niveaus. De algemene betekenis en propagandistische bedoeling van het werk zijn duidelijk - om de continuïteit en dynastieke legitimatie van de Julisch-Claudische dynastie te bevestigen[5]. Helemaal bovenaan bevinden zich de overleden leden - Divus Augustus, met aan weerszijden Drusus minor en Germanicus op Pegasus. In het midden vinden we de nog levende leden van de dynastie - meestal verondersteld de princeps Tiberius en zijn moeder Iulia Augusta te zijn, met een als imperator geklede Nero Iulius Caesar[6] (gedacht Tiberius' erfgenaam te zijn) achter en Drusus Iulius Caesar en Gaius Iulius Caesar (Caligula) voor Tiberius en Livia staand[7]. Helemaal onderaan zien we gevangengenomen barbaren.

Noten[bewerken]

  1. De datering is nog steeds een punt van discussie (W.-R. Megow, Kameen von Augustus bis Alexander Severus, Berlijn, 1987, A 85.). Zie verder H. Jucker, Der große Pariser Kameo. Eine Huldigung an Agrippina, Claudius und Nero, in Jahrbuch des Deutschen Archäologischen Instituts 91 (1976), pp. 211-250, W.-R. Megow, Kameen von Augustus bis Alexander Severus, Berlijn, 1987, pp. 205-207.
  2. L. Giuliani, Leggere un'immagine. Il Grand Camée de France e la successione di Tiberio, storicamente.org (2004-2007).
  3. K.A. Morrow, Disputation in Stone: Jews Imagined on the Saint Stephen Portal of Paris Cathedral, in M. Merback (ed.), Beyond the Yellow Badge: Anti-Judaism and Antisemitism in Medieval and Early Modern Visual Culture, Leiden, 2007, p. 81. Zie ook: M. Avisseau-Broustet, Le Grand Camée de la Sainte-Chapelle, in J. Durand - M.-P. Laffitte (edd.), Le Trésor de la Sainte-Chapelle, Parijs, 2001, pp. 90-95 (non vidi).
  4. a b c d e E. Zwierlein-Diehl, Antieke Gemmen und ihr Nachleben, Berlijn, 2007, p. 245.
  5. D.E.E. Kleiner, Roman Sculpture, New Haven - Londen, 1992, p. 149.
  6. In een recente studie (K. Jeppesen, Grand Camée de France: Sejanus Reconsidered and Confirmed, in Mitteilungen des Deutschen Archäologischen Institut, Römische Abteilung 100 (1993), pp. 141-175.) wordt deze figuur geïdentificeerd als Lucius Aelius Seianus (Maar zie voor kritiek op deze identificatie E.R. Varner, Mutilation and Transformation, Damnatio Memoriae and Roman Imperial Portraiture, Leiden, 2004, pp. 92-93 (n. 92).)
  7. De identificatie van deze figuren hangt af van de interpretatie van de voorstelling in het midden van de camee. Men heeft gesuggereerd dat het ging om Germanicus' triomftocht in 17 en toekenning van diens imperium maius voor zijn missie in het oosten (H. Jucker, Der große Pariser Kameo. Eine Huldigung an Agrippina, Claudius und Nero, in Jahrbuch des Deutschen Archäologischen Instituts 91 (1976), pp. 211-250, W.-R. Megow, Kameen von Augustus bis Alexander Severus, Berlijn, 1987, pp. 202-207.). Germanicus zou zich dan niet onder de dode leden van de dynastie helemaal bovenaan de camee bevinden, waardoor men o.a. zijn vader Drusus maior daar plaatst; andere zijn naast Divus Augustus, Divus Iulius (de vergoddelijkte Julius Caesar) en Marcellus (L. Giuliani, Leggere un'immagine. Il Grand Camée de France e la successione di Tiberio, storicamente.org (2004-2007).). Een andere suggestie die gedaan is, is dat het de opvolging van Tiberius na de dood van diens zoon Drusus minor in 23 in de verf moest zetten. Ook Nero Iulius Caesars aanstelling als quaestor in 26 is naar voren geschoven. Tot slot is er nog de stelling dat het Seianus' uitzonderlijke politieke positie in 28 zou voorstellen (K. Jeppesen, Grand Camée de France: Sejanus Reconsidered and Confirmed, in Mitteilungen des Deutschen Archäologischen Institut, Römische Abteilung 100 (1993), pp. 141-175.) (hierdoor zou het niet langer om een zuiver dynastieke, maar een politieke voorstelling gaan!).

Zie ook[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

  • E. Babelon, Catalogue des Camées antiques et modernes de la Bibliothèque Nationale, Parijs, 1897, nr. 264.
  • J.-B. Giard, Le grand camée de France, Parijs, 1998. ISBN 2717720456
  • L. Giuliani, Leggere un'immagine. Il Grand Camée de France e la successione di Tiberio, storicamente.org (2004-2007).
  • K. Jeppesen, Grand Camée de France: Sejanus Reconsidered and Confirmed, in Mitteilungen des Deutschen Archäologischen Institut, Römische Abteilung 100 (1993), pp. 141-175.
  • H. Jucker, Der große Pariser Kameo. Eine Huldigung an Agrippina, Claudius und Nero, in Jahrbuch des Deutschen Archäologischen Instituts 91 (1976), pp. 211-250.
  • W.-R. Megow, Kameen von Augustus bis Alexander Severus, Berlijn, 1987, A 85. ISBN 3110107031
  • M.-H. Tesnière (ed.), Bibliothèque nationale de France. Trésors de la Bibliothèque nationale de France, I, Parijs, 1996, nr. 25. ISBN 2717719997
  • E. Zwierlein-Diehl, Antieke Gemmen und ihr Nachleben, Berlijn, 2007. ISBN 9783110920406

Tentoonstellingscatalogus[bewerken]

  • M.-P. Laffitte - O. Gantier (edd.), 1789, Le Patrimoine libéré : 200 trésors entrés à la Bibliothèque nationale de 1789 à 1799, Parijs, 1989, nr. 83.