Grassenfamilie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Grassenfamilie
Tarwe
Tarwe
Taxonomische indeling
Rijk: Plantae (Planten)
Stam: Embryophyta (Landplanten)
Klasse: Spermatopsida (Zaadplanten)
Clade: Bedektzadigen
Clade: Eenzaadlobbigen
Clade: Commeliniden
Orde: Poales
Familie
Poaceae
Barnhart (1895)
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Grasaartje

A="volledig" aartje met een bloeiende bloem
B = stamper
C = helmhokjes
D= onderste kelkkafje
E = bovenste kelkkafje
F= bovenste kroonkafje (palea) al dan niet met korte naald
G = onderste kroonkafje (Lemma) al dan niet met grotere naald
H = stamper en overige bloemdelen in niet uiteengevouwen staat

De grassenfamilie (botanische naam: Gramineae of Poaceae, beide namen zijn toegestaan) is een van de soortenrijkste plantenfamilies op aarde. Er bestaan ongeveer 8000 soorten. Leden van deze familie komen op alle werelddelen voor. Op Antarctica groeit een smele-soort.

Evolutie[bewerken]

Tot recente datum gaven fossiele vondsten aan dat gras ca 55 miljoen jaar geleden evolueerde. Recente vondsten van de grasachtigen in coprolieten (fossiele faecalën) van dinosaurussen uit het krijt verwezen naar 65 miljoen jaar geleden.[1][2] dateringen van de herkomst van rijst suggereren 107 tot 129 Ma.[3]

De relaties tussen de subfamilies Bambusoideae (bamboe-achtigen), Ehrhartoideae (waaronder rijst) en Pooideae (o.a. graan) worden als volgt verklaard; de Bambusoideae en de Pooideae zijn meer met elkaar verwant dan met de Ehrhartoideae.[4] de scheiding voltrok zich in een relatief korte periode van 4Ma.

Bouw van grassen[bewerken]

Grassen zijn als gras goed herkenbaar: ze hebben een vrij karakteristiek bouwplan. Sommige kenmerken bevinden zich aan de stengel en het blad, andere aan de bloem en aan de bloeiwijze.

Stengel en blad[bewerken]

De stengel is meestal hol tussen de knopen (een verdikking van de stengel). Onder andere mais en de Europese hanenpoot hebben echter een gevulde stengel.

De bladen staan in twee tegenoverstaande rijen ingeplant op de knopen. De bladen zijn lang, smal en parallelnervig. In de lengte van het blad lopen vaak ribben. De bladbasis, het eerste deel van het blad, vormt een kokervormige bladschede rond de stengel. Naar boven toe wordt de omsluiting van de stengel door de schede minder volledig, hier kan dan aan de randen van de schede een vlies zijn gevormd. Het tweede deel is de bladschijf en staat af van de stengel. Bij het topblad van de stengel heet dit het vlagblad.

Op de overgang tussen bladschede en bladschijf is vaak het tongetje of ligula te vinden, dit is dan een vliesje of een rij haartjes.

De voet van het afstaande deel van het blad omsluit de stengel vaak gedeeltelijk, aan weerszijden van deze gedeeltelijke omsluiting zijn ook vaak de oortjes, die uit korte vliesjes bestaan, te vinden.

Aartje[bewerken]

Grassen zijn windbestuivers. De bloemblaadjes zijn niet felgekleurd: de bloeiwijze is vaak groenig, bruinig of doorschijnend en vormt veel stuifmeel. Vrij veel mensen vertonen een allergische reactie tegen stuifmeel: hooikoorts.

De aartjes vormen een centraal en kenmerkend onderdeel van de bloeiwijze van grassen. Een aartje kan één of meer bloemen hebben.

De onderste twee blaadjes van een aartje heten de kelkkafjes. Die kunnen een aartje helemaal omsluiten. Wanneer de kelkkafjes het aartje niet omsluiten, staan de achtereenvolgende blaadjes van het aartje dakpansgewijs.

Dan volgen twee schubjes, de kroonkafjes. Het eerstvolgende schubje (kroonkafje) aan de as van het aartje is het onderste kroonkafje: lemma. Het lemma bezit enige stevigheid, ondanks dat het heel dun is. Het volgende schubje is het bovenste kroonkafje: de palea, die vaak vliezig en slap is. Aan de top of op de rug van het lemma treedt bij veel grassen een meer of minder lange naald uit, de kafnaald; het is de verlenging van de middennerf.

Daarna komen de centrale bloemonderdelen: lodiculae, meeldraden en de stamper. De lodiculae zijn kleine schubjes die bij het begin van de bloei gaan zwellen en zo lemma en palea uit elkaar duwen. Hierdoor krijgen de meeldraden en de stamper ruimte om zich uiteen te gaan vouwen.

Bloeiwijze[bewerken]

De aartjes kunnen op verschillende wijzen de bloeiwijze vormen. Die bloeiwijze bevindt zich altijd boven in de plant en vormt het meest kenmerkende onderdeel van de grashalm. Die bloeiwijze bestaat vrijwel altijd uit meer aartjes, maar het kan soms voorkomen dat die maar uit één enkele aartje bestaat.

De aartjes kunnen samen een aar vormen. Een aar wil zeggen dat de aartjes om het verlengde van de grasstengel, de aarspil, staan. Die aarspil is verder niet vertakt. De aartjes zitten dan op zogenaamde tanden aan die aarspil vast. Per tand kan er één aartje zijn, maar het kunnen er ook drie zijn. Vaak zitten de aartjes in twee rijen langs de aarspil, waarbij na een aartje van de ene rij, een aartje uit de andere rij volgt. Soms is de aar vlak, bij andere soorten juist vierkant.

Maar ze kunnen ook in een pluim gegroepeerd zijn. Dan ontspringt aan het verlengde van de grasstengel op verschillende punten zijtakjes. Aan deze zijtakjes kunnen de aartjes zitten, maar soms ontspringen er weer andere zijtakjes aan. Hieraan kunnen de aartjes zich bevinden, soms alleen, soms weer in groepen van drie. Soms is het eerste zijtak lang en zijn de andere die daaraan ontspringen kort, dan bestaat de pluim uit een aantal kluwens.

Chemische samenstelling[bewerken]

De typische grasgeur wordt veroorzaakt door cis-3-hexenol (bladalcohol).

Gras als voedsel[bewerken]

Het blad met al of niet een stukje stengel wordt door grazende dieren gegeten en de zaden vormen zo'n 80% van het voedsel van de mens. Een aanzienlijk deel van de rest van ons voedsel wordt gevormd door de grazende dieren die ook weer van gras afhankelijk zijn. De afhankelijkheid van de grassenfamilie bedraagt zo'n 95% van de menselijke voedselbehoefte. Vegetaties waar grassen in domineren worden graslanden genoemd.

Waarom is het begraasde gras zo succesvol? Dat is omdat het zijn investering voornamelijk onder de grond houdt. Het slaat zijn voedselvoorraad in zijn wortels op. De groei ontstaat in een verdikking net boven of net onder de grond. Dit maakt dat het helemaal niet erg is wanneer een grazend dier alle sprietvormige bladeren boven de grond opeet, want het kan binnen korte tijd door uitstoeling weer nieuwe bladeren vormen vanuit de energiereserves in de wortels. Ook een steppebrand deert het gras niet.

Het gras vormt een soort symbiose met de grazende dieren, door een wederzijdse afhankelijkheid: de dieren zijn afhankelijk van het gras, maar het gras ook van de dieren, want die dieren eten niet alleen al het gras op, maar ook de andere planten, die anders hoger zouden groeien dan het gras en het zonlicht zouden wegnemen. Daarbij bemesten ze het gras.

De mens kan geen gras verteren. Hij bezit namelijk geen verteringssappen die de wand van een plantaardige en de vaatbundels (nerf) kunnen afbreken. Deze bestaan voornamelijk uit cellulose. Planteneters kunnen dit wel, dankzij de aanwezigheid van micro-organismen in hun maag-darmkanaal. Bij herkauwers, zoals de koe, het schaap, de wisent, de bizon en de gnoe vindt deze microbiële vertering (fermentatie) plaats in de voormagen (netmaag, pens en boekmaag). Bij andere planteneters zoals paard en olifant, vindt deze fermentatie plaats in de dikke darm.

De mens eet alleen de zaden van grassen. Die bevatten geen cellulose, maar hoofdzakelijk zetmeel. Soms kunnen de zaden tot wel 20% suiker bevatten, zoals bij suikermais, waarvan de onrijpe zaden als groente gegeten wordt. Door selectie en veredeling zijn grassoorten ontstaan, die zo veel mogelijk energie in zaadproductie stoppen in plaats van in celwanden en nerven.

Toepassingen van gras[bewerken]

In de vorm van grasvelden wordt gras al eeuwen door de mens gebruikt. Grasvelden dienen uiteenlopende doelen: van decoratie van tuin, (wordt dan gazon genoemd) of park tot het gebruik als sportveld, zoals een voetbalveld. Op de laatste manier komt gras nogal eens in het nieuws, denk hierbij bijvoorbeeld aan de moeizame totstandkoming van een goede grasmat in de Amsterdam ArenA.

Westerse graansoorten[bewerken]

Oosterse graansoorten[bewerken]

Amerikaanse graansoorten[bewerken]

Afrikaanse graansoorten[bewerken]

Geslachten[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie voor een overzicht van geslachten: Lijst van geslachten van de grassenfamilie

Soorten[bewerken]

De grassenfamilie is onder te verdelen in onderfamilies en geslachtengroepen. Zie bijvoorbeeld de uitgebreide tabel op de pagina onderverdeling van de familie Poaceae, waar alle Nederlandse geslachten te vinden zijn.

De volgende (onder)soorten worden behandeld in een eigen artikel:

Alsook:

Cronquist[bewerken]

In het Cronquist-systeem (1981) was de plaatsing van de familie in diens orde Cyperales.

Externe links[bewerken]

Voetnoten
  1. Piperno, D. R., Sues, H.D. (2005). Dinosaurs Dined on Grass. Science 310 (5751): 1126hor = Piperno, D.R. . PMID:16293745. DOI:10.1126/science.1121020.
  2. Prasad, V., Stroemberg, C.A.E.; Alimohammadian, H.; Sahni, A. (2005). Dinosaur Coprolites and the Early Evolution of Grasses and Grazers. Science(Washington) 310 (5751): 1177–1180 . PMID:16293759. DOI:10.1126/science.1118806.
  3. Prasad V, Strömberg CA, Leaché AD, Samant B, Patnaik R, Tang L, Mohabey DM, Ge S, Sahni A. (2011). Late Cretaceous origin of the rice tribe provides evidence for early diversification in Poaceae. Nat Commun. 2:480. DOI:10.1038/ncomms1482 PMID 21934664
  4. Wu ZQ, Ge S (2011) The phylogeny of the BEP clade in grasses revisited: Evidence from the whole-genome sequences of chloroplasts. Mol Phylogenet Evol

Literatuur