Grenspaal

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Grenspaal 269a (Belgisch-Nederlandse grens) op de linkeroever van de Schelde
Grenspaal in 1666 tussen Hasselt en Zonhoven geplaatst in opdracht van de Luikse prins-bisschop Maximilianus Henricus van Beieren met daarop zijn wapenschild en dat van Hasselt en aan de andere zijde de tekst "NON ULTRA SONHOVIENSES SUB POENA CORPORALI EX EDICTO SER=MI"

Een grenspaal is een paal die de grens van een gebied (land, provincie, gemeente of eigendom) aangeeft. Dit gebeurt ook door middel van stenen, men spreekt dan van een grenssteen.

Grenspalen worden geplaatst op het punt waar de grens een knik maakt. Van oudsher is vanuit een grenspaal de volgende grenspaal al te zien, hoewel dat tegenwoordig niet altijd meer het geval is.

Een grenspaal wordt niet altijd op de grens geplaatst. In het geval van een rivier bijvoorbeeld worden aan beide oevers grenspalen geplaatst met dezelfde nummering. De grens ligt dan precies tussen beide in. De grens tussen Duitsland en Nederland nabij Lobith, gevormd door de Rijn, is hier een voorbeeld van. Toch betekent een dubbele paal niet altijd dat de grens in het midden ligt. In 1818 werden bij de Neutraleweg ook dubbele palen geplaatst, maar de grens was de gehele weg die er tussen lag; de weg was hiermee een gemeenschappelijk bezit van Pruisen en Nederland.

Geschiedenis van de provinciegrenspaaltjes[bewerken]

Deze paaltjes (soms met wapen erop) herinneren aan een stukje eigen zeggingskracht, een bepaalde macht van de provincie. In het Romeinse Rijk was een provincie de aanduiding voor het machtsgebied van een consul of pretor. Nadat aan het einde van de Middeleeuwen een einde was gekomen aan het bestaan van het leenmanschap, werd het rijk voor administratieve doeleinden verdeeld in provincies.

In de Nederlanden duikt de benaming voor het eerst op onder keizer Karel V. De hertogdommen Brabant, Limburg, Luxemburg, Gelre, de graafschappen Vlaanderen, Artois, Henegouwen, Holland, Zeeland, Namen, de heerlijkheid Mechelen, Friesland, Utrecht, Overijssel (met Drenthe, Lingen en Westerwolde), Groningen (met de Ommelanden), de steden en kastelen van Rijsel en de stad Doornik (met het Doornikse) vormden met elkaar de zeventien provinciën. Uit hun vertegenwoordigers werd het belangrijkste regeringslichaam, de Staten-Generaal samengesteld. Na de afzwering van de vorst en de vestiging van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden verstond men onder een provincie een landschap, dat niet alleen zich zelf bestuurde, maar dat ook deel had aan het bestuur van de Republiek. Die zeven waren Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht, Overijssel, Friesland en Groningen. Drenthe had zelfbestuur, maar nam geen deel aan het bestuur van de Republiek. Sinds 1798 werden onder het regime van de Fransen de provincies departementen genoemd, maar na de Franse tijd werd de oude naam hersteld en die bleef tot heden in gebruik.

Bekende grenspalen en grensstenen[bewerken]

Grenspalen hebben vaak geleid tot sages, zoals die van:

Andere bekende grenspalen:

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Externe bron[bewerken]