Grieks-Turkse Oorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Grieks-Turkse oorlog van 1919–1922
Onderdeel van de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog
Loopgraven
Loopgraven
Datum Mei 1919 - oktober 1922
Locatie West-Anatolië
Resultaat Turkse overwinning, Vrede van Lausanne
Casus belli Verdeling van het Ottomaanse Rijk
Territoriale
veranderingen
Gebieden die door de Ottomanen aan de Grieken waren afgestaan werden aan Turkije teruggegeven. Uitwisseling van bevolkingsgroepen tussen de twee landen.
Strijdende partijen
Vlag van het Koninkrijk Griekenland Griekenland Vlag van Turkije Turkse Revolutionairen
Commandanten
Leonidas Paraskevopoulos ,
Anastasios Papoulas,
Georgios Hatzianestis
Fethi Okyar,
İsmet İnönü,
Mustafa Kemal Atatürk,
Fevzi Çakmak
Troepensterkte
200.000[1] 118.000[2]
Verliezen
23.500 doden[3]
49.000 gewonden[3]
20.820 gevangengenomen
10.000 doden[2]
10.000 gewonden

De Grieks-Turkse Oorlog is de benaming voor een serie veldslagen tussen Griekenland en het bezette Turkije om West-Anatolië tijdens de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog. Hoewel deze voornamelijk in 1921 en 1922 woedde, begon de voorgeschiedenis al in 1918.

Voorgeschiedenis[bewerken]

De voorgeschiedenis van de Grieks-Turkse Oorlog en de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog begint met de Italiaanse ambities.

In 1915 had Italië zich door de geallieerden laten verleiden tot een oorlog tegen de Centralen. Hen was in het Verdrag van Londen gebiedsuitbreiding toegezegd aan de Adriatische kust en in het noorden tot aan de Brennerpas. Italië had echter duizenden slachtoffers te betreuren en kampte met een enorme staatsschuld. De Italiaanse politici wisten dat ze meer moesten behalen om dit leed te compenseren, wilden ze in het zadel blijven. Dit bracht hen ertoe de stad Fiume op te eisen. Men droomde echter ook van een koloniaal rijk. Italië zag zichzelf als een laatkomer op het koloniale buffet, die geconfronteerd werd met een lege tafel doordat andere landen met de stukken aan de haal waren gegaan. De ontmanteling van het Ottomaanse imperium was een buitenkansje voor Italië om het koloniale rijk uit te breiden. Snel werd de stad Antalya bezet en er werden plannen gemaakt om de streek te bevolken met verarmde Italiaanse boeren.

De Amerikanen, Fransen en Britten zagen de Italiaanse inhaligheid met lede ogen aan. Zij besloten op de onderhandelingen in Parijs Italië een hak te zetten door de Britten de controle over de zeestraten te laten behouden, de Fransen een mandaatgebied ten zuidoosten van het Italiaanse toe te wijzen, en Griekenland uit te nodigen mee te doen en een gebied rond İzmir (Smyrna) te bezetten. Een groot deel van de Grieken was hier wel voor te porren. Het Megali Idea leefde nog altijd zeer sterk. Venizelos, die de Griekse politiek leidde, zag een herboren Byzantium. De Britten beloofden namelijk te zijner tijd ook Oost-Thracië en Constantinopel aan de Grieken over te dragen. Constantinopel was de grootste Griekstalige stad, I Polis (dé stad), en zou Athene als hoofdstad moeten vervangen. De Britten zouden hierdoor, samen met een versterkt Griekenland, het oostelijk bekken van de Middellandse Zee beheersen en tegelijkertijd Turkije én Italië "kort" houden.

Dezelfde redenen zorgden mede voor een machtsomwenteling in Italië. Omdat het de Italiaanse politiek niet lukte deze eisen te behalen bij de Geallieerden, kwamen de fascisten aan de macht. Hun belangrijkste politieke doelen waren het behalen van deze eisen. Ook tekent zich hier de voorgeschiedenis af op basis waarvan later Italië met nazi-Duitsland zou gaan samenwerken in de Tweede Wereldoorlog.

Bezetting en oorlog[bewerken]

In mei 1919 landden de eerste Griekse troepen in İzmir (Smyrna), ondanks krachtige tegenargumenten van de stafchef generaal Metaxas.

Stergiades trachtte als bestuurlijk hoge commissaris de Grieken, Armenen en moslims met elkaar onder Grieks bestuur te verzoenen, maar faalde. In 1920 werd de toestand in de Vrede van Sèvres geformaliseerd: Turkije werd in zessen geknipt:

  • Een Turkse rompstaat in Centraal- en Noord-Anatolië. De Grieken hadden geëist dat deze geen bedreiging mocht vormen;
  • De onafhankelijke Democratische Republiek Armenië, die eigenlijk niet erkend werd en snel onder de voet werd gelopen;
  • Een Frans mandaatgebied;
  • Een Brits mandaatgebied;
  • Een Italiaans mandaatgebied;
  • Een Griekse bezettingszone.

De Grieken breidden gedurende de zomer van 1920 hun bezettingszone gestadig uit, hoewel ze hierbij op steeds heviger Turkse weerstand stuitten. Het doel van deze operaties was consolidatie van het Anatolische bruggenhoofd en het opzetten van een bufferzone rondom İzmir/Smyrna.

Mustafa Kemal Atatürk was degene die Turkije oprichtte toen het Ottomaanse Rijk verviel. Hij weigerde de Vrede van Sèvres te erkennen. Armenië werd als eerste heroverd en verdeeld met de Sovjet-Unie. Hij wist de Fransen en Italianen tegen de Grieken uit te spelen. De Griekse koning Alexander overleed aan een apenbeet. In 1921 wist Lloyd George de Grieken echter over te halen om door te gaan. Andere mogendheden trachtten te bemiddelen tussen Griekenland en Kemal maar, gesteund door de Britten, vielen de Grieken in maart 1921 aan.

Het Griekse leger boekte in de zomer van 1921 succes na succes. De verovering ging gepaard met moordpartijen en plunderingen. De Turkse bevolking van Izmir werd onderdrukt en vermoord door de Griekse soldaten waardoor vele van hen vertrokken naar het oosten van Turkije. Het Griekse Leger kampte met een laag moreel na 8 jaar oorlog. Bovendien werd het klimaat, hoe verder men naar het oosten trok, steeds vijandiger. De wegen waren slecht en rotsachtig, terwijl de bevoorradingslijnen steeds langer werden. 15 kilometer voor Ankara werden de Griekse troepen tot staan gebracht en het tegenoffensief van de Turken dreef de Grieken in een hopeloze positie. Zij hadden bovendien alle rantsoenen verbruikt en de Griekse generaals besloten om terug te trekken naar Sakarya (Izmir) en Afyon. De partijen groeven zich in oktober in voor de winter.

Dezelfde maand trokken de Fransen zich terug uit Turkije, waardoor duizenden Turkse strijders de handen vrij kregen voor de strijd tegen de Grieken. De Fransen lieten oorlogsmateriaal achter, wat in het geheim was afgesproken. Ook de Italianen zagen meer en meer in dat een voortzetting van het avontuur even weinig kans op succes had als dat van de Grieken, en bereidden hun eigen vertrek voor. Italië liet enkele vliegtuigen na aan de Turken. De Britten steunden de Grieken slechts verbaal. Op 26 augustus 1922 om 05:30 uur begon het Turkse offensief Buyuk Taarruz (het Grote Offensief) op alle fronten. De sterkste eenheden van de Grieken waren in Afyon ingegraven. Het Turkse leger had besloten om eerst hier al zijn macht in te zetten. Op 27 augustus tegen de middag, wisten de Turken het Griekse leger te verslaan. Op 30 augustus brak het front en waren de Griekse generaal Trikupis en Digenis krijgsgevangengenomen die later aan griekenland werd uitgeleverd. De soldaten sloegen aan het muiten en hele divisies losten op in het niets. Op 9 september kwam er een einde aan de Griekse bezetting in Izmir. Een klein deel van de Griekse inwoners van Izmir probeerde te vluchten met boten naar Griekenland. Tevens brak er brand uit in de Armeense wijk die snel om zich heen sloeg en ook de Griekse wijk in de as legde. Tot op de dag van vandaag is onduidelijk hoe de brand is ontstaan. De Griekse burgers die niet per schip wisten te ontkomen, sloegen op de vlucht voor het vuur en sprongen in zee om hun levens te redden door te zwemmen naar een van de buitenlandse marine schepen die in de haven voor anker lagen. De rest van de overgebleven Grieken en Armenen vormen tot de dag vanvandaag een kleine minderheid in Izmir. Izmir behoort inmiddels tot de Republiek Turkije.

De Chanak-crisis[bewerken]

Na de herovering van Izmir richtte Atatürk zich op de Bosporus, de Dardanellen, Istanboel en het gebied daarachter dat nu Europees-Turkije is. Dit laatste gebied was nog steeds door de Grieken bezet, terwijl de zeestraten tot neutrale zone waren uitgeroepen en door Britse en Franse militairen bezet werden gehouden. Op 15 september 1922 naderden Turkse troepen het Britse garnizoen van Çanakkale (Chanak).

De Britten waren op dat moment niet met Turkije in oorlog en hadden tot dan toe de Grieken slechts verbaal en politiek gesteund. Als de Britten en Fransen zich zouden verzetten, zouden ze er zeker in worden betrokken. De Franse regering van Raymond Poincaré had echter redelijke relaties met de Turkse nationalisten opgebouwd, en had genoeg van het Turkse militaire avontuur.

Toen Lord Curzon op 18 september in Parijs arriveerde voor overleg, kreeg hij te horen dat Poincaré al had besloten dat de Fransen zich zouden terugtrekken. Bovendien weigerde ook het Brits Gemenebest een eventuele oorlog met Turkije te steunen. Vooral Canada was tegen: acht jaar eerder hadden ze zich al door de Britten in een oorlog laten 'meeslepen' die het land al veel had gekost; deze keer moesten ze het zelf maar opknappen. Dit was een duidelijke kentering in de Canadese politiek, die zich vanaf nu onafhankelijker van de Britten ging gedragen. Ook een groot deel van de Britse bevolking reageerde geschrokken en afwijzend op een eventuele nieuwe oorlog. Curzon en Poincaré besloten, na verhitte discussies, dat de zeestraten en Istanboel zouden worden ontruimd.

Inmiddels waren de Turken de bezette gebieden binnengetrokken, de geallieerden verzetten zich hevig maar konden het niet tegenhouden. Bovendien werd de Grieken duidelijk gemaakt dat ze ook niet langer gesteund werden in hun claims op Istanboel en Oost-Thracië. Deze gebieden dienden dan ook door de Grieken te worden ontruimd, en de Griekse vloot moest uit Istanboel worden teruggetrokken. Dit gebaar van de kant van de geallieerden leidde ertoe dat de Turken bereid waren tot onderhandelingen. Dit resulteerde uiteindelijk op 15 oktober in een wapenstilstand. De geallieerden zouden voorlopig op hun posten blijven, maar de Grieken moesten achter de Maritsa terugtrekken.

Deze nederlaag kostte Lloyd George zoveel politiek krediet dat hij niet lang daarna ontslag nam als eerste minister.

Nasleep[bewerken]

De oorlog is met ernstige gruwelen aan beide zijden gepaard gegaan. De Grieken hebben Turken gelyncht en moslimdorpen platgebrand in Thracië en Anatolië. Afyon werd helemaal platgebrand nadat de Griekse troepen de macht daar hadden verloren. Later werd Afyon omgedoopt in Afyonkarahisar (Zwart Afyon). De incidenten leidden tot Turkse represailles tegen etnische Grieken en Armenen in Anatolië. Voor de Baai van Izmir lagen Britse, Franse en Italiaanse oorlogsschepen, die echter slechts eigen staatsburgers opnamen en noch de Grieken noch de Turken hielpen, en ook niets deden om het bloedbad te voorkomen.

Men besloot in januari 1923 tot een een bevolkingsuitwisseling tussen Turkije en Griekenland . Griekse en Turkse moslims trokken naar Anatolië, Grieken en Turkse Christenen trokken naar Griekenland. Slechts moslims in het tot Griekenland behorende West-Thracië, een deel van de Griekse bevolking van Istanboel en de tot Turkije behorende eilanden Imvros en Tenedos werd deze bevolkingsruil bespaard. Duizenden immigranten kwamen naar Griekenland. Dit trok een zware wissel op de Griekse economie. Griekenland zou daarnaast voorgoed afstand doen van het Megali Idea: slechts in de Cyprus-kwestie zou het later nog opflakkeren.

Turkije liet zich de overwinning goed smaken en bedong de gunstigere Vrede van Lausanne bij de geallieerden. Het land omvatte nu ruwweg het Turkije dat we nu kennen, enige latere grenscorrecties daargelaten. Mustafa Kemal groeide uit tot nationale held en symbool: hij had buitenlandse vijanden verslagen, het Turkse volk zijn zelfvertrouwen teruggegeven en Turkije weer op de diplomatieke kaart gezet. Zijn Turksnationalistische, seculiere verwestersingspolitiek kwam van de grond en zou ook na zijn dood in 1938 gehandhaafd blijven. Turkije zou uitgroeien tot een regionale macht, en later tot een belangrijke partner binnen de NAVO en kandidaat-lidstaat voor de EU.

Minderheden[bewerken]

Kind van de rekening werden de minderheden aan beide zijden. Na slachtpartijen van woedende Grieken, Armenen of Turken te hebben moeten doorstaan werd men ineens gedwongen te verhuizen naar een land dat men nauwelijks kende. De migranten behoorden vaak tot de hogere klassen: de Turken waren in Griekenland landeigenaar, de Grieken in Anatolië dokter, leraar of koopman. Nu werden ze geacht eenvoudige handenarbeid te verrichten en in haastig opgezette hutten en tenten te wonen. De migranten zouden nog lang, in zowel Griekenland als Turkije, tot de laagste economische klasse behoren. In Griekenland woonden geen Turken en bijna geen moslims meer. De Griekse aanwezigheid in het huidige territorium van de Republiek Turkije, te weten Anatolië, Lydië, Klein-Azië, de Bosporus, Pontus, Cappadocië, Lycië en andere thans Turkse gebieden, daterend van Homerische tijden, was niet meer. In de zeven jaar voor de bevolkingsuitwisseling hadden de bloedbaden tegen Armeniërs, Pontische Grieken en christelijke Assyriërs in oostelijk Turkije de lokale Christelijke bevolking al sterk in aantal teruggebracht. De rijke geschiedenis van de Ottomaans-Turkse bevolking op Kreta en van de sterke moslimaanwezigheid op het Griekse vasteland sinds de 14e eeuw kwam ook ten einde.

De trauma's van de etnische zuiveringen blijven tot op de dag van vandaag bestaan. Zij speelden ook een belangrijke rol bij het Enosis-streven van de Griekse meerderheid op Cyprus. De oprichting van de Turkse Republiek Noord-Cyprus na de Turkse invasie van Cyprus ging eveneens gepaard met een uitwisseling en verdrijving van zowel de Grieks-Cypriotische meerderheid uit Noord-Cyprus als van de Turks-Cypriotische minderheid van Zuid-Cyprus.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. History of the Campaign of Minor Asia, General Staff of Army, Directorate of Army History, Athens, 1967, page 140: on June 11 (OC) 6,159 officers, 193.994 soldiers (=200.153)
  2. a b Sabah, Mehmet Barlas Kurtuluş Savaşı'nın bazı önemli rakamları!.. 28.08.1997.
  3. a b Επίτομος Ιστορία Εκστρατείας Μικράς Ασίας 1919–1922 (Abridged History of the Campaign of Minor Asia), Directorate of Army History, Athens, 1967, Table 2