Grondrechten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Grondrechten, ook wel fundamentele rechten of mensenrechten, zijn rechten van individuele burgers tegenover de staat en indirect (door een belangenoverweging) tussen burgers. Grondrechten zijn onder meer opgenomen in:

Classificatie van grondrechten[bewerken]

Klassieke grondrechten[bewerken]

Klassieke grondrechten verschillen van de sociale grondrechten. De klassieke grondrechten worden al lange tijd verdedigd in een traditie die teruggaat op mensen als John Locke. Klassieke grondrechten hebben hun weerslag gevonden in internationale verdragen als het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten uit 1966.

Klassieke grondrechten in enge zin[bewerken]

De klassieke grondrechten in enge zin kenmerken zich door het feit dat ze een 'onthouden' van de overheid, een vrijheid van staatsinmenging waarborgen, terwijl bij een sociaal grondrecht juist overheidsoptreden wordt verwacht. Dit zijn bijvoorbeeld het recht op leven, de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van drukpers en de godsdienstvrijheid. Dit worden ook wel individuele rechten genoemd.

Gelijkheidsrechten[bewerken]

Naast de klassieke afweerrechten worden soms ook de gelijkheidsrechten tot de klassieke grondrechten gerekend. Gelijkheidsrechten eisen gelijke behandeling in gelijke gevallen. Dit zijn de grondrechten die discriminatie uitsluiten. Verdragen bevattende veel gelijkheidsrechten zijn het Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie van 1965 en het Verdrag inzake de Uitbanning van alle Vormen van Discriminatie van Vrouwen uit 1979.

Participatierechten[bewerken]

Ook participatierechten worden soms tot de klassieke grondrechten gerekend. Het zijn de grondrechten die waarborgen dat alle burgers in gelijke mate aan het politieke proces kunnen deelnemen of in openbare ambten benoemd kunnen worden. Een uitwerking van deze participatierechten is bijvoorbeeld het algemeen passief en actief kiesrecht.

Sociale grondrechten[bewerken]

Naast klassieke grondrechten worden ook "sociale grondrechten" onderscheiden, die een verplichting voor de staat inhouden om bepaalde zorg beschikbaar te stellen, zoals werkgelegenheid of sociale zekerheid, maar ook recht op huisvesting of onderwijs. De sociale grondrechten maken van een rechtsstaat een sociale rechtsstaat. Sociale grondrechten zijn in de geschiedenis later opgekomen. Twee internationale verdragen die veel sociale grondrechten bevatten zijn het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (IVESCR of ECOSOC) uit 1966 en het Europees Sociaal Handvest (ESH) uit 1996.

Grondrechten in Nederland[bewerken]

Grondrechten in de Nederlandse Grondwet[bewerken]

Veelvoorkomende grondrechten zijn rechten die de burgers moeten beschermen tegen de overheid. De grondrechten zijn te vinden in Hoofdstuk 1 van de Grondwet. De klassieke grondrechten zijn beschreven in artikel 1 tot en met artikel 18, de sociale grondrechten in artikel 19 tot en met 23. Dit artikel geeft een overzicht van de grondrechten.

Klassieke grondrechten in de Nederlandse grondwet[bewerken]

In de Nederlandse Grondwet vinden we een aantal klassieke grondrechten, hieronder zijn afweerrechten, gelijkheidsrechten en participatierechten:

Afweerrechten in de Nederlandse grondwet[bewerken]

In de Nederlandse grondwet vinden we een aantal vrijheids- of afweerrechten. Ze vormen waarborgnormen tegen staatsinmenging. Zo vinden we in artikel 6 de vrijheid van godsdienst.

Artikel 6 stelt: Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

Dit houdt in dat de overheid godsdienst niet mag verbieden of alle inwoners mag dwingen één godsdienst te volgen. Ook een verbod op een van de godsdiensten is niet mogelijk.

Participatierechten in de Nederlandse grondwet[bewerken]

Artikel 4 regelt het algemeen kiesrecht. Dit kan men beschouwen als een participatierecht. Artikel 3 stelt dat alle Nederlanders op gelijke voet in openbare dienst benoembaar zijn. Ook hierin kan een participatierecht worden gelezen, hoewel het ook de elementen van een gelijkheidsrecht heeft.

Gelijkheidsrechten in de Nederlandse grondwet[bewerken]
Het gelijkheidsbeginsel (artikel 1)[bewerken]

Artikel 1 betreft een voor Nederland fundamenteel beginsel, het luidt:

Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Met 'in Nederland' wordt in dit geval alleen het Europese deel van het Koninkrijk bedoeld.[bron?]

De eerste zin geeft het gelijkheidsbeginsel of beginsel van gelijke behandeling; de tweede zin het verbod van discriminatie.

Het beginsel van gelijke behandeling houdt in dat de overheid twee gevallen die niet van elkaar verschillen ook niet verschillend mag behandelen. Is aan de ene burger een bepaald recht toegekend (bijvoorbeeld een vergunning verleend of belasting kwijtgescholden), dan mag dat recht niet worden onthouden aan een burger die in dezelfde positie verkeert. Het is echter niet juist om hier te spreken van discriminatie. Het gelijkheidsbeginsel houdt ook in dat ongelijke gevallen ongelijk moeten worden behandeld naar de mate van ongelijkheid.

Het verbod van discriminatie verbiedt de overheid om onderscheid tussen burgers te maken op gronden die tot de kern van iemands persoonlijkheid kunnen behoren. Het gaat om eigenschappen waarvan een mens geen afstand kan doen (bijvoorbeeld ras), of waarvan hij alleen afstand kan doen door zichzelf geweld aan te doen (bijvoorbeeld godsdienst). Het verbod van discriminatie is ruim geformuleerd. Het artikel somt een aantal gronden op waarop geen onderscheid mag worden gemaakt: godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras en geslacht en eindigt met een open formule: 'op welke grond dan ook'. Een klacht wegens discriminatie op basis van een van de genoemde gronden zal eenvoudiger zijn dan een klacht op basis van de open formule ('op welke grond dan ook ...'). Bij 'op welke grond dan ook ...' moet het gaan om gronden waarvan algemeen is aanvaard dat ook zij onder het discriminatieverbod kunnen worden gerekend; naar huidige opvattingen kan gedacht worden aan leeftijd of handicap. Is bij een onderscheid op basis van geslacht of ras het vermoeden van discriminatie soms snel aan te tonen, het stellen van eisen van fysieke bekwaamheid zal niet direct herkenbaar zijn als (verboden) onderscheid op basis van een handicap. Het discriminatieverbod is nader uitgewerkt in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) uit 1994. Voor een meer uitgebreide bespreking van gelijke behandeling en het discriminatieverbod wordt verwezen naar de betreffende artikelen.

Het beginsel van gelijke behandeling geldt alleen in de verhouding tussen overheid en burger (de zogenaamde verticale werking); het discriminatieverbod is zo fundamenteel dat het ook geldt tussen burgers onderling (horizontale werking). In de praktijk is dit beroep echter zelden doorslaggevend, daarom wordt vaker een beroep gedaan op formele wetten zoals art. 137 Sr of op het IVBPR waardoor de jurisprudentie rond art. 1 GW miniem is. Klachten over discriminatie richting (rijks)overheid sneuvelen ook vaak op het toetsingsverbod (artikel 120 GW).

Artikel 1 geeft aan dat iedereen die zich in Nederland bevindt in gelijke gevallen gelijk moet worden behandeld. Naar de letter van de wet maakt het dus niet uit of iemand Nederlander is of niet, illegaal of legaal. Artikel 2 van de Grondwet maakt echter duidelijk dat vreemdelingen niet altijd het recht hoeven te hebben om in Nederland te verblijven; Nederlanders hebben dat recht wel. Sommige grondrechten zijn alleen aan Nederlanders toegekend, zoals het kiesrecht en het recht om gekozen te worden (artikel 4)

Aan de Hofplaats (naast het Binnenhof) in Den Haag bevindt zich een kunstwerk waar artikel 1 van de Grondwet in verwerkt is.

Artikel 3[bewerken]

Artikel 3 is een verdere uitwerking van artikel 1: "Alle Nederlanders zijn op gelijke voet in openbare dienst benoembaar". In de praktijk blijkt dit toch vaak niet op te gaan; zo zijn nagenoeg alle (benoemde) burgemeesters in Nederland lid van een politieke partij terwijl de overgrote meerderheid van de bevolking geen lid van een politieke partij is.

Sociale grondrechten in de Nederlandse grondwet[bewerken]

In de Grondwet vinden we ook sociale grondrechten.

Een voorbeeld van een sociaal grondrecht is Artikel 19 lid 1 van de grondwet het recht op werkgelegenheid: 1. Bevordering van voldoende werkgelegenheid is voorwerp van zorg der overheid. (bron: http://www.wetboek-online.nl/wet/Gw/19.html)

Daarnaast het recht op onderwijs en het recht op sociale zekerheid (of bestaanszekerheid) bijvoorbeeld. Klassieke en sociale grondrechten verschillen nogal van elkaar. Gaat het bij klassieke grondrechten om terreinen waar de overheid zich níet mee mag bemoeien, sociale grondrechten vragen juist om bemoeienis. De overheid moet zorgen dat de sociale grondrechten gestalte krijgen, ze moet de sociale grondrechten bevorderen met beleid. In feite gaat het hier om intenties ofwel politieke idealen. Sociale grondrechten kun je niet afdwingen, Klassieke grondrechten wel. Zoals dit ook gaat met Positieve en Negatieve rechten.

Reikwijdte van grondrechten[bewerken]

Zoals met alle juridische normen moeten ook, de in eerste instantie duidelijk lijkende grondrechten, geïnterpreteerd worden. In een aantal gevallen heeft de rechter geoordeeld dat het beroep op een grondrecht ten onrechte was. Het dan voorliggende geval viel, volgens de Nederlandse rechter niet onder de zogenaamde 'reikwijdte' van het grondrecht. Zo werd het beroep van de antroposofisch arts die op basis van zijn levensovertuiging geen opgave wenste te doen van zijn bruto inkomen niet gehonoreerd. Eerder al werd het verzoek van een dominee om niet verzekerd te hoeven zijn voor de AOW op grond van godsdienstvrijheid afgewezen. Het komt er dus op neer dat meer indirecte, min of meer geconstrueerde beroepen op grondrechten leiden tot het rechterlijk oordeel dat dat beroep niet onder de reikwijdte valt. De vraag die eigenlijk voorligt is of de norm, het grondrecht, wel bedoeld is om het getroffen belang te beschermen.

Wettelijke inperking van grondrechten[bewerken]

De basis van de beperking is gelegen in het liberale gedachtegoed dat de vrijheid van de een wordt beperkt door de vrijheid van de ander. Om dat concreet te maken is bij de meeste in de Nederlandse Grondwet opgenomen grondrechten de mogelijkheid opgenomen om het grondrecht te beperken bij formele wet. In Artikel 8 (recht van vereniging) van de Nederlandse Grondwet staat bijvoorbeeld: "(..). Bij de wet kan dit recht worden beperkt in het belang van de openbare orde."

Ook staan er, zoals in artikel 6 (vrijheid van godsdienst en levensovertuiging) meer algemeen geformuleerde verwijzingen naar wettelijke beperkingen in: "In artikel 6 van de Nederlandse Grondwet staat bijvoorbeeld:behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Dat houdt in dat de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging beperkt kan worden in het Wetboek van Strafrecht en dat alleen de strafrechter in het concrete geval mag toetsen of iemand strafbaar is, ondanks het feit dat hij zich op dit grondrecht beroept.

De meeste grondrechten mogen worden beperkt in het belang van de openbare orde. De vrijheid van vereniging in artikel 8 mag worden ingeperkt als het gaat om criminele organisaties. En het brief- en telefoongeheim (artikel 13) mag worden beperkt als iemand verdacht wordt van een strafbaar feit.

Horizontale en verticale werking van grondrechten[bewerken]

De grondwet wil burgers tegen de overheid beschermen, in principe gelden grondrechten daarom tussen burger en overheid. Dat heet verticale werking (van 'hoog' naar 'laag'). Ook als de overheid privaatrechtelijk optreedt, dit vloeit o.a. voort uit het arrest 'Rasti Rostelli' van de Hoge Raad. Gelden grondrechten ook tussen burgers onderling – dus horizontaal? Burgers kunnen zich inderdaad ook onderling op grondrechten beroepen. Niet elk recht is daar even goed voor geschikt. Een burger zal een ander niet in het kiesrecht kunnen belemmeren (artikel 4). Dat ligt anders bij bijvoorbeeld discriminatie (artikel 1) of de vrijheid van meningsuiting (art. 7), daar wordt ook tussen burgers onderling regelmatig een beroep op gedaan. De rechter maakt dan een concrete belangenafweging welke voor de ander gaat.

Botsende grondrechten[bewerken]

Soms botsen grondrechten met elkaar. Een veel voorkomend voorbeeld is de botsing tussen ‘het verbod van discriminatie’ met ‘de vrijheid van meningsuiting’. De vraag is of iedereen zomaar alles mag zeggen, ook als die uitingen discriminerend zijn, en zich daarbij mag beroepen op de vrijheid van meningsuiting. In zo’n situatie moet de rechter beslissen welk grondrecht voorgaat. Tot voor kort "won" meestal de vrijheid van meningsuiting, maar recent (sinds 2004/2005) lijkt daar een kentering in te komen.[bron?]

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]

Wikisource Bronnen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden op de pagina Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden op Wikisource