Nederlandse Grondwet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nederlandse politiek
Wapen van Nederland
Grondwet · Statuut
Nederlandse regering
Staten-Generaal
Hoge Raad
Overige Hoge Colleges van Staat
Decentrale overheden
Buitenlands beleid

Portaal  Portaalicoon  Politiek
Portaal  Portaalicoon  Nederland
De nieuwe Grondwet wordt aangenomen (1814)

De Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden kwam in 1814 tot stand. De huidige grondwet dateert uit 1983.

Historie[bewerken]

De eerste Grondwet in Nederland, de Staatsregeling voor het Bataafsche Volk,[1] werd op 1 mei 1798 door de Nationale Vergadering van de Bataafse Republiek ingevoerd. Deze grondwet was geschreven naar Frans voorbeeld. Hiermee werden de fundamenten van de Nederlandse rechtsstaat gelegd. Voor het eerst werden de fundamentele vrijheden van godsdienst, vergadering en drukpers vastgelegd, alsmede de staatsrechtelijke eenheid van de Nederlandse provincies. In de grondwet werd ook de scheiding der machten en een zekere vorm van kiesrecht vastgelegd.[2]

Op 7 augustus 1806 kwam de Constitutie voor het Koninkrijk Holland tot stand in het kader van het nieuwe Koninkrijk Holland, een constitutionele monarchie. In 1810 werd dit geannexeerd door het Franse Keizerrijk.

Grondwet 1814[bewerken]

Grondwet 1814

Na het vertrek van de Franse troepen eind 1813 werd de onafhankelijkheid van de Nederlanden hersteld en konden nieuwe fundamenten voor het politieke bestel worden gelegd. In december 1813 werd een nieuwe orde gevestigd: prins Willem Frederik van Oranje-Nassau, de zoon van stadhouder Willem V werd uitgeroepen tot vorst. Nog in hetzelfde jaar riep Willem Frederik een commissie in het leven die een nieuwe Grondwet moest ontwerpen. Deze commissie stond onder leiding van orangist Gijsbert Karel van Hogendorp. De commissie kwam eind december 1813 voor het eerst bijeen, drie maanden later, op 29 maart 1814, werd tijdens de Vergadering van Notabelen het voorstel van de commissie goedgekeurd door notabelen, door Willem zelf aangewezen. Een dag later werd Willem van Oranje ingehuldigd als "soeverein vorst", die toen nog niet de titel "koning" voerde: het land is even het Soeverein Vorstendom der Verenigde Nederlanden.

De nieuwe Grondwet voor de Vereenigde Nederlanden zou ruim een jaar van kracht zijn. Veel aandacht ging uit naar de positie van de vorst en het vorstenhuis. Er wordt een centralistische monarchie ingevoerd, waarin de vorst veel en de Staten-Generaal weinig macht hadden. Ook worden er vrijheden vastgelegd, zoals de vrijheid van godsdienst. De Staten-Generaal (de huidige Eerste- en Tweede Kamer) waren nieuw en bestonden toentertijd uit één Kamer met 55 leden. Leden van de Staten-Generaal werden per provincie door Provinciale Staten gekozen. Ten opzichte van de vorst hadden de Staten-Generaal weinig macht. Ze hadden het recht van initiatief (recht om wetsvoorstellen te doen) en een beperkt begrotingsrecht en ze mochten wetsvoorstellen goed- of afkeuren. Maar het recht om voorstellen te wijzigen en rechten om de vorst te controleren waren er niet. De vorst kon bovendien om de Staten-Generaal heen, door zaken bij Besluit afdoen. Besluiten hoefden - in tegenstelling tot wetten - niet voor akkoord aan de Staten-Generaal te worden voorgelegd.

Grondwet 1815[bewerken]

Ontwerp Grondwet 1815
Koning Willem I met de grondwet van 1815

In 1815 moest Nederland volgens het plan van het Congres van Wenen worden herenigd met het latere België, zo moest het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden ontstaan. Willem stelde een nieuwe Grondwetscommissie in, weer onder leiding van Van Hogendorp. Van die commissie maken ook Belgen deel uit. De totstandkoming is dit keer heel wat moeilijker. De Staten-Generaal in Den Haag keuren het voorstel goed; veel animo voor de Grondwet is er echter niet in de Zuidelijke Nederlanden, veel van de notabelen die daar door Willem aangewezen zijn om hun goedkeuring uit te spreken blijven thuis; erger nog is dat een meerderheid het voorstel afkeurt. Bij 126 van dezen is het motief echter de vrijheid van godsdienst die zij in deze vorm verwerpen. Deze vrijheid is echter door het Congres van Wenen dwingend opgelegd. Daarom telt Willem hun stemmen bij die van de ja-stemmers, voegt er het aantal onthouders aan toe en komt door deze beruchte "Hollandse Rekenkunde" toch nog aan een meerderheid. Op 16 maart 1815 roept Willem zich uit tot koning Willem I der Nederlanden, in augustus roept hij zich uit tot Koning der Verenigde Nederlanden en kondigt op 24 augustus 1815 de nieuwe Grond-Wet voor het Koninkrijk der Nederlanden af. Een belangrijke wijziging die in de Grondwet van 1815 (op aandringen van de Belgen) wordt doorgevoerd is de splitsing van de Staten-Generaal in twee Kamers,[3] zoals we die ook vandaag de dag nog kennen. De Tweede Kamer stemt over wetsvoorstellen en mag die ook zelf indienen. De Eerste Kamer, in de grondwet van 1815 benoemd door de koning, mag alleen 'ja' of 'nee' tegen wetsvoorstellen zeggen. Ook in de nieuwe Grondwet houdt de koning veel macht, bovendien blijft de mogelijkheid om de Staten-Generaal te omzeilen door zaken te regelen bij Besluit in stand. Er worden ook nieuwe grondrechten ingesteld, zoals (een beperkte mate van) vrijheid van drukpers, het recht van petitie en de bescherming van de woning.

De Zuidelijke Nederlanden zijn nooit blij geweest met het besluit van het Congres van Wenen. De inwoners waren overwegend katholiek, de inwoners van de Noordelijke Nederlanden waren in meerderheid protestant. En de Noordelijke Nederlanden hebben een veel grotere staatsschuld dan de Zuidelijke Nederlanden, wat maakt dat het Zuiden zich verzet tegen de hoge belastingen. Het verzet neemt nog verder toe als Willem I in 1823 het Taalbesluit afkondigt. In de Vlaamse provincies mag voortaan alleen nog Nederlands als officiële taal worden gebruikt. In 1830 bindt het Zuiden de strijd aan met het Noorden. Wat in juli 1830 begint als rellen, eindigt in september in een heuse strijd. Op 4 oktober 1830 wordt de zelfstandige staat België uitgeroepen, al in november wordt België door de Europese landen erkend. Willem I weigert de scheiding te erkennen. In augustus 1831 vindt de Tiendaagse Veldtocht plaats, waarbij het Nederlandse leger aanvankelijk successen behaalt, maar na Franse interventie moet het leger zich terugtrekken en is de scheiding van Nederland en België definitief. Pas in 1839 legt Willem I zich daarbij neer en aanvaardt het Scheidingsverdrag.

Grondwet 1840[bewerken]

Met de officiële scheiding van België moet ook de Grondwet herzien worden. Allereerst wordt de scheiding in de Grondwet vastgelegd. Ook wordt in de Grondwet opgenomen dat ministers vervolgd kunnen worden voor ambtsdaden die strijdig zijn met de Grondwet of andere wetten, dit is het begin van de ministeriële verantwoordelijkheid. Bovendien werd de verplichte ministeriële medeondertekening (het contraseign) van Koninklijke Besluiten ingevoerd. Bij de behandeling van de Grondwetsherziening in 1840 treedt voor het eerst Thorbecke op, die later nog een belangrijke rol zal spelen. Thorbecke stemt in 1840 tegen alle voorstellen omdat hij vindt dat ze niet ver genoeg gaan. De provincies Noord-Holland en Zuid-Holland zijn bij deze herziening ontstaan. Voorheen vormden zij nog één provincie Holland.

Grondwet 1848[bewerken]

De grondwet van 1848
Nuvola single chevron right.svg Grondwetsherziening 1848

Aan de basis van de Grondwetsherziening van 1848 liggen geen dramatische feiten als een oorlog, afscheiding of crisis, al is er de voortdurende dreiging van de revolutie die door Europa gaat. Deze keer gaat het om een min of meer 'vreedzame revolutie'. Reeds in 1844 waren er voorstellen uit de Tweede Kamer, van de Negenmannen gekomen voor staatsrechtelijke hervormingen, die door Koning Willem II niet werden geaccepteerd. In de troonrede van 1847 kondigde Willem II een Grondwetsherziening aan. Begin 1848 werd een aantal voorstellen ingediend, maar veel wijzigingen brachten die niet met zich mee - het regeringsstelsel bleef grotendeels hetzelfde. In maart 1848 braken in Frankrijk en in Duitse staten als Baden en Pruisen revoluties uit, ook in Nederland (vooral Amsterdam en Den Haag) zijn rellen. Die hebben niet zozeer met de Grondwet te maken, maar meer met de slechte economische toestand en armoede. Toch schrok Willem II en gaf toe aan de eisen van staatsrechtelijke veranderingsvoorstellen van de Negenmannen voordat ook in Nederland de strijd losbarstte. Op 17 maart werd een grondwetscommissie benoemd onder voorzitterschap van Johan Rudolph Thorbecke. Thorbecke kreeg van Willem II de opdracht een liberale Grondwet te ontwerpen. Willem II had eerder verklaard fel tegen de liberale veranderingen te zijn, evenals als zijn zoon Willem III, die in 1848 als kroonprins al afstand wilde nemen van de troon. Na het overlijden van Willem II in 1849 gaf hij dit nogmaals aan en in 1853 keerde hij zich openlijk tegen de Grondwet.

De Grondwetsherziening van 1848 legde de basis voor het huidige stelsel van parlementaire democratie. De macht van de koning wordt ingeperkt. De koning is niet langer verantwoordelijk voor het beleid, maar de ministers. De Tweede Kamer kreeg meer invloed en wordt sindsdien bovendien rechtstreeks gekozen. De kiezers bestaan in 1848 nog wel uit een select gezelschap, gebaseerd op het betalen van belasting (het censuskiesrecht). De commissie rondde haar werkzaamheden op 11 april 1848 af. Op 3 november 1848 werd de nieuwe Grondwet afgekondigd.

Belangrijkste wijzigingen 1848[bewerken]

Zoals gezegd legde de Grondwet uit 1848 de basis voor het huidige bestuurlijke stelsel. De bevoegdheden van Koning, Staten-Generaal, Provincies en Gemeenten vinden we in deze versie van de Grondwet terug en in grote lijnen geldt die verticale spreiding van macht nog steeds. Vandaar dat de bestuurlijke inrichting van Nederland ook wel het "Huis van Thorbecke" wordt genoemd. Hierna worden de belangrijkste wijzigingen uit 1848 opgesomd. Een aantal is inmiddels achterhaald.

  • invoering van de politieke ministeriële verantwoordelijkheid: de ministers zijn verantwoordelijk, de koning is onschendbaar
  • rechtstreekse verkiezing van Tweede Kamer, gemeenteraden en Provinciale Staten op grond van het censuskiesrecht
  • indirecte verkiezing van de Eerste Kamer waarbij alleen de rijksten uit iedere provincie lid kunnen worden
  • openbaarheid van vergaderingen van alle vertegenwoordigende organen
  • mogelijkheid om de Kamers te ontbinden en nieuwe verkiezingen uit te schrijven
  • invoering van het recht van amendement voor de Tweede Kamer
  • de Tweede Kamer krijgt het recht onderzoek te (laten) doen (enquêterecht)
  • beide Kamers krijgen inlichtingenrecht (recht op informatie)
  • de begroting wordt niet meer tweejaarlijks maar jaarlijks vastgesteld, ook daarbij geldt het recht van amendement
  • het parlement krijgt meer invloed op het koloniale beleid: jaarlijks moet een koloniaal verslag worden uitgebracht, de koning heeft niet meer alleen het opperbestuur.
  • vrijheid van onderwijs
  • vrijheid van vereniging en vergadering
  • de koning heeft geen invloed meer op besluiten van de Rooms-Katholieke Kerk
  • een andere procedure voor herziening van de Grondwet

Grondwetsherzieningen van 1848 tot 1983[bewerken]

Grondwetswijziging in 1938.

Alleen de belangrijkste wijzigingen worden hierna genoemd.

1887[bewerken]

De wijzigingen waren niet groots, maar bleken later toch van belang te zijn. Dit geldt vooral voor de aanzet tot algemeen kiesrecht, doordat het befaamde "caoutchouc-artikel" het censuskiesrecht vervangt, bepalend dat de Kieswet voortaan het kiesrecht toekent aan mannen met zekere "kentekenen van geschiktheid en maatschappelijke welstand". Door het stellen van steeds lagere eisen wordt het aantal kiesgerechtigden in de jaren daarna fors uitgebreid. Ook worden de mogelijkheden om lid te worden van de Eerste Kamer verruimd.

1917[bewerken]

Voortaan mogen alle mannen ouder dan 23 jaar stemmen en is er passief vrouwenkiesrecht. De evenredige vertegenwoordiging wordt ingevoerd ter vervanging van het districtenstelsel. Ten aanzien van het onderwijs wordt vastgelegd dat het bijzonder onderwijs op gelijke voet recht heeft op financiële steun van de overheid als het openbaar onderwijs. Dit beëindigde de bittere Schoolstrijd.

1922[bewerken]

Het actief vrouwenkiesrecht krijgt een basis in de Grondwet, nadat het al in 1919 bij gewone wet is ingevoerd. Ook het begrip koloniën wordt geschrapt, Nederlands-Indië, Suriname en Curaçao worden genoemd als delen van het Rijk. Vrijstelling van dienstplicht wordt mogelijk voor mensen met gewetensbezwaren. En een oorlogsverklaring is voortaan alleen nog mogelijk na toestemming van het parlement.

1938[bewerken]

Er komt een mogelijkheid om een minister zonder portefeuille te benoemen. Ook wordt het mogelijk openbare lichamen voor beroep en bedrijf in te stellen, dit zijn bijvoorbeeld bedrijfschappen en overlegorganen waarin (op zich particuliere) werkgevers- en werknemersorganisaties vertegenwoordigd zijn, zoals de SER. Hiermee wordt in feite de basis voor het poldermodel gelegd.

1946 en 1948[bewerken]

Bioscoopjournaal uit 1948 over een grondwetswijziging in verband met de nieuwe verhoudingen tussen Nederland en de overzeese gebiedsdelen.
Drees met het volledige kabinet over de grondwetsherziening in 1948.

De wijzigingen in deze periode hangen vooral samen met dekolonisatie. Zo wordt het in 1946 mogelijk om dienstplichtigen naar Nederlands-Indië te sturen. In 1948 wordt de mogelijke soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië opgenomen (die overdracht vindt plaats in 1949).

1954[bewerken]

Nadere regeling van de verhouding tussen Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen, genaamd het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.

1956[bewerken]

Invoering van het instituut staatssecretaris; een eenvoudige(r) regeling voor de totstandkoming van internationale verdragen; uitbreiding van het aantal leden van Tweede en Eerste Kamer van respectievelijk 100 naar 150 en 50 naar 75.

1963[bewerken]

Overdracht van Nederlands Nieuw-Guinea aan Indonesië.

1971[bewerken]

Verlaging kiesgerechtigde leeftijd naar 18 jaar; de verplichting om bij wet te regelen wie lid zijn van het koninklijk huis.

Algehele herziening Grondwet in 1983[bewerken]

Algemene grondwetsherziening, 19 januari 1983

In 1983 komt na een lange discussie een algehele herziening tot stand. Al in 1971 had de Commissie Cals-Donner onder leiding van Jo Cals en André Donner een rapport over de algehele herziening uitgebracht. De discussie hierover startte in 1974 en leidde in 1983 tot de herziening, waarbij alle artikelen onder de loep zijn genomen en aan de huidige tijd zijn aangepast. De voorstellen van Cals/Donner rond staatkundige vernieuwing worden niet overgenomen. Wel verandert de opzet van de Grondwet en worden nieuwe grondrechten toegevoegd, zoals bescherming van burgers tegen discriminatie (artikel 1), vastlegging van de onaantastbaarheid van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10) en het menselijk lichaam (artikel 11), een algemene vrijheid van meningsuiting en de verplichting voor de overheid om werkgelegenheid, bestaanszekerheid en een schoon milieu te bevorderen (de sociale grondrechten). Veel verouderde bepalingen verdwijnen, onder andere het processieverbod voor katholieken. Ook de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid wordt niet langer opgenomen. Andere belangrijke wijzigingen zijn:

  • Amsterdam wordt officieel de hoofdstad van het Koninkrijk de Nederlanden
  • verlaging van de leeftijd om Kamerlid te mogen worden naar 18 jaar
  • invoering van gelijktijdige verkiezing van alle Eerste Kamerleden voor vier jaar
  • de mogelijkheid om bij wet het kiesrecht voor de gemeenteraden open te stellen voor inwoners die geen Nederlander zijn
  • Eerste en Tweede Kamer kiezen zelf voor vier jaar hun voorzitter
  • verbod tot het opleggen van de doodstraf
  • invoering van de Nationale Ombudsman
  • grondwettelijke vastlegging van de onafhankelijkheid van Suriname in 1975

Grondwetherzieningen na 1983[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Bekijk alle grondwetswijzigingen sinds 1983 op Wikisource

Na 1983 is nog een aantal kleinere herzieningen tot stand gekomen in 1987, 1995, 1999, 2000, 2002, 2005, 2006 en 2008. De belangrijkste zijn:

  • het binnentreden van woningen wordt met minder waarborgen omkleed in geval van bij wet gestelde uitzonderingen
  • opschorting van de dienstplicht
  • de krijgsmacht kan ook worden ingezet voor internationale vredesoperaties
  • de nationale ombudsman opgenomen in de Grondwet

Aanhangige Grondwetherzieningen[bewerken]

Aanhangig in de Eerste Kamer is de eerste lezing van een wijziging van de Grondwet om de leden van de eilandsraden van Bonaire, Sint Eustatius en Saba het actief kiesrecht te verlenen en om de verkiezing van leden van de Eerste Kamer en tevens de drie openbare lichamen een eigen constitutionele basis te geven: Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot het opnemen van een constitutionele basis voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het regelen van de betrokkenheid van hun algemeen vertegenwoordigende organen bij de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer.[4] In het nieuwe artikel 132a van de Grondwet wordt bepaald dat bij wet in het Caribische deel van Nederland andere territoriale openbare lichamen dan provincies en gemeenten kunnen worden ingesteld en opgeheven. In de titel van het betreffende hoofdstuk worden deze Caribisch openbaar lichaam genoemd.[5]

Deze eerste lezing is door de Tweede Kamer aangenomen, maar de Eerste Kamer heeft op 19 maart 2013 besloten om de behandeling op te schorten totdat de evaluatie van de nieuwe staatskundige structuur binnen het Koninkrijk in 2015 heeft plaatsgevonden.

Ingetrokken voorstel tot Grondwetherziening[bewerken]

In september 2012 werd het wetsvoorstel Verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet van bepalingen inzake de inrichting en samenstelling van de Staten Generaal ingediend, strekkende tot de vermindering van het aantal leden van de Tweede Kamer en de Eerste Kamer. In november 2012 kondigde de premier aan dat het wetsvoorstel zou worden ingetrokken[6], hetgeen in maart 2013 is gebeurd.[7]

Tekst van de Nederlandse Grondwet[bewerken]

De Grondwet kent de volgende hoofdstukken:

Toetsing aan de Grondwet door de rechter[bewerken]

De Grondwet is de hoogste wet van een land. Het zou dus logisch zijn als een wet die in strijd is met de Grondwet nietig ofwel ongeldig verklaard zou kunnen worden. De rechter zou een dergelijke wet dan kunnen toetsen aan de Grondwet. Anders dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten of de Duitse Bondsrepubliek heeft Nederland een dergelijk toetsingsrecht echter nooit gekend. Dit omdat men meent dat daarmee het risico bestaat dat de rechter op de stoel van de wetgever gaat zitten, met andere woorden, dat de democratische verkozen Tweede Kamer haar plaats als hoogste wetgevend orgaan verliest. Nederland en Finland zijn de enige twee landen in de EU waar deze toetsing nog verboden is. Er zijn steeds meer voorstanders van opheffing van dit verbod.[bron?] Wetten kunnen wel door de rechter aan een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties worden getoetst.[8] Tevens kunnen materiële wetten die geen formele wetten zijn -plaatselijke en provinciale verordeningen, maar ook algemene maatregelen van bestuur (AMvB's)- aan de grondwet worden getoetst. Dit laatste omdat verordeningen en AMvB's geen wetten in formele zin zijn, en het rechterlijk toetsingsverbod alleen het toetsen van wetten in formele zin aan de grondwet verbiedt.[9]

Op 2 december 2008 is het Wetsvoorstel-Halsema aangenomen door de Eerste Kamer, met een meerderheid van één stem. Er zijn 37 stemmen voor uitgesproken en 36 stemmen tegen.[10]

Het Kabinet-Balkenende IV adviseerde de senatoren tegen te stemmen. "De voordelen van de grondwetswijziging wegen niet op tegen de nadelen”, stelde minister van Binnenlandse Zaken Ter Horst in het debat over het wetsvoorstel. Aanvankelijk leek het voorstel bij de stemming te zullen stranden, omdat de PvdA-fractie had aangekondigd geen fractiediscipline te zullen toepassen. Eerste Kamerlid Rehwinkel (PvdA), zelf een verklaard voorstander van het voorstel, kon niet instaan voor het stemgedrag van enkele van zijn fractiegenoten, maar hij bleek hen toch te hebben overgehaald allemaal voor het wetsvoorstel te stemmen.[11]

Het Wetsvoorstel Halsema behelst de bevoegdheid voor de rechter wetten (in formele zin) beperkt te toetsen aan de grondwet. Wetten in formele zin kunnen na invoering worden getoetst aan de artikelen: 1, 2, derde en vierde lid, 3 tot en met 9, 10, eerste lid, 11 tot en met 17, 18, eerste lid, 19, derde lid, 23, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid, 54, 56, 99, 113, derde lid, 114, 121 en 129, eerste lid. . Het blijft onmogelijk om wetten in formele zin aan de overige artikelen van de grondwet te toetsen.[12]

Herziening van de Grondwet[bewerken]

Procedure voor wijziging[bewerken]

Hoofdstuk 8 van de Grondwet legt de procedure vast waarmee de grondwet gewijzigd wordt. Deze procedure verloopt in twee stappen over de twee Kamers heen.

Een wijziging van de Grondwet begint ermee dat de Staten-Generaal een overwegingswet (ook wel verklaringswet genoemd) aannemen (aanvaarding in eerste lezing). Deze wet wijzigt niet de grondwet, maar is een "verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet". De overwegingswet is een gewone wet en er gelden de normale regels om die wet aan te nemen – een gewone meerderheid in de Tweede en Eerste Kamer is vereist. Totdat de wet is aangenomen, kan de Tweede Kamer, al dan niet op voorstel van de Regering (officieel: koning), nog voorstellen om de wet te splitsen en zo de voorgestelde wijziging in losse stappen door te voeren.

De behandeling van de voorgestelde wijziging (tweede lezing) kan pas beginnen, nadat de Tweede Kamer is ontbonden. In de praktijk wordt de Tweede Kamer niet speciaal hiervoor ontbonden. Een gevolg is wel dat normaal gesproken slechts eens in de vier jaar een of meer grondwetswijzigingen kunnen plaatsvinden. De Tweede Kamer kan de wet niet amenderen. De nieuwe Staten-Generaal moeten het voorstel van de oude Staten-Generaal dus aannemen of afwijzen zoals het er ligt. Bovendien geldt nu dat Tweede en Eerste Kamer met een tweederdemeerderheid voor moeten stemmen om de grondwetswijziging daadwerkelijk door te voeren. Als de nieuwe Staten-Generaal voorstemmen, volgt verder de normale procedure voor wetswijziging en de Koning bekrachtigt de wijziging in de grondwet.

Overigens kunnen de nieuwe Staten-Generaal de voorgestelde wijziging dan wel niet aanpassen, maar er is nog wel de mogelijkheid voor de Koning (dat wil zeggen, de regering) om de nieuwe Staten-Generaal het voorstel te laten splitsen. Zo kan een gedeelte van de wijziging wel aangenomen worden en de rest niet, als blijkt dat de nieuwe Staten-Generaal met een gedeelte van de voorgestelde wijziging niet kunnen leven.

Als de nieuwe Staten-Generaal het voorstel aanvaarden, maakt de Koning de wijziging bekend. Meteen daarop treedt de wijziging in werking. Voordat de Koning de wijziging bekendmaakt, kunnen de nieuwe Staten-Generaal nog een administratieve "opschoonwet" aannemen. Middels deze wet kan de rest van de Grondwet opgeschoond worden met betrekking tot de echte wijziging: verwijzingen in de Grondwet kunnen gewijzigd worden, artikelen hernummerd en verplaatst, enzovoorts. Een dergelijke wijziging mag uiteraard niet stiekem een aparte wijziging in de Grondwet doorvoeren – het mag alleen gaan om administrativa. Een dergelijke opschoonwet moet overigens met een versterkte meerderheid in parlement en Senaat aangenomen worden.

Voor voorbeelden van verwerping in tweede lezing (in deze gevallen door de Eerste Kamer) zie Nacht van Wiegel en Nacht van Van Thijn. Een derde geval betrof tijdelijke vervanging wegens zwangerschap en bevalling van een lid van de Eerste of Tweede Kamer, verworpen in 1996[13], maar in 2005 werd een soortgelijke wijziging alsnog aangenomen.[14][15]

Indien de voorgestelde grondwetswijziging betrekking heeft op aangelegenheden van het Koninkrijk, dan bepaalt artikel 5, derde lid, van het Statuut dat beide wetten in de vorm van een rijkswet dienen te worden gegoten, zodat ook de gevolmachtigde ministers en de eventueel aangewezen bijzondere gedelegeerden hun invloed op het wijzigingsproces kunnen aanwenden. Indien de Grondwet afwijkt van het Statuut, kan deze bij gewone wet (dus in één lezing met gewone meerderheden in beide kamers) met het Statuut in overeenstemming worden gebracht (artikel 142 Grondwet).

Volksinbreng[bewerken]

De procedure met de dubbele stemming is zo ingericht om het volk de gelegenheid te geven zich uit te spreken over een voorgestelde grondwetswijziging. Om de grondwet te wijzigen, moet namelijk een nieuwe Tweede Kamer gekozen worden en het idee is dat de bevolking desnoods een parlement kan kiezen dat tegen de wijziging zal stemmen. Daarmee is de grondwetswijziging de enige wijziging in wetgeving of procedure waarbij gegarandeerd het volk wordt geraadpleegd. Een kleine grondwetswijziging speelt echter in de praktijk ook maar een kleine rol in de verkiezingscampagne.

In vroegere versies van de herzieningsprocedure werd, na het aannemen van een voorstelwet, ook de Eerste Kamer ontbonden. In 2002 is dat echter vervallen, vanuit het besef dat het een nutteloze toevoeging aan de procedure was. Het volk spreekt zich uit door middel van de Tweede Kamerverkiezing, maar de Eerste Kamer wordt gekozen door de Provinciale Staten. Tenzij er nieuwe verkiezingen zijn voor de Provinciale Staten, zal de nieuwe Eerste Kamer meestal vrijwel hetzelfde zijn als de Eerste Kamer die speciaal ontbonden werd[16]. Noch het speciaal hiervoor houden van nieuwe verkiezingen voor de Provinciale Staten, noch het wachten met de behandeling tot na de reguliere nieuwe verkiezingen wordt een wenselijk alternatief geacht.

Andere constitutionele wetten[bewerken]

Wet algemeene bepalingen[bewerken]

De Wet algemene bepalingen van 15 mei 1829 bevat bepalingen van constitutionele aard.

Statuut[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Naast de Grondwet is er nog het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden van 1954. In het Statuut worden de verhoudingen tussen de landen binnen het Koninkrijk geregeld. In 1954 betrof dat Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. De statuutslanden zijn sinds 10 oktober 2010: Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

Het Statuut is te beschouwen als een overkoepelende grondwet op het niveau van het Koninkrijk, terwijl de Nederlandse Grondwet voor het grootste deel alleen geldt voor het land Nederland en slechts in bepaalde gevallen (bijvoorbeeld de artikelen die het koningschap en andere in het Statuut genoemde instellingen van het Koninkrijk regelen) ook op Aruba, Curaçao en Sint Maarten van toepassing is.

Externe links[bewerken]

Wikisource NL Meer bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden op de Nederlandstalige Wikisource.
Bronnen en voetnoten
  1. Grondwet van de Bataafse Republiek op Wikisource
  2. 'Onze Grondwet is niet dankzij, maar ondanks de Oranjes tot stand gekomen', Volkskrant
  3. Remieg Aerts, Herman de Liagre Böhl, Piet de Rooy en Henk te Velde (1999). Land van kleine gebaren: Een politieke geschiedenis van Nederland 1780-1990. Nijmegen: SUN.
  4. http://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/33131_vastlegging_staatkundige
  5. Zie voor verdere aanhangige wijzigingen van de Grondwet [1] onder Actueel.
  6. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2012/11/27/kamerbrief-met-een-overzicht-van-wetsvoorstellen-die-zullen-worden-ingetrokken.html
  7. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/03/12/kamerbrief-intrekking-voorstel-van-wet-houdende-vermindering-van-aantal-leden-tweede-kamer-en-eerste-kamer.html
  8. Artikel 94 van de Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden luidt: "Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties."
  9. Artikel 120 van de Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden luidt: "De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen."
  10. Nipte meerderheid voor toetsen wet aan Grondwet NRC, 2 december 2008
  11. De fracties van PvdA, SP, GroenLinks, Christenunie, D66, Partij voor de Dieren, Onafhankelijke Senaatsfractie en de fractie-Yildirim stemden voor. De fracties van CDA, VVD en SGP stemden tegen. Eerder was het voorstel al goedgekeurd door een ruime meerderheid in de Tweede Kamer. Alleen de CDA-fractie stemde daar tegen.
  12. Wet van 25 februari 2009, houdende verklaring dat er grond bestaat een voorstel in overweging te nemen tot verandering in de Grondwet, strekkende tot invoering van de bevoegdheid tot toetsing van wetten aan een aantal bepalingen van de Grondwet door de rechter. Gepubliceerd in Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, Jaargang 2009, nr. 120
  13. http://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/23798_aanvulling_grondwet_met
  14. s:Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden (herzieningen 1983-heden)#2005: Vervanging zwangere leden
  15. Zie ook http://www.eerstekamer.nl/verworpen_in_de_eerste_kamer?t=g
  16. Behalve als een lid zich heeft afgesplitst van de partij voor wie hij of zij oorspronkelijk in de Eerste Kamer zat.

Beluister

(info)