Groninger ziekte

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Groninger ziekte (ook wel ‘tussenpozende koortsen’) die in 1826 uitbrak was een vorm van malaria die aan bijna 10% van de bevolking van Groningen (2.844 mensen in totaal) het leven kostte.

In februari 1825 vonden er diverse dijkdoorbraken plaats, waardoor landerijen onder water kwamen te staan. De rotting van planten en dieren in een moerasachtige omgeving en de doorbraak van de Rietdijk in Groningen in 1826 –die de stad onder water zette- zorgde in de hete lente en zomer van 1826 voor een voedingsbodem voor het ontstaan van parasieten, die de ziekte zouden verspreiden.

De ziekte zou zich niet alleen manifesteren in Groningen en omgeving, maar ook Friesland en de Duitse Noordzeekust werden getroffen. De Friese plaats Sneek meldde dat het aantal doden in 1826 verdrievoudigd was ten opzicht van voorgaande jaren.

Trivia[bewerken]

  • Door het groot aantal sterfgevallen besloot de Raad van de Martinikerk te Groningen de klokken niet meer te luiden bij begrafenissen, omdat dit een negatief effect zou hebben op de plaatselijke bevolking.
  • Door deze uitbraak werd de discussie over het begraven van overledenen in een kerk of in de directe omgeving ervan sterker aangezwengeld. Veel medici en bestuurders meenden, dat het begraven binnen de stadmuren leidde tot grote besmettingshaarden. De stad Groningen zou in 1827 dan ook overgaan tot de aanleg van de Zuider- en Noorderbegraafplaats.
Bronnen, noten en/of referenties