Groothertogdom Baden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Großherzogtum Baden
Lid van de Rijnbond (1806-1813)
Lid van de Duitse Bond (1815-1866)
Staat in het Duitse Keizerrijk (1871-1918)

 Keurvorstendom Baden 1806 – 1918 Republiek Baden 
Symbolen
Vlag van Baden tussen 1891 en 1925 Wapen van Baden
(Details) (Details)
Kaart
Map-DR-Baden.svg
Algemene gegevens
Hoofdstad Karlsruhe
Oppervlakte 15.070 km²
Bevolking 993.414 (1815), 1.507.179 (1875)
Talen Duits
Religie Lutheranisme, Rooms-katholicisme
Munteenheid Gulden, Mark
Kenteken IV B
Volkslied Badnerlied (vanaf 1865)
Politieke gegevens
Regeringsvorm Constitutionele monarchie
Staatshoofd Groothertog
Legislatuur Badische Ständeversammlung
Dynastie Huis Baden
Bondsraad 3 stemmen
Portaal  Portaalicoon   Duitsland

Het Groothertogdom Baden (Duits: Großherzogtum Baden) was een staat in het zuidwesten van Duitsland op de oostoever van de Rijn. Het bestond van 1806 tot 1918.

Geschiedenis[bewerken]

Overzicht[bewerken]

In 1803 werd de markgraaf van Baden keurvorst van het Heilige Roomse Rijk. Nadat dit land ontbonden werd in 1806 kreeg Baden er een stuk grondgebied bij. In 1815 sloot het land zich aan bij de Duitse Bond.

Tijdens de revolutie van 1848 was Baden een centrum voor revolutionaire activisten. In 1849 was het de enige Duitse staat die, voor korte tijd, een republiek werd. De revolutie in Baden werd uiteindelijk onderdrukt door de Pruisische troepen. Het Groothertogdom bleef een soeverein land totdat het deel werd van het Keizerrijk Duitsland in 1871.

Na de revolutie van 1918 werd Baden een republiek en onderdeel van de Weimarrepubliek.

De Rijnbondakte van 1806[bewerken]

De Rijnbondakte van 12 juli 1806 regelde het volgende voor Baden

  • artikel 5 regelde de verheffing van de keurvorst tot groothertog.
  • artikelen 14 en 19 regelden de afstand door het koninkrijk Württemberg van het graafschap Bonndorf, de steden Bräunlingen, Villingen (met het gebied op de rechter oever van de Brigach) en Tuttlingen(met het gelijknamige ambt op de rechter oever van de Donau).
  • artikelen 15 en 18 regelden de afstand door Baden aan Württemberg van de stad Biberach.
  • artikel 19 regelde de overdracht van het vorstendom Heitersheim aan Baden
  • artikel 24 regelde de mediatisering: het vorstendom Fürstenberg (met uitzonderling van de heerlijkheden Gundelfingen, Neufra, Trochtelfingen, Jungnau en het deel van het ambt Meßkirch op de linker oever van de Donau), de heerlijkheid Hagnau, het graafschap Tengen, het landgraafschap Klettgau, de ambten Neidenau en Billigheim, het vorstendom Leiningen, de bezittingen van de vorsten en graven van Löwenstein-Wertheim op de linker oever van de Main (met uitzondering van het graafschap Löwenstein, het deel van het graafschap Limpurg-Gaildorf dat behoorde aan de graven van Löwenstein-Wertheim en de heerlijkheden Heubach, Breuberg en Habizheim) en tenslotte de bezittingen van de vorsten van Salm-Reifferscheid-Krautheim ten noorden van de Jagst.

Op 17 oktober 1806 sloten Baden en Württemberg een grensverdrag met vele grenscorrecties. De belangrijkste daarvan was de afstand door Baden van de stad Tuttlingen.

Verdrag van Parijs van 1810[bewerken]

Op 2 oktober 1810 werd het verdrag van Parijs gesloten tussen Württemberg en Baden. Baden kreeg een belangrijke uitbreiding met het voormalige landgraafschap Nellenburg. Daarnaast waren er een serie grenscorrecties met als belangrijkste die in het hoofdambt Hornberg: onder andere de hoofdplaats kwam aan Baden.

Al met al werd het Badense gebied uitgebreid tot wel vijfmaal de oorspronkelijke grootte.

Het Congres van Wenen en de vervolgverdragen[bewerken]

Karel Frederiks opvolger Karel (1811-1818) verbrak het bondgenootschap met Frankrijk en sloot zich aan bij de geallieerden. In 1815 werd Kehl door Frankrijk afgestaan. Baden werd lid van de Duitse Bond. Een dreiging voor het voortbestaan van het groothertogdom werd veroorzaakt door een dynastiek probleem. Groothertog Karel was een nakomeling uit een huwelijk van groothertog Karel Frederik met een niet-vorstelijke vrouw en de successie werd niet door alle staten erkend. Pas op het Congres van Aken in 1818 erkenden de grote mogendheden deze successie. Op 2 juli 1819 werden in artikel 10 van het Frankfurter Territorialrezeß (FTR) de graven van Hachberg als opvolger erkend en kwamen er garanties tegen Beierse gebiedsaanspraken. Op 10 juli werd artikel 8 ondertekend, waarin Oostenrijk het voormalige vorstendom von der Leyen aan baden afstond, terwijl Baden Steinfeld (deel van het voormalige graafschap Wertheim) aan Beieren afstond.

Het groothertogdom Baden na het Congres van Wenen[bewerken]

Op 22 augustus 1818 werd een constitutie ingevoerd. Groothertog Leopold (1830-1852) sloot zich in 1835 aan bij de Zollverein. Onder zijn bewind werd Baden een voorbeeldstaat voor het Duitse liberalisme. In het revolutiejaar 1848 brak een gewapende republikeinse opstand uit. Leopold moest in 1849 naar de Elzas vluchten en riep de hulp in van de Pruisische koning Wilhelm I om de opstandelingen te verslaan. Dit gebeurde op 21 juni te Waghäusel.

Vlag van het Groothertogdom Baden vanaf 1862

Groothertog Frederik I (1852-1907) sprak zich in 1860 openlijk uit voor een pro-Pruisische maar liberale politiek. In de Sleeswijk-Holsteinse kwestie koos Baden echter partij voor Oostenrijk en moest na de Pruisische overwinning in dit conflict Pruisen een schadeloosstelling van 6 miljoen gulden betalen en een offensief en defensief verbond aanvaarden. Omdat de Duitse Bond was opgeheven en Baden geen lid werd van de Noord-Duitse Bond was de staat in theorie nu volledig zelfstandig.

Het Badense leger werd naar Pruisisch model gereorganiseerd en streed mee in de Frans-Pruisische Oorlog van 1870. In 1871 trad het land toe tot het Duitse Keizerrijk.

In de binnenlandse politiek bleven tot 1893 de nationaal-liberalen dankzij het censuskiesrecht aan de macht. Na dat jaar konden zij zich echter slechts handhaven met hulp van de conservatieven. Een coalitie van ultramontanen, socialisten, sociaaldemocraten en vrijzinnigen verkreeg in 1897 een meerderheid in de landdag en streefde naar invoering van het algemene, gelijke en directe kiesrecht. Het lukte hen in 1904 dit te realiseren. Baden was daarmee een van de meest democratische staten binnen het Keizerrijk.

Machthebbers[bewerken]

Groothertogen van Baden[bewerken]

Regeringsleiders van het Groothertogdom Baden[bewerken]

Ridderorden[bewerken]

De groothertogen stelden, zoals in Duitsland gebruikelijk, hun eigen ridderorden in. De Badense Orden; de Militaire Karl-Friedrich-Verdienstorde, Orde van de Leeuw van Zähringen en Orde van Berthold de Eerste werden in 1918 afgeschaft en vervangen door een medaille.