Grote Sprong Voorwaarts

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Grote Sprong Voorwaarts (vereenvoudigd Chinees: 大跃进; pinyin: Dàyuèjìn; Kantonees: Taai Juk Chun) was de benaming voor het tweede Chinese vijfjarenplan, dat op last van de communistische partijleider Mao Zedong in 1958 werd gelanceerd.

Uitgangspunten[bewerken]

De Grote Sprong Voorwaarts, gelanceerd in mei 1958, behelsde verregaande economische hervormingen naar socialistisch model om van China een supermacht te maken. Doel van de campagne was de landbouwproductie (lees: systematische rekwisitie van graan, rijst, fruit, vlees etc.) een beslissende stap vooruit te laten maken door communes te vormen, gemeenschappen waarin arbeiders en boeren moesten samenwerken (in communes is het namelijk lastiger om voorraden verborgen te houden). Dit omdat de Sovjetunie en het Oostblok betaald moesten worden in voedselproducten voor hun 'hulp' bij de industrialisatie met wapenindustrie. In de industrie was het doel om het werk van de machines zo veel mogelijk te beperken en dus moesten de vrouwen en de kinderen ook op het land helpen. Het communisme stelde een samenleving in het vooruitzicht zonder privébezit, dus verordonneerde de partij dat boeren hun eigen grond moesten opgeven. Kleine stukken landbouwgrond die eeuwenlang door afzonderlijke boerengezinnen waren bewerkt, werden plotseling tot één groot gebied samengevoegd. Voortaan moesten de boeren collectief het land beheren. Een vergelijkbaar proces voltrok zich in de industrie: arbeiders werden geacht gezamenlijk de fabriek te beheren en waren als collectief verantwoordelijk voor de productie. Mao sprak over het lopen op twee benen, waarmee hij bedoelde: alles tegelijk opbouwen. Overtuigd van het succes van de campagne handhaafde de partij dit maoïstische economische model decennialang. China kreeg bovendien economische 'steun' van de Sovjet-Unie voor dit vijfjarenplan in de vorm van leningen die met landbouwproducten (destijds het enige beschikbare exportproduct van China) terugbetaald werden.

Een van de meetpunten voor de gewenste industrialisatie was de staalproductie die verdubbeld moest worden naar 10,7 miljoen ton staal voor het jaar 1958 en daarna naar 30 miljoen ton per jaar. Dat kon zo snel niet door alleen de bestaande productie in hoogovens op te voeren en hoogovens bij te bouwen. Daartoe moesten ook de boeren en arbeiders gaan bijdragen op het land door ijzererts te gaan smelten in door hen zelf gebouwde dorpshoogovens.

Mao stond vooraf toe dat er veel doden zouden vallen in dit vijfjarenplan. Op het congres van mei 1958 waar het startschot voor de Grote Sprong werd gegeven had hij zijn top toegesproken dat ze niet alleen niet bang moesten zijn voor doden maar sterfgevallen zelfs toe moesten juichen met de woorden: ‘We geloven in dialectiek en dus kunnen we niet tegen de dood zijn’.

Uitwerking[bewerken]

Kleine staalovens

Aanvankelijk leek de Grote Sprong Voorwaarts een groot succes dankzij slimme propaganda. Linkse kringen over de hele wereld zagen in de schijnbare economische successen van China het ultieme bewijs dat het communisme een levensvatbaar systeem was. Kennelijk had het kapitalisme niet het alleenrecht op het creëren van een welvarende samenleving. Dankzij de economische vooruitgang liet China het verleden definitief achter zich. Verschilde het China van voor de communistische revolutie niet veel van een doorsnee ontwikkelingsland, dankzij de Grote Sprong Voorwaarts had het land zich geleidelijk omgevormd tot een moderne staat, tenminste als je de door de CCP gepubliceerde statistieken mocht geloven.

Mao lanceerde in deze jaren een groot aantal subcampagnes zoals de bekende Grote Mussencampagne (Chinees: 打麻雀运动; pinyin: Dǎ Máquè Yùndòng; Engels: the Great Sparrow campaign) om alle mussen te doden als een van de Vier Plagen-campagnes (tegen resp. ratten, vliegen, muskieten en mussen) omdat deze de schuld kregen van de partij van de voedseltekorten.

Door kaderleden van de communes werden de boeren opgejaagd om als slaven te werken op een minimaal dieet, en deze fungeerden tevens als cipier en hielden de boeren in de dorpen opgesloten want het was boeren en iedereen verboden zich zonder schriftelijke toestemming te verplaatsen. Een andere belangrijke taak van het kader was te verhinderen dat de boeren van hun eigen oogst zouden 'stelen', daarop werden afgrijselijke straffen gezet als bijvoorbeeld de neus afsnijden, wurging en levende verbranding[1].

Gevolgen[bewerken]

In werkelijkheid was de Grote Sprong Voorwaarts één grote mislukking die tot een verspilling op gigantische schaal leidde. Al een jaar nadat het economische programma met veel tamtam was gelanceerd, bleken de opgaven en schattingen van de graanproductie onjuist. Uit angst als rechtse doemdenkers te worden bestempeld, hadden lokale partijleden opzettelijk de productieomvang overdreven, de zogenaamde Spoetnikvelden met stratosferische oogsten (bijvoorbeeld 70 ton graan op 800 m2) en Spoetnik-coöperaties schoten als paddenstoelen uit de grond. Het waren drogbeelden: de voedseltekorten liepen in werkelijkheid juist op, onder andere omdat een aanzienlijk deel van de oogst geleverd werd aan de Sovjet-Unie en het Oostblok om de schulden voor de hulp bij de industrialisatie sneller af te betalen. Hongersnood was onafwendbaar. Eten werd zó schaars dat mensen moesten leven van gras en boomschors. Er zijn gevallen bekend van kannibalisme waarvan vooral meisjes slachtoffer werden en waarbij families de kinderen eerst uitruilden[2]. Een ander fenomeen was het gegeven dat vrouwen meer meisjes dan jongens baarden: al na een jaar na het begin van de hongersnood zakte het aandeel jongetjes onder de boorlingen. Van 109 jongens tegenover 100 meisjes in april 1960, tot 104 jongens tegenover 100 meisjes in oktober 1963, twee jaar na het eind van de hongersnood. In juli 1965 werd de verhouding pas weer normaal, rekening mee gehouden dat van nature meer jongens dan meisjes worden geboren.[3]

Om de verplichte doelstellingen aan 'staal' te produceren in de dorpshoogovens werd bij afwezigheid van ijzererts overgegaan tot omsmelten van het eigen eetgerei, pannen en wokken, landbouwwerktuigen, haarspelden, spijkers, scharnieren, kortom alles wat maar van ijzer was, en bij afwezigheid van kolen werd overgegaan tot verbranding van de eigen hutten en huizen inclusief de daken in de volkshoogovens. Het leverde geen staal op maar integendeel volledig onbruikbaar 'ijzer', zodoende in feite een geweldige vernietiging van het weinige wat men nog had maar ook de tijdsinvestering ging verloren en werd onttrokken aan de voedselproductie.

Hoeveel Chinezen uiteindelijk stierven ten gevolge van de hongersnood tussen 1959 en 1962 is niet zeker, schattingen variëren van 20 miljoen tot 43 miljoen[4]. Het officiële Chinese cijfer bedraagt 14 miljoen doden.

Interne kritiek[bewerken]

Eind juli 1959 werd de hogere leiding opgeroepen voor een grote vergadering van het Centraal Comité in Lushan (in de groene bergen van Jiangxi) waar de minister van Defensie maarschalk Peng Dehuai forse kritiek leverde op Mao en De Grote Sprong Voorwaarts en probeerde Mao te overtuigen van zijn dwalingen. Het land stevende volgens hem op een economische catastrofe af en Peng was nogal duidelijk, eerlijk en rechtstreeks maar iedereen werd erdoor verrast. Mao zette daar meteen de tegenaanval in en stelde dat als de partij hem (Mao) zou afkeuren, hij een burgeroorlog zou ontketenen en dan zouden 'ze allemaal door het volk worden weggevaagd' zo waarschuwde hij. De hogere leiding zwichtte voor de bedreigingen en de geïsoleerde Peng Dehuai werd van alle functies ontheven, achtergelaten omgeven door een handjevol dapperen, een 'kliek' die Mao binnen de kortste keren zou elimineren. Peng Dehuai kreeg huisarrest en werd in het openbaar vernederd. Lin Biao volgde hem als minister van Defensie op. Mao stond het presidentschap af aan Liu Shaoqi, Deng Xiaoping kreeg de partijleiding, Zhou Enlai werd Minister president. Het beleid met betrekking tot de Grote Sprong Voorwaarts bleef echter ongewijzigd.[5]

Matiging[bewerken]

Op 3 januari 1965 werd Liu Shaoqi herbenoemd als president van de Volksrepubliek wat in tegenstelling tot zijn eerste benoeming gepaard ging met een vloedgolf van publiciteit en leuzen als 'Voorzitter Mao en Voorzitter Liu zijn beide onze meest geliefde leiders!'. Hierdoor bestendigde en versterkte Liu zijn positie ten opzichte van Mao, mede door een eigen soort persoonsverheerlijking te starten. Liu verzachtte direct hierna (tegen de zin van Mao) de voedselrekwisities op het platteland, verhoogde de levensstandaard en beëindigde de staalproductie in de dorpsovens (die alleen maar onbruikbaar ijzer opleverden). Onder zijn bewind herstelde het land tijdelijk van Mao's desastreuze Grote Sprong Voorwaarts.

Reactie op de matiging[bewerken]

In 1966 lanceerde Mao de Culturele Revolutie. Tegenwoordig wordt dit gezien als een "PR-campagne" om Mao weer populair te maken bij het volk, feitelijk een campagne van Mao om de macht opnieuw te veroveren nadat hij was afgezet als voorzitter van de Volksregering van China ten gunste van Liu Shaoqi die zich daarna tevens als president van de staat liet herbenoemen en een soort persoonlijkheidscultus voor zichzelf was begonnen. Mao was het oneens met de zachte onmaoïstische lijn van de toenmalige regering van Liu want dit deed afbreuk aan zijn supermachtprogramma.

De Rode Gardisten verspreidden Mao's 'Rode Boekje' (een boekje geschreven door Lin Biao met citaten van Mao). De tegenstanders van Mao binnen en buiten de Chinese Communistische Partij werden massaal 'gezuiverd'. Liu Shaoqi werd afgezet en 'geneutraliseerd'.

Literatuur[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. Chang; Halliday (2005) p. 558,
  2. Lescot (2000) p. 557,
  3. (nl) Honger levert extra dochters op. De Standaard (10 april 2012) Geraadpleegd op 9 februari 2013
  4. Lescot (2000) p. 557 noemt 30 miljoen doden,
  5. Lescot (2000) p. 554-555.